Rechters 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen de Israëlieten kwaad deden in de ogen van Jahweh, leverde Jahweh hen voor zeven jaar over in de hand der Midjanieten;
1Як почали ж сини Ізрайлеві ходити таким робом, що був не до вподоби Господеві, подавав Господь їх на поталу Мадиянїям через сїм год.
2en de hand van Midjan drukte zwaar op Israël neer. Om aan de Midjanieten te ontsnappen, maakten de Israëlieten zich holen en spelonken in de bergen en versterkte plaatsen.
2І тяготїла рука Мадиянїїв над Ізраїлем, і сини Ізрайлеві поробили собі перед Мидиянїями леговища в горах та печері в скелях.
3Telkens als de Israëlieten gezaaid hadden, trokken de Midjanieten, Amalekieten en stammen uit het oosten tegen hen uit,
3І що понасївають було Ізрайлитяне, наступлять на їх Мидиянїї, Амаликїї, і ті що жили на востоцї;
4sloegen bij hen hun legerplaats op, en vernielden de oogst van het land tot Gaza toe; niets wat tot levensonderhoud strekt, lieten ze in Israël achter: geen schaap, rund of ezel.
4Та й отаборяться навпроти них та й нївечять уроджай аж по Газу, і не зоставлять нїчого на прожиток Ізраїлеві, нї овечки, нї вола, нї осла.
5Wanneer ze kwamen opzetten met hun kudden, waren hun tenten talrijk als sprinkhanen, en zijzelf met hun kamelen ontelbaar. Ze vielen het land binnen om het te verwoesten,
5Бо наступали чабануючи (зі скотом) та з наметами, і бувало їх як сарани, безлїч і самих їх і верблюдів, і кочували вони по всїй землї, пустошачи її.
6zodat Israël door Midjan zeer verarmde, en de Israëlieten tot Jahweh begonnen te roepen.
6Оце ж вельми ослаб Ізраїль через Мадиянїїв. І заквилили тодї сини Ізрайлеві до Господа.
7Toen de Israëlieten dan om Midjan Jahweh aanriepen,
7Як же покликнули Ізрайлитяне до Господа на Мадиянїїв,
8zond Jahweh een profeet tot de Israëlieten, die hun zeide: Zo spreekt Jahweh, Israëls God! Ik ben het, die u uit Egypte heb geleid, en u uit het slavenhuis heb gevoerd.
8Послав Господь пророка до синів Ізрайлевих, і промовив пророк: Тако глаголе Господь, Бог Ізрайлїв: Вивів я вас із Египту, визволив ізвідти, де ви були рабами;
9Ik heb u verlost uit de hand der Egyptenaren en van allen, die u verdrukten; Ik heb hen voor u uitgedreven, en u hun land geschonken.
9І вирятував вас із руки в Египтїїв і з рук усїх ваших гнобителїв, і повиганяв їх поперед вами, і надїлив їх землю вам,
10En Ik heb u gezegd: Ik ben Jahweh, uw God; ge moogt de goden der Amorieten, in wier land ge woont, niet vereren! Maar ge hebt naar Mij niet geluisterd.
10І говорив до вас: Я Господь, Бог ваш; не вшановуйте богів Аморійських, що в їх землї ви живете; та ви не слухали голосу мого.
11Eens kwam de engel van Jahweh, en zette zich neer onder de terebint in Ofra, dat aan Joasj van Abiézer toebehoorde. Zijn zoon Gedeon was juist bezig, tarwe te dorsen in de perskuip, om ze voor de Midjanieten te verbergen.
11І прийшов ангел Господень та й сїв під дубом ув Офрі, що належав до Йоаса, потомка Авіезерового, саме тодї як син його Гедеон молотив пшеницю в печері, щоб сховати її від Мадиянїїв.
12De engel van Jahweh vertoonde zich aan hem, en sprak hem toe: Jahweh is met u, dappere held!
12І явивсь йому ангел Господень і рече до його: Господь з тобою, хоробрий чоловіче!
13Gedeon gaf ten antwoord: Och heer, als Jahweh met ons is, waarom overkomt ons dit alles? Waar zijn dan al zijn wonderdaden, waarvan onze vaderen ons verhaalden, als ze zeiden: “Jahweh heeft ons uit Egypte gevoerd!” Want nu heeft Jahweh ons verworpen en in de hand der Midjanieten geleverd.
13А Гедеон йому: Добродїю, коли Господь із нами, так чого ж оце все склалось нам? і де всї чудеса його, що батьки наші нам оповідували про них, та казали: Господь вивів нас із Египту? Тепер же він відопхнув нас та й оддав нас Мидиянїям.
14Toen keerde de engel van Jahweh zich naar hem toe, en sprak: Ga, want nu zijt ge sterk! Ge zult Israël uit de hand van Midjan bevrijden; zie, Ik zend u.
14І споглянув тодї ангел Господень на його й каже: Йди в оцїй силї твоїй, так і вирятуєш Ізраїля від руки Мадиянїїв. Знай, я посилаю тебе!
15Maar hij antwoordde: Och heer, hoe zal ik Israël kunnen verlossen? Mijn geslacht is immers het geringste in Manasse, en ik ben de minste in het huis van mijn vader.
15І відказав йому: Добродїю! Чим же я вирятую Ізраїля? Рід мій найслабший у Манассії, а я найменший у моїй родинї.
16Maar de engel van Jahweh hernam: Waarachtig, Ik zal met u zijn; ge zult de Midjanieten als één man verslaan.
16І сказав йому Господь: Я буду з тобою, й ти побєш Мадиянїїв, як одного чоловіка.
17Nu vroeg hij hem: Als ik genade heb gevonden in uw ogen, geef me dan een teken, dat Gij het zijt, die met me spreekt.
17А сей: Коли ти змилосердивсь до мене, дак дай менї ознаку, що розмовляєш ізо мною.
18Ga niet weg van hier, vóór ik bij U terug ben met de gave, die ik U wil aanbieden. Hij antwoordde: Ik blijf hier, tot ge terug zijt.
18Ось не відходь ізвідсї, докіль вернусь і принесу дар тобі. Він же відказав: Буду ждати, покіль вернешся.
19Gedeon ging heen, maakte een geitebokje klaar, en bakte van een maat meel ongedesemd brood. Het vlees legde hij op een schotel, en het nat deed hij in een aarden pot; dit bracht hij naar hem toe onder de terebint, en bood het hem aan.
19Пійшов тодї Гедеон, приготовив козенятко та неквашених книшів із одної ефи муки; мясо зложив у кошик, а юшку влив у горщик, принїс те все йому під дуба та й поставив перед ним.
20Maar Gods engel zeide tot hem: Neem het vlees en het ongedesemde brood, leg het neer op die steen, en giet er het nat over uit. Toen hij dat gedaan had,
20Ангел же Господень сказав йому: Возьми мясиво та неквашені книші, положи на сього камення, та й вилий на те поливку. І зробив так.
21strekte de engel van Jahweh de punt van de staf uit, die hij in zijn hand hield, en raakte er het vlees en het ongedesemd brood mee aan. En er schoot een vuur uit de steen, dat het vlees en het ongedesemd brood verteerde. Toen verdween de engel van Jahweh.
21Тодї ангел Господень кінцем палицї, що держав у руцї, приторкнувсь до мясива й книшів, і виступив огонь із камення та й пожер мясиво й книші, ангель же Господень зник із очей у його.
22Nu wist Gedeon, dat het de engel van Jahweh geweest was. En Gedeon zeide: Ach Jahweh, mijn Heer; daar heb ik, zo waar, den engel van Jahweh van aanschijn tot aanschijn gezien!
22Постеріг тодї Гедеон, що то був ангел Господень, і кликнув Гедеон: Ой (лишенько ж). Господи Боже! се ж я бачив ангела Господнього лицем до лиця!
23Maar Jahweh sprak: Vrede zij u! Wees niet bang; ge zult niet sterven.
23Відказав же Господь: Мир тобі, не бійся: ти не вмреш!
24Toen bouwde Gedeon een altaar voor Jahweh, en noemde het Jahweh-Sjalom. Tot op heden staat het er nog in Ofra van Abiézer.
24Спорудив тодї Гедеон жертівника Господеві, та й дав йому призвіще: Господень мир. І досї він стоїть в Авіезеровій Офрі.
25In diezelfde nacht sprak Jahweh tot hem: Neem het vette kalf van uw vader, haal het altaar van Báal omver, en hak de asjera, die erbij staat, aan stukken.
25Тієї ж ночі повелїв йому Господь: Возьми десяток чоловіка з твоїх слуг, одного бика із стада батька твого, та одного семилїтка бика, зруйнуй Баалового жертівника в твого батька та й вирубай дерево, що стоїть навколо;
26Bouw dan op de top van deze versterkte plaats een altaar voor Jahweh, uw God, zoals het behoort; neem het vette kalf en offer het op het hout van de asjera, die ge hebt stuk geslagen.
26Тодї спорудиш Господеві, Богові твойму, жертівника на верху скелї сієї, і возьми другого бика та й принеси його на всепаленнє на дровах із дерева, що вирубаєш.
27Gedeon koos tien van zijn knechten uit, en deed zoals Jahweh hem gezegd had; maar hij was te bang voor zijn familie en de inwoners der stad, om het overdag te doen, en deed het daarom des nachts.
27Узяв тодї Гедеон десятеро чоловіка з своїх рабів і вчинив, як навчив його Господь. Та боявсь робити се перед родиною своєго й міськими людьми, то ж робив усе в ночі.
28Toen de burgers der stad de volgende morgen opstonden, lag het altaar van Báal omver, de asjera, die erbij stond, in stukken, en het vette kalf als offerande op het nieuw gebouwde altaar.
28Як же повставали міські люде й родина його вранцї, аж се жертівника Баалового зруйновано й дерево коло його зрубано; другого ж бика принесено в жертву на новопостроєному жертівнику.
29Ze zeiden elkaar: Wie zou dit hebben gedaan? En toen ze eens navroegen en onderzochten, zeide men: Gedeon, de zoon van Joasj, heeft het gedaan.
29Питали тодї люде одно одного: Хто се вкоїв? І роспитуючись так, довідались, що се вчинив Гедеон Йоасенко.
30Nu zeiden de burgers der stad tot Joasj: Lever uw zoon uit; hij moet sterven! Want hij heeft het altaar van Báal omver gehaald, en de asjera, die erbij stond, in stukken gehakt.
30І сказали тодї міські люде до Йоаса: Видай сина твого! смерть йому, бо зруйнував Баалового жертівника і порубав дерево, що було при йому.
31Maar Joasj zei tot allen, die hem omringden: Zijt gij het dan, die Báal moet verdedigen; zijt gij het, die hem moet redden? Die hem durft verdedigen, zal vóór de morgen sterven. Indien hij God is, zal hij zichzelf wel verdedigen, als men zijn altaar vernielt.
31Та Йоас відказав тим, що стояли навкруги натовпом: Так се ви хочете встоюватись за Баала, чи ж то вам його боронити? Хто за його буде встоюватись, той умре ще до завтрішнього ранку. Коли він бог, нехай сам за себе постоїть, бо жертівника його зруйновано.
32Die dag gaf hij hem de naam Jeroebbáal, wat betekent: “laat Báal maar tegen hem vechten”, omdat hij zijn altaar heeft vernield.
32Тим і проложено Гедеонові того дня призвіще Еробаал, щоб тим сказати: Нехай Баал з ним судиться за те, що він зруйнував його жертівника.
33Alle Midjanieten, Amalekieten en stammen uit het oosten waren gezamenlijk de Jordaan overgetrokken en hadden hun legerplaats in de vlakte van Jizreël opgeslagen.
33Аж ось усї Мадиянїї, Амаликії і восточане зібрались до купи, переправились через Йордань й отаборились на Езреель-долинї.
34Toen dan de geest van Jahweh Gedeon had aangegrepen, stak hij de bazuin; en Abiézer schaarde zich achter hem.
34Обняв тодї Гедеона Господень дух, так що він затрубив у трубу і покликав родину Абиєзера йти за ним.
35Tevens zond hij boden door heel Manasse, en ook zij volgden hem. Eveneens zond hij boden naar Aser, Zabulon, en Neftali, die hem nu tegemoet trokken.
35Та ще послав Гедеон до всього Манассія посли, і скликано їх також до війська. Послав также посли до Ассера, Забулона і Нафталїя навкруги, і сї вийшли зустріч йому.
36Nu sprak Gedeon tot God: Wanneer Gij, zoals Gij beloofd hebt, werkelijk Israël door mij wilt bevrijden,
36І промовив тодї Гедеон до Бога: Коли справдї хочеш рятувати Ізраїля моєю рукою,
37zie, dan leg ik een wollen vacht op de dorsvloer neer. Valt er nu dauw alleen op die vacht, terwijl de hele grond droog blijft, dan weet ik, dat Gij Israël door mij zult bevrijden, zoals Gij beloofd hebt.
37Так ось! я розстелюю на току вовняне руно. Коли на одно руно тільки впаде роса, а навкруги земля буде суха, тодї знати му, що вирятуєш Ізраїля моєю рукою.
38Zo geschiedde. En toen hij de volgende morgen opstond en de vacht uitwrong, kreeg hij er een wateremmer vol dauw uit.
38Так і сталось: Як витискав він рано вранцї руно, так настїкала повна миска води.
39Daarop sprak Gedeon tot God: Laat uw toorn niet tegen mij ontbranden, wanneer ik U voor een tweede keer vraag: Laat mij nog eens een proef nemen met de vacht; maar nu blijve de vacht alleen droog, en de hele grond worde bedauwd.
39Однакже Гедеон промовив Господеві: Ой нехай твій гнїв не загориться на мене, коли ще раз промовлю! Дозволь менї ще одну пробу з руном ізробити: нехай воно тілько сухе буде, усюди ж роса впаде на землю!
40Zo deed God het in die nacht; de vacht alleen was droog, maar op heel de grond lag dauw.
40І дав так Господь у ту ніч, що руно тількі було сухе, усюди ж на землї лежала роса.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.