Rechters 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Toen de Israëlieten kwaad deden in de ogen van Jahweh, leverde Jahweh hen voor zeven jaar over in de hand der Midjanieten;
1ΚΑΙ ἐποίησαν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ τὸ πονηρὸν ἐνώπιον Κυρίου, καὶ ἔδωκεν αὐτοὺς Κύριος ἐν χειρὶ Μαδιὰμ ἑπτὰ ἔτη.
2en de hand van Midjan drukte zwaar op Israël neer. Om aan de Midjanieten te ontsnappen, maakten de Israëlieten zich holen en spelonken in de bergen en versterkte plaatsen.
2καὶ ἴσχυσε χεὶρ Μαδιὰμ ἐπὶ Ἰσραήλ· καὶ ἐποίησαν ἑαυτοῖς οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ ἀπὸ προσώπου Μαδιὰμ τὰς τρυμαλιὰς τὰς ἐν τοῖς ὄρεσι καὶ τὰ σπήλαια καὶ τὰ κρεμαστά.
3Telkens als de Israëlieten gezaaid hadden, trokken de Midjanieten, Amalekieten en stammen uit het oosten tegen hen uit,
3καὶ ἐγένετο ἐὰν ἔσπειραν οἱ υἱοὶ Ἰσραήλ, καὶ ἀνέβαινον Μαδιὰμ καὶ Ἀμαλήκ, καὶ οἱ υἱοὶ ἀνατολῶν συνανέβαινον αὐτοῖς· καὶ παρενέβαλον εἰς αὐτοὺς
4sloegen bij hen hun legerplaats op, en vernielden de oogst van het land tot Gaza toe; niets wat tot levensonderhoud strekt, lieten ze in Israël achter: geen schaap, rund of ezel.
4καὶ κατέφθειραν τοὺς καρποὺς αὐτῶν ἕως ἐλθεῖν εἰς Γάζαν καὶ οὐ κατελείποντο ὑπόστασιν ζωῆς ἐν τῇ γῇ Ἰσραὴλ οὐδὲ ἐν τοῖς ποιμνίοις ταῦρον καὶ ὄνον·
5Wanneer ze kwamen opzetten met hun kudden, waren hun tenten talrijk als sprinkhanen, en zijzelf met hun kamelen ontelbaar. Ze vielen het land binnen om het te verwoesten,
5ὅτι αὐτοὶ καὶ αἱ κτήσεις αὐτῶν ἀνέβαινον καὶ αἱ σκηναὶ αὐτῶν παρεγίνοντο καθὼς ἀκρὶς εἰς πλῆθος, καὶ αὐτοῖς καὶ ταῖς καμήλοις αὐτῶν οὐκ ἦν ἀριθμός, καὶ ἤρχοντο εἰς τὴν γῆν Ἰσραὴλ καὶ διέφθειρον αὐτήν.
6zodat Israël door Midjan zeer verarmde, en de Israëlieten tot Jahweh begonnen te roepen.
6καὶ ἐπτώχευσεν Ἰσραὴλ σφόδρα ἀπὸ προσώπου Μαδιάμ,
7Toen de Israëlieten dan om Midjan Jahweh aanriepen,
7καὶ ἐβόησαν υἱοὶ Ἰσραὴλ πρὸς Κύριον ἀπὸ προσώπου Μαδιάμ.
8zond Jahweh een profeet tot de Israëlieten, die hun zeide: Zo spreekt Jahweh, Israëls God! Ik ben het, die u uit Egypte heb geleid, en u uit het slavenhuis heb gevoerd.
8καὶ ἐξαπέστειλε Κύριος ἄνδρα προφήτην πρὸς τοὺς υἱοὺς Ἰσραήλ, καὶ εἶπεν αὐτοῖς· τάδε λέγει Κύριος ὁ Θεὸς Ἰσραήλ· ἐγώ εἰμι ὃς ἀνήγαγον ὑμᾶς ἐκ γῆς Αἰγύπτου καὶ ἐξήγαγον ὑμᾶς ἐξ οἴκου δουλείας ὑμῶν
9Ik heb u verlost uit de hand der Egyptenaren en van allen, die u verdrukten; Ik heb hen voor u uitgedreven, en u hun land geschonken.
9καὶ ἐρρυσάμην ὑμᾶς ἐκ χειρὸς Αἰγύπτου καὶ ἐκ χειρὸς πάντων τῶν θλιβόντων ὑμᾶς καὶ ἐξέβαλον αὐτοὺς ἐκ προσώπου ὑμῶν καὶ ἔδωκα ὑμῖν τὴν γῆν αὐτῶν
10En Ik heb u gezegd: Ik ben Jahweh, uw God; ge moogt de goden der Amorieten, in wier land ge woont, niet vereren! Maar ge hebt naar Mij niet geluisterd.
10καὶ εἶπα ὑμῖν· ἐγὼ Κύριος ὁ Θεὸς ὑμῶν, οὐ φοβηθήσεσθε τοὺς θεοὺς τοῦ Ἀμορραίου, ἐν οἷς ὑμεῖς κάθησθε ἐν τῇ γῇ αὐτῶν· καὶ οὐκ εἰσηκούσατε τῆς φωνῆς μου.
11Eens kwam de engel van Jahweh, en zette zich neer onder de terebint in Ofra, dat aan Joasj van Abiézer toebehoorde. Zijn zoon Gedeon was juist bezig, tarwe te dorsen in de perskuip, om ze voor de Midjanieten te verbergen.
11Καὶ ἦλθεν ἄγγελος Κυρίου καὶ ἐκάθισεν ὑπὸ τὴν τερέμινθον τὴν ἐν Ἐφραθὰ τὴν Ἰωὰς πατρὸς τοῦ Ἐσδρί, καὶ Γεδεὼν ὁ υἱὸς αὐτοῦ ραβδίζων σῖτον ἐν ληνῷ εἰς ἐκφυγεῖν ἀπὸ προσώπου τοῦ Μαδιάμ.
12De engel van Jahweh vertoonde zich aan hem, en sprak hem toe: Jahweh is met u, dappere held!
12καὶ ὤφθη αὐτῷ ὁ ἄγγελος Κυρίου καὶ εἶπε πρὸς αὐτόν· Κύριος μετὰ σοῦ, ἰσχυρὸς τῶν δυνάμεων.
13Gedeon gaf ten antwoord: Och heer, als Jahweh met ons is, waarom overkomt ons dit alles? Waar zijn dan al zijn wonderdaden, waarvan onze vaderen ons verhaalden, als ze zeiden: “Jahweh heeft ons uit Egypte gevoerd!” Want nu heeft Jahweh ons verworpen en in de hand der Midjanieten geleverd.
13καὶ εἶπε πρὸς αὐτὸν Γεδεών· ἐν ἐμοί, Κύριέ μου, καὶ εἰ ἔστι Κύριος μεθ᾿ ἡμῶν, εἰς τί εὗρεν ἡμᾶς τὰ κακὰ ταῦτα; καὶ ποῦ ἐστι πάντα τὰ θαυμάσια αὐτοῦ, ἃ διηγήσαντο ἡμῖν οἱ πατέρες ἡμῶν λέγοντες, μὴ οὐχὶ ἐξ Αἰγύπτου ἀνήγαγεν ἡμᾶς Κύριος; καὶ νῦν ἐξέρριψεν ἡμᾶς καὶ ἔδωκεν ἡμᾶς ἐν χειρὶ Μαδιάμ.
14Toen keerde de engel van Jahweh zich naar hem toe, en sprak: Ga, want nu zijt ge sterk! Ge zult Israël uit de hand van Midjan bevrijden; zie, Ik zend u.
14καὶ ἐπέστρεψε πρὸς αὐτὸν ὁ ἄγγελος Κυρίου καὶ εἶπε· πορεύου ἐν τῇ ἰσχύϊ σου ταύτῃ καὶ σώσεις τὸν Ἰσραὴλ ἐκ χειρὸς Μαδιάμ· ἰδοὺ ἐξαπέστειλά σε.
15Maar hij antwoordde: Och heer, hoe zal ik Israël kunnen verlossen? Mijn geslacht is immers het geringste in Manasse, en ik ben de minste in het huis van mijn vader.
15καὶ εἶπε πρὸς αὐτὸν Γεδεών· ἐν ἐμοί, Κύριέ μου, ἐν τίνι σώσω τὸν Ἰσραήλ; ἰδοὺ ἡ χιλιάς μου ἠσθένησεν ἐν Μανασσῇ, καὶ ἐγώ εἰμι μικρότερος ἐν οἴκῳ τοῦ πατρός μου.
16Maar de engel van Jahweh hernam: Waarachtig, Ik zal met u zijn; ge zult de Midjanieten als één man verslaan.
16καὶ εἶπε πρὸς αὐτὸν ὁ ἄγγελος Κυρίου· Κύριος ἔσται μετὰ σοῦ, καὶ πατάξεις τὴν Μαδιὰμ ὡσεὶ ἄνδρα ἕνα.
17Nu vroeg hij hem: Als ik genade heb gevonden in uw ogen, geef me dan een teken, dat Gij het zijt, die met me spreekt.
17καὶ εἶπε πρὸς αὐτὸν Γεδεών· εἰ δὴ εὗρον ἔλεος ἐν ὀφθαλμοῖς σου καὶ ποιήσεις μοι σήμερον πᾶν ὅ,τι ἐλάλησας μετ᾿ ἐμοῦ,
18Ga niet weg van hier, vóór ik bij U terug ben met de gave, die ik U wil aanbieden. Hij antwoordde: Ik blijf hier, tot ge terug zijt.
18μὴ χωρισθῇς ἐντεῦθεν ἕως τοῦ ἐλθεῖν με πρός σε, καὶ ἐξοίσω τὴν θυσίαν καὶ θύσω ἐνώπιόν σου. καὶ εἶπεν· ἐγώ εἰμι, καθήσομαι ἕως τοῦ ἐπιστρέψαι σε.
19Gedeon ging heen, maakte een geitebokje klaar, en bakte van een maat meel ongedesemd brood. Het vlees legde hij op een schotel, en het nat deed hij in een aarden pot; dit bracht hij naar hem toe onder de terebint, en bood het hem aan.
19καὶ Γεδεὼν εἰσῆλθε καὶ ἐποίησεν ἔριφον αἰγῶν καὶ οἰφὶ ἀλεύρου ἄζυμα καὶ τὰ κρέα ἔθηκεν ἐν τῷ κοφίνῳ καὶ τὸν ζωμὸν ἔβαλεν ἐν τῇ χύτρᾳ καὶ ἐξήνεγκεν αὐτὰ πρὸς αὐτὸν ὑπὸ τὴν τερέμινθον καὶ προσήγγισε.
20Maar Gods engel zeide tot hem: Neem het vlees en het ongedesemde brood, leg het neer op die steen, en giet er het nat over uit. Toen hij dat gedaan had,
20καὶ εἶπε πρὸς αὐτὸν ὁ ἄγγελος τοῦ Θεοῦ· λαβὲ τὰ κρέα καὶ τὰ ἄζυμα καὶ θὲς πρὸς τὴν πέτραν ἐκείνην καὶ τὸν ζωμὸν ἐχόμενα ἔκχεε· καὶ ἐποίησεν οὕτως.
21strekte de engel van Jahweh de punt van de staf uit, die hij in zijn hand hield, en raakte er het vlees en het ongedesemd brood mee aan. En er schoot een vuur uit de steen, dat het vlees en het ongedesemd brood verteerde. Toen verdween de engel van Jahweh.
21καὶ ἐξέτεινεν ὁ ἄγγελος Κυρίου τὸ ἄκρον τῆς ράβδου τῆς ἐν τῇ χειρὶ αὐτοῦ καὶ ἥψατο τῶν κρεῶν καὶ τῶν ἀζύμων, καὶ ἀνέβη πῦρ ἐκ τῆς πέτρας καὶ κατέφαγε τὰ κρέα καὶ τοὺς ἀζύμους· καὶ ὁ ἄγγελος Κυρίου ἐπορεύθη ἀπ᾿ ὀφθαλμῶν αὐτοῦ.
22Nu wist Gedeon, dat het de engel van Jahweh geweest was. En Gedeon zeide: Ach Jahweh, mijn Heer; daar heb ik, zo waar, den engel van Jahweh van aanschijn tot aanschijn gezien!
22καὶ εἶδε Γεδεὼν ὅτι ἄγγελος Κυρίου οὗτός ἐστι, καὶ εἶπε Γεδεών· ἆ ἆ, Κύριέ μου Κύριε, ὅτι εἶδον τὸν ἄγγελον Κυρίου πρόσωπον πρὸς πρόσωπον.
23Maar Jahweh sprak: Vrede zij u! Wees niet bang; ge zult niet sterven.
23καὶ εἶπεν αὐτῷ Κύριος· εἰρήνη σοι, μὴ φοβοῦ, οὐ μὴ ἀποθάνῃς.
24Toen bouwde Gedeon een altaar voor Jahweh, en noemde het Jahweh-Sjalom. Tot op heden staat het er nog in Ofra van Abiézer.
24καὶ ᾠκοδόμησεν ἐκεῖ Γεδεὼν θυσιαστήριον τῷ Κυρίῳ καὶ ἐπεκάλεσεν αὐτῷ Εἰρήνη Κυρίου ἕως τῆς ἡμέρας ταύτης, ἔτι αὐτοῦ ὄντος ἐν Ἐφραθὰ πατρὸς τοῦ Ἐσδρί.
25In diezelfde nacht sprak Jahweh tot hem: Neem het vette kalf van uw vader, haal het altaar van Báal omver, en hak de asjera, die erbij staat, aan stukken.
25Καὶ ἐγένετο ἐν τῇ νυκτὶ ἐκείνῃ καὶ εἶπεν αὐτῷ Κύριος· λαβὲ τὸν μόσχον τὸν ταῦρον, ὅς ἐστι τῷ πατρί σου, καὶ μόσχον δεύτερον ἑπταετῆ καὶ καθελεῖς τὸ θυσιαστήριον τοῦ Βάαλ ὅ ἐστι τῷ πατρί σου, καὶ τὸ ἄλσος τὸ ἐπ᾿ αὐτὸ ὀλοθρεύσεις.
26Bouw dan op de top van deze versterkte plaats een altaar voor Jahweh, uw God, zoals het behoort; neem het vette kalf en offer het op het hout van de asjera, die ge hebt stuk geslagen.
26καὶ οἰκοδομήσεις θυσιαστήριον τῷ Κυρίῳ τῷ Θεῷ σου ἐπὶ κορυφὴν τοῦ Μαουὲκ τούτου ἐν τῇ παρατάξει καὶ λήψῃ τὸν μόσχον τὸν δεύτερον καὶ ἀνοίσεις ὁλοκαυτώματα ἐν τοῖς ξύλοις τοῦ ἄλσους, οὗ ἐξολοθρεύσεις.
27Gedeon koos tien van zijn knechten uit, en deed zoals Jahweh hem gezegd had; maar hij was te bang voor zijn familie en de inwoners der stad, om het overdag te doen, en deed het daarom des nachts.
27καὶ ἔλαβε Γεδεὼν δέκα ἄνδρας ἀπὸ τῶν δούλων ἑαυτοῦ καὶ ἐποίησεν ὃν τρόπον ἐλάλησε πρὸς αὐτὸν Κύριος· καὶ ἐγενήθη ὡς ἐφοβήθη τὸν οἶκον τοῦ πατρὸς αὐτοῦ καὶ τοὺς ἄνδρας τῆς πόλεως τοῦ ποιῆσαι ἡμέρας, καὶ ἐποίησε νυκτός.
28Toen de burgers der stad de volgende morgen opstonden, lag het altaar van Báal omver, de asjera, die erbij stond, in stukken, en het vette kalf als offerande op het nieuw gebouwde altaar.
28καὶ ὤρθρισαν οἱ ἄνδρες τῆς πόλεως τὸ πρωΐ, καὶ ἰδοὺ καθῃ£ρητο τὸ θυσιαστήριον τοῦ Βάαλ, καὶ τὸ ἄλσος τὸ ἐπ᾿ αὐτῷ ὠλόθρευτο· καὶ εἶδαν τὸν μόσχον τὸν δεύτερον, ὃν ἀνήνεγκεν ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον τὸ ᾠκοδομημένον.
29Ze zeiden elkaar: Wie zou dit hebben gedaan? En toen ze eens navroegen en onderzochten, zeide men: Gedeon, de zoon van Joasj, heeft het gedaan.
29καὶ εἶπεν ἀνὴρ πρὸς τὸν πλησίον αὐτοῦ· τίς ἐποίησε τὸ ρῆμα τοῦτο; καὶ ἐπεζήτησαν καὶ ἠρεύνησαν καὶ ἔγνωσαν ὅτι Γεδεὼν υἱὸς Ἰωὰς ἐποίησε τὸ ρῆμα τοῦτο.
30Nu zeiden de burgers der stad tot Joasj: Lever uw zoon uit; hij moet sterven! Want hij heeft het altaar van Báal omver gehaald, en de asjera, die erbij stond, in stukken gehakt.
30καὶ εἶπαν οἱ ἄνδρες τῆς πόλεως πρὸς Ἰωάς· ἐξένεγκε τὸν υἱόν σου καὶ ἀποθανέτω, ὅτι καθεῖλε τὸ θυσιαστήριον τοῦ Βάαλ καὶ ὅτι ὠλόθρευσε τὸ ἄλσος τὸ ἐπ᾿ αὐτῷ.
31Maar Joasj zei tot allen, die hem omringden: Zijt gij het dan, die Báal moet verdedigen; zijt gij het, die hem moet redden? Die hem durft verdedigen, zal vóór de morgen sterven. Indien hij God is, zal hij zichzelf wel verdedigen, als men zijn altaar vernielt.
31καὶ εἶπε Γεδεὼν υἱὸς Ἰωὰς τοῖς ἀνδράσι πᾶσιν, οἳ ἐπανέστησαν αὐτῷ· μὴ ὑμεῖς νῦν δικάζεσθε ὑπὲρ τοῦ Βάαλ; ἢ ὑμεῖς σώσετε αὐτόν; ὃς ἐὰν δικάσηται αὐτῷ, θανατωθήτω ἕως πρωΐ· εἰ Θεός ἐστι, δικαζέσθω αὐτῷ, ὅτι καθεῖλε τὸ θυσιαστήριον αὐτοῦ.
32Die dag gaf hij hem de naam Jeroebbáal, wat betekent: “laat Báal maar tegen hem vechten”, omdat hij zijn altaar heeft vernield.
32καὶ ἐκάλεσεν αὐτὸ ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ Ἱεροβάαλ λέγων· δικαζέσθω ἐν αὐτῷ ὁ Βάαλ, ὅτι καθῃρέθη τὸ θυσιαστήριον αὐτοῦ.
33Alle Midjanieten, Amalekieten en stammen uit het oosten waren gezamenlijk de Jordaan overgetrokken en hadden hun legerplaats in de vlakte van Jizreël opgeslagen.
33καὶ πᾶσα Μαδιὰμ καὶ Ἀμαλὴκ καὶ υἱοὶ ἀνατολῶν συνήχθησαν ἐπὶ τὸ αὐτὸ καὶ παρενέβαλον ἐν τῇ κοιλάδι Ἰεζραέλ.
34Toen dan de geest van Jahweh Gedeon had aangegrepen, stak hij de bazuin; en Abiézer schaarde zich achter hem.
34καὶ πνεῦμα Κυρίου ἐνεδυνάμωσε τὸν Γεδεών, καὶ ἐσάλπισεν ἐν κερατίνῃ καὶ ἐφοβήθη Ἀβιέζερ ὀπίσω αὐτοῦ.
35Tevens zond hij boden door heel Manasse, en ook zij volgden hem. Eveneens zond hij boden naar Aser, Zabulon, en Neftali, die hem nu tegemoet trokken.
35καὶ ἀγγέλους ἀπέστειλεν εἰς πάντα Μανασσῆ καὶ ἐν Ἀσὴρ καὶ ἐν Ζαβουλὼν καὶ ἐν Νεφθαλὶ καὶ ἀνέβη εἰς συνάντησιν αὐτῶν.
36Nu sprak Gedeon tot God: Wanneer Gij, zoals Gij beloofd hebt, werkelijk Israël door mij wilt bevrijden,
36καὶ εἶπε Γεδεὼν πρὸς τὸν Θεόν· εἰ σύ σώζεις ἐν χειρί μου τὸν Ἰσραὴλ καθὼς ἐλάλησας,
37zie, dan leg ik een wollen vacht op de dorsvloer neer. Valt er nu dauw alleen op die vacht, terwijl de hele grond droog blijft, dan weet ik, dat Gij Israël door mij zult bevrijden, zoals Gij beloofd hebt.
37ἰδοὺ ἐγὼ τίθημι τὸν πόκον τοῦ ἐρίου ἐν τῇ ἅλωνι· ἐὰν δρόσος γένηται ἐπὶ τὸν πόκον μόνον καὶ ἐπὶ πᾶσαν τὴν γῆν ξηρασία, γνώσομαι ὅτι σώσεις ἐν χειρί μου τὸν Ἰσραήλ, καθὼς ἐλάλησας.
38Zo geschiedde. En toen hij de volgende morgen opstond en de vacht uitwrong, kreeg hij er een wateremmer vol dauw uit.
38καὶ ἐγένετο οὕτως· καὶ ὤρθρισε τῇ ἐπαύριον καὶ ἐξεπίασε τὸν πόκον, καὶ ἔσταξε δρόσος ἀπὸ τοῦ πόκου, πλήρης λεκάνη ὕδατος.
39Daarop sprak Gedeon tot God: Laat uw toorn niet tegen mij ontbranden, wanneer ik U voor een tweede keer vraag: Laat mij nog eens een proef nemen met de vacht; maar nu blijve de vacht alleen droog, en de hele grond worde bedauwd.
39καὶ εἶπε Γεδεὼν πρὸς τὸν Θεόν· μὴ δὴ ὀργισθήτω ὁ θυμός σου ἐν ἐμοί, καὶ λαλήσω ἔτι ἅπαξ· πειράσω δὴ καί γε ἔτι ἅπαξ ἐν τῷ πόκῳ, καὶ γενέσθω ἡ ξηρασία ἐπὶ τὸν πόκον μόνον, καὶ ἐπὶ πᾶσαν τὴν γῆν γενηθήτω δρόσος.
40Zo deed God het in die nacht; de vacht alleen was droog, maar op heel de grond lag dauw.
40καὶ ἐποίησεν ὁ Θεὸς οὕτως ἐν τῇ νυκτὶ ἐκείνῃ· καὶ ἐγένετο ξηρασία ἐπὶ τὸν πόκον μόνον, καὶ ἐπὶ πᾶσαν τὴν γῆν ἐγενήθη δρόσος.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.