Rechters 19
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1In de tijd, dat er geen koning in Israël was, had zich een leviet in het achterland van het gebergte van Efraïm als vreemdeling gevestigd. Hij had zich een bijzit uit Betlehem van Juda genomen;
1Було ж того часу, як не було ще царя в Ізраїлї, жив собі Левійський чоловік серед Ефраїмових гір. Держав він у себе дївку з Бетлеєма, в Юдеї за наліжницю.
2maar zijn bijzit was hem ontrouw geworden, en van hem weggelopen naar het huis van haar vader in Betlehem van Juda, waar ze vier maanden verbleef.
2Ся ж наліжниця посварилась із ним та й утекла від його до своєї родини в Бетлеєм в Юдеї, та й пробувала там чотири місяцї часу.
3Toen ging haar man met zijn knecht en een span ezels op weg, en reisde haar achterna, om eens op haar gemoed te werken en haar terug te brengen. Zodra hij bij het huis van haar vader kwam, en de vader van het meisje hem zag, ging deze hem verheugd tegemoet.
3Потім пустив ся чоловік її в дорогу, щоб з нею щиро перемовитись та й узяти її до себе. Був при йому наймит його та два осли. Она ввела його в дім батька свого.
4En omdat zijn schoonvader, de vader van het meisje, er bij hem nu zo op aandrong, bleef hij drie dagen bij hem. En ze aten, dronken en overnachtten daar.
4Батько молодоцї, побачивши його, привитав його радо, і задержав його тесть, батько молодої женщини, у себе. І пробув він три днї в нього; вони їли й пили і ночували там.
5En toen ze op de vierde dag ‘s morgens vroeg zich gereed maakten, en hij opstond om te vertrekken, zei de vader van het meisje tot zijn schoonzoon: Neem eerst nog een stukje brood, dan kunt ge daarna vertrekken.
5На четвертий же день встав він досьвіта, щоб вертати; та батько молодичин каже свойму зятеві: Покрепися ж перш куском хлїба, тодї й пійдете.
6Zo bleven ze. Maar nadat ze tezamen gegeten en gedronken hadden, zei de vader van het meisje tot den man: Toe, besluit nu, nog één nacht te blijven; neem het er maar eens goed van.
6От вони й остались, і їли та пили вкупі, тодї ж прохав молодичин батько чоловіка: Остансь на ніч та повеселись у нас.
7En toen de man zich toch gereed maakte, om te vertrekken, drong zijn schoonvader er zo bij hem op aan, dat hij er nog een nacht bleef.
7Чоловік же піднявсь, щоб ійти в дорогу. А тесть його присилував таки, що він ще раз переночував.
8Ook de vijfde dag stond hij ‘s morgens vroeg op, om op pad te gaan; maar weer zei de vader van het meisje: Doe u eerst nog te goed, en wacht dan tot de dag ten einde loopt. Maar toen ze tezamen gegeten hadden,
8Як устав сей на пятий день рано вранцї, щоб ійти, каже молодичин батько: Покрепись та загайсь, покіль день схилиться. От і їли оба знов.
9en de man aanstalten maakte, om met zijn bijzit en zijn knecht te vertrekken, zei zijn schoonvader, de vader van het meisje, tot hem: Zie, de dag spoedt reeds ten einde; breng dus hier de nacht nog door, en neem het er nog eens van; dan kunt ge u morgenvroeg voor uw tocht gereed maken, en naar huis gaan.
9Як устав же чоловік, щоб відходити з наліжницею та з наймитом, каже йому тесть: Дивись, як день хилиться ʼд вечеру; ночуйте та повеселїтесь; завтра рано встанете в дорогу і пійдете додому.
10Maar nu wilde de man niet meer overnachten; hij stond op en ging heen, en kwam met zijn span ezels, zijn bijzit en zijn knecht tot bij Jeboes, of Jerusalem.
10Та чоловік не схотїв уже ночувати, пустивсь у дорогу, та й прибув у Евус, се Ерусалим, при йому ж була пара обтяжених ослів і наліжниця його.
11Toen ze nu bij Jeboes waren, neigde de dag ten einde. Daarom zei de knecht tot zijn heer: Kom, we moesten hier maar naar de stad der Jeboesieten afslaan, en daar de nacht doorbrengen.
11Як же були вони під Евусом і день вельми вже схилився, каже наймит свойму панові: Завернїмо в Евузіївський город та переночуймо там.
12Doch zijn heer antwoordde hem: Neen, we slaan niet af naar die stad van vreemde mensen, die geen Israëlieten zijn; laten we maar tot Giba doorgaan.
12Відказав йому пан його: Не пійдемо в місто чужинцїв, що не з синів Ізрайлевих, а простуймо в Гиву.
13En hij zei tot zijn knecht: Kom, we zullen een andere plaats zien te bereiken, en in Giba of Rama overnachten.
13І каже наймитові свойму: До якогось міста вже ми дійдемо та й обночуємось у Гиві, або в Рамі.
14Ze gingen dus verder, en vervolgden hun weg. En toen ze dicht bij Giba waren, dat tot Benjamin behoort, ging de zon onder.
14От і простували вони дальше, та недалеко від Гиви Беняминової зайшло їм сонце.
15Nu sloegen ze van de weg af, om Giba te bereiken en er te overnachten. Daar aangekomen, zette hij zich op het stadsplein neer; want er was niemand, die hem voor de nacht in zijn huis opnam.
15І повернули вони в Гиву, щоб там ночувати. Як же прийшли туди, мусїли седїти на майданї в містї, бо нїхто не закликав їх в господу на нічлїги.
16Maar in de avond kwam er een oude man van zijn werk uit het veld. Het was iemand uit het bergland van Efraïm, die slechts als vreemdeling te Giba verblijf hield; want alle inwoners van die plaats waren Benjamieten.
16Аж ось показавсь старий чоловік, що ввечері вертавсь із роботи своєї з поля. Родом був він з Ефраїмських гір і пробував чуженицею в Гиві, а люде тамошні та були Беняминїї.
17Toen de grijsaard opzag en den reiziger op het stadsplein bemerkte, vroeg hij: Waar gaat ge heen, en waar komt ge vandaan?
17Споглянувши сей і побачивши чоловіка з клунками на улицї в містї, питає: Куди йдеш і звідкіля?
18Hij antwoordde hem: We zijn op weg van Betlehem van Juda naar het achterland van het gebergte van Efraïm; daar kom ik vandaan. Ik ben naar Betlehem van Juda geweest, en ga nu naar huis. Maar er is niemand, die me gastvrijheid wil verlenen,
18Відказав же той: Ми йдемо з Бетлеєма в Юдеї в гори Ефраїмські, бо я звідти. Ходив я в Бетлеєм в Юдеї, і вертаюсь тепер до моєї домівки. Та нема нїкого, щоб нас прийняв в господу;
19ofschoon ik stro en voer heb voor onze ezels, brood en wijn voor mezelf, voor uw dienstmaagd en den jongen, dien uw dienaar bij zich heeft, en het ons dus aan niets ontbreekt.
19Є в нас солома й харч ослам, є й хлїб і вино про мене й про твою рабу й про наймита, що має при собі твій раб, нїчого нам не треба.
20Toen zei de oude man: Vrede zij u; op mij rust de plicht, u van het nodige te voorzien; in geen geval moogt ge op het plein overnachten.
20Каже тодї старий чоловік: Не журись, чого не було б у тебе, здайся на мене; тільки не ночуй на дворі.
21Hij bracht hem dus naar zijn huis, en gaf de ezels te vreten; en ze wasten hun voeten, aten en dronken.
21І повів його в свою домівку, і дав ослам харчі; і пообмивали вони собі ноги, й їли й пили.
22Maar terwijl ze zich te goed deden, omsingelden de inwoners der stad, een ras van Belialskinderen, het huis, begonnen op de deur te bonzen, en riepen tot den grijzen eigenaar van het huis: Breng den man, die uw huis is binnengegaan, naar buiten; we willen gemeenschap met hem houden.
22Тим часом як вони по трудї тїла посиляли, обступили горожане господу, люде ледачі, перлись у двері і кричали на дїдуся, господаря дому: Виведи чоловіка, що повернув до тебе, щоб ми з ним розпитались.
23Doch de eigenaar van het huis ging naar hen toe en zei hun: Neen, broeders, dat kwaad moogt ge niet doen. Die man is nu eenmaal mijn gast, en ge moogt dus zo iets schandelijks niet doen.
23Вийшов до їх господар та й каже їм: Нї, браттє! не чинїте зла! Коли чоловік сей завернув до мене в господу, не подоба вам таке стидовище чинити.
24Neen, ik zal mijn dochter, die nog maagd is, met zijn bijzit naar buiten brengen; die kunt ge verkrachten, en met haar doen, wat ge wilt; maar met dien man moogt ge die schandelijke dingen niet doen.
24Ось у мене дївує дочка, а в його є наліжниця; виведу їх вам; насилуйте їх і чинїте, що вам до вподоби; над сим же чоловіком не чинїте безчестї.
25Toen die lieden maar niet naar hem wilden luisteren, nam de man zelf zijn bijzit, en liet haar de straat opgaan naar hen toe. Ze hielden gemeenschap met haar, en koelden heel de nacht tot de morgen aan haar hun lust; eerst toen de dageraad aanbrak, lieten ze haar gaan.
25Та люде ті не схотїли його слухати. Тодї вхопив чоловік наліжницю свою, та й вивів її до них на улицю, і вони пригортались до неї і ругались над нею всю ніч до ранку, і тодї аж її покинули, як зачервонїла зоря.
26Bij het aanbreken van de morgen kwam de vrouw terug; maar voor het huis van den man, bij wien haar heer te gast was, zonk ze neer, en bleef daar liggen tot het dag was.
26Як же настав ранок, прийшла молодиця та й повалилась перед дверима того чоловіка, де був пан її, й лежала покіль настав день.
27Toen nu haar heer ‘s morgens opstond en de huisdeur opende, om naar buiten te gaan en zijn weg te vervolgen, lag daar zijn bijzit voor de deur van het huis met haar handen op de drempel.
27Як же встав уранцї пан її, та відчинив двері й вийшов, щоб простувати своєю дорогою, аж наліжниця його лежить перед дверима господи, розтягнувши руки на порозї.
28Hij sprak tot haar: Sta op, laten we maar verder gaan. Maar hij kreeg geen antwoord; ze was dood. Toen legde hij haar op zijn ezel, maakte zich klaar, en ging naar zijn woonplaats.
28Каже він їй: Уставай, пійдемо! аж нема відповідї. Побачивши, що вона вмерла, положив він її на осла та й пійшов до своєї домівки.
29Thuis gekomen, greep hij een mes, nam zijn bijzit, sneed haar langs de beenderen in twaalf stukken, en zond haar heel het gebied van Israël door.
29Вернувшися ж додому, вхопив ножа, взяв наліжницю свою, порізав її на дванайцять частин та й розіслав їх по всїх займищах Ізраїльських.
30En iedereen, die het zag, zeide: Nooit is zo iets gebeurd of gezien, van de dag, dat de Israëlieten uit Egypteland trokken, tot heden toe. Denkt er over na, beraadt u en spreekt.
30І кликав тодї кожен, хто се бачив: Такого не бувало й не видано з того часу, як Ізраїль вийшов з Египту, по сей день! Оце ж подумайте про се, порадьте та постановіть, що чинити!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.