Rechters 20
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Toen trokken alle Israëlieten uit, en kwam het volk, van Dan tot Beër-Sjéba en uit het land Gilad, als één man te zamen bij Jahweh te Mispa.
1ΚΑΙ ἐξῆλθον πάντες οἱ υἱοὶ Ἰσραήλ, καὶ ἐξεκκλησιάσθη ἡ συναγωγὴ ὡς ἀνὴρ εἷς ἀπὸ Δὰν καὶ ἕως Βηρσαβεὲ καὶ γῆ τοῦ Γαλαὰδ πρὸς Κύριον εἰς Μασσηφά.
2Daar vormden de hoofden van het gehele volk, van alle stammen van Israël, de raad van Gods volk; ze telden vierhonderd duizend man voetvolk, dat het zwaard kon hanteren.
2καὶ ἐστάθησαν κατὰ πρόσωπον Κυρίου πᾶσαι αἱ φυλαὶ τοῦ Ἰσραὴλ ἐν ἐκκλησίᾳ τοῦ λαοῦ τοῦ Θεοῦ, τετρακόσιαι χιλιάδες ἀνδρῶν πεζῶν ἕλκοντες ρομφαίαν.
3De Benjamieten moesten dus wel horen, dat de Israëlieten naar Mispa waren opgetrokken. De Israëlieten zeiden: Spreekt, hoe is deze misdaad gebeurd?
3καὶ ἤκουσαν οἱ υἱοὶ Βενιαμὶν ὅτι ἀνέβησαν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ εἰς Μασσηφά. καὶ ἐλθόντες εἶπαν οἱ υἱοὶ Ἰσραήλ· λαλήσατε, ποῦ ἐγένετο ἡ πονηρία αὕτη;
4De leviet, de man der vermoorde vrouw, antwoordde: Toen ik met mijn bijzit te Giba van Benjamin was gekomen, om er te overnachten,
4καὶ ἀπεκρίθη ὁ ἀνὴρ ὁ Λευίτης, ὁ ἀνὴρ τῆς γυναικὸς τῆς φονευθείσης, καὶ εἶπεν· εἰς Γαβαὰ τῆς Βενιαμὶν ἦλθον ἐγὼ καὶ ἡ παλλακή μου τοῦ αὐλισθῆναι.
5kwamen de burgers van Giba op mij af en omsingelden ‘s nachts het huis, om mij kwaad te doen. Ze waren van plan mij te doden; en mijn bijzit hebben ze zo verkracht, dat ze ervan gestorven is.
5καὶ ἀνέστησαν ἐπ᾿ ἐμὲ οἱ ἄνδρες τῆς Γαβαὰ καὶ ἐκύκλωσαν ἐπ᾿ ἐμὲ ἐπὶ τὴν οἰκίαν νυκτός· ἐμὲ ἠθέλησαν φονεῦσαι καὶ τὴν παλλακήν μου ἐταπείνωσαν καὶ ἀπέθανε.
6Daarop heb ik mijn bijzit genomen, haar in stukken gehouwen, en rondgestuurd door heel het land van Israëls erfdeel. Waarachtig, ze hebben een afschuwelijke misdaad in Israël bedreven!
6καὶ ἐκράτησα τὴν παλλακήν μου καὶ ἐμέλισα αὐτὴν καὶ ἐξαπέστειλα ἐν παντὶ ὁρίῳ κληρονομίας υἱῶν Ἰσραήλ, ὅτι ἐποίησαν ζέμα καὶ ἀπόπτωμα ἐν Ἰσραήλ.
7Welnu dan, Israëlieten, denkt er allen over na, en schaft raad.
7ἰδοὺ πάντες ὑμεῖς, υἱοὶ Ἰσραήλ, δότε ἑαυτοῖς λόγον καὶ βουλὴν ἐκεῖ.
8Heel het volk stond als één man op, en zeide: Niemand van ons mag naar zijn tent gaan, niemand naar huis terugkeren.
8καὶ ἀνέστη πᾶς ὁ λαὸς ὡς ἀνὴρ εἷς, λέγοντες· οὐκ ἀπελευσόμεθα ἀνὴρ εἰς σκήνωμα αὐτοῦ καὶ οὐκ ἐπιστρέψομεν ἀνὴρ εἰς τὸν οἶκον αὐτοῦ.
9Zo zullen we met Giba afrekenen: We zullen het lot werpen,
9καὶ νῦν τοῦτο τὸ ρῆμα, ὃ ποιηθήσεται τῇ Γαβαά· ἀναβησόμεθα ἐπ᾿ αὐτὴν ἐν κλήρῳ,
10en uit alle stammen van Israël tien man op de honderd, honderd op de duizend, en duizend op de tien duizend kiezen; die zullen dan proviand gaan halen voor het volk, voor al de anderen, die moeten optrekken, om met Giba van Benjamin af te rekenen, zoals het verdient om al de schanddaden, die het in Israël heeft bedreven.
10πλὴν ληψόμεθα δέκα ἄνδρας τοῖς ἑκατὸν εἰς πάσας φυλὰς Ἰσραὴλ καὶ ἑκατὸν τοῖς χιλίοις καὶ χιλίους τοῖς μυρίοις, λαβεῖν ἐπισιτισμὸν τοῦ ποιῆσαι ἐλθεῖν αὐτοὺς εἰς Γαβαὰ Βενιαμίν, ποιῆσαι αὐτῇ κατὰ πᾶν τὸ ἀπόπτωμα, ὃ ἐποίησεν ἐν Ἰσραήλ.
11Zo rukten alle Israëlieten als één man tezamen tegen de stad op.
11καὶ συνήχθη πᾶς ἀνὴρ Ἰσραὴλ εἰς τὴν πόλιν ὡς ἀνὴρ εἷς.
12En de stammen van Israël zonden mannen door heel de stam van Benjamin, en lieten zeggen: Wat is dat voor een schanddaad, die onder u is bedreven?
12Καὶ ἀπέστειλαν αἱ φυλαὶ Ἰσραὴλ ἄνδρας ἐν πάσῃ φυλῇ Βενιαμὶν λέγοντες· τίς ἡ πονηρία αὕτη ἡ γενομένη ἐν ὑμῖν;
13Lever ons de mannen van Giba uit, die Belialskinderen; dan brengen wij ze ter dood, en roeien zo het kwaad in Israël uit. Maar de Benjamieten wilden naar de Israëlieten, hun broeders, niet luisteren;
13καὶ νῦν δότε τοὺς ἄνδρας υἱοὺς παρανόμων τοὺς ἐν Γαβαά, καὶ θανατώσομεν αὐτοὺς καὶ ἐκκαθαριοῦμεν πονηρίαν ἀπὸ Ἰσραήλ. καὶ οὐκ εὐδόκησαν οἱ υἱοὶ Βενιαμὶν ἀκοῦσαι τῆς φωνῆς τῶν ἀδελφῶν αὐτῶν υἱῶν Ἰσραήλ.
14de Benjamieten rukten uit hun steden tezamen naar Giba op, om tegen de Israëlieten te velde te trekken.
14καὶ συνήχθησαν οἱ υἱοὶ Βενιαμὶν ἀπὸ τῶν πόλεων αὐτῶν εἰς Γαβαὰ ἐξελθεῖν εἰς παράταξιν πρὸς υἱοὺς Ἰσραήλ.
15Toen de Benjamieten werden gemonsterd, telden ze op die dag uit de steden zes en twintig duizend man, die het zwaard hanteerden, zonder de inwoners van Giba mede te rekenen.
15καὶ ἐπεσκέπησαν οἱ υἱοὶ Βενιαμὶν ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ ἀπὸ τῶν πόλεων εἴκοσι τρεῖς χιλιάδες, ἀνὴρ ἕλκων ρομφαίαν, ἐκτὸς τῶν οἰκούντων τὴν Γαβαά, οἳ ἐπεσκέπησαν ἑπτακόσιοι ἄνδρες
16Onder al dat volk had men zeven honderd uitgelezen mannen, die, ofschoon ze allen links waren, een steen konden slingeren, zonder ook maar een haarbreedte te missen.
16ἐκλεκτοὶ ἐκ παντὸς λαοῦ ἀμφοτεροδέξιοι· πάντες οὗτοι σφενδονῆται ἐν λίθοις πρὸς τρίχα, καὶ οὐκ ἐξαμαρτάνοντες.
17Ook de Israëlieten werden gemonsterd, en telden, Benjamin niet meegerekend, vierhonderd duizend man, die het zwaard hanteerden, allemaal krijgslieden.
17καὶ ἀνὴρ Ἰσραὴλ ἐπεσκέπησαν ἐκτὸς τοῦ Βενιαμίν, τετρακόσιαι χιλιάδες ἀνδρῶν ἑλκόντων ρομφαίαν· πάντες οὗτοι ἄνδρες παρατάξεως.
18Nu gingen de Israëlieten naar Betel op, om God te raadplegen. Ze vroegen: Wie van ons zal de strijd met de Benjamieten beginnen? Jahweh antwoordde: Juda zal beginnen.
18καὶ ἀνέστησαν καὶ ἀνέβησαν εἰς Βαιθὴλ καὶ ἠρώτησαν ἐν τῷ Θεῷ καὶ εἶπαν οἱ υἱοὶ Ἰσραήλ· τίς ἀναβήσεται ἡμῖν ἐν ἀρχῇ εἰς παράταξιν πρὸς υἱοὺς Βενιαμίν; καὶ εἶπε Κύριος· Ἰούδας ἐν ἀρχῇ ἀναβήσεται ἀφηγούμενος.
19Daarop trokken de Israëlieten ‘s morgens vroeg op, en legerden zich tegenover Giba.
19καὶ ἀνέστησαν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ τὸ πρωΐ καὶ παρενέβαλον ἐπὶ Γαβαά.
20Maar toen de Israëlieten waren uitgerukt, om met de Benjamieten te vechten, en zich tegen hen in slagorde hadden geschaard voor de strijd tegen Giba,
20καὶ ἐξῆλθον πᾶς ἀνὴρ Ἰσραὴλ εἰς παράταξιν πρὸς Βενιαμὶν καὶ συνῆψαν αὐτοῖς ἐπὶ Γαβαά.
21deden de Benjamieten een uitval uit Giba, en sloegen die dag twee en twintig duizend man van Israël neer.
21καὶ ἐξῆλθον οἱ υἱοὶ Βενιαμὶν ἀπὸ τῆς Γαβαὰ καὶ διέφθειραν ἐν Ἰσραὴλ ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ δύο καὶ εἴκοσι χιλιάδας ἀνδρῶν ἐπὶ τὴν γῆν.
22De Israëlieten lieten de moed dus niet zinken, maar schaarden zich opnieuw in slagorde, op dezelfde plaats, waar ze zich de eerste dag hadden opgesteld.
22καὶ ἐνίσχυσαν ἀνὴρ Ἰσραὴλ καὶ προσέθηκαν συνάψαι παράταξιν ἐν τῷ τόπῳ, ὅπου συνῆψαν ἐν τῇ ἡμέρᾳ τῇ πρώτῃ.
23Nu trokken de Israëlieten naar Betel op; ze bleven tot de avond voor Jahweh wenen en vroegen Hem: Moet ik opnieuw de strijd aanbinden met mijn broeder Benjamin? En Jahweh antwoordde: Trekt tegen hem op.
23καὶ ἀνέβησαν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ καὶ ἔκλαυσαν ἐνώπιον Κυρίου ἕως ἑσπέρας καὶ ἠρώτησαν ἐν Κυρίῳ λέγοντες· εἰ προσθῶμεν ἐγγίσαι εἰς παράταξιν πρὸς υἱοὺς Βενιαμὶν ἀδελφοὺς ἡμῶν; καὶ εἶπε Κύριος· ἀνάβητε πρὸς αὐτούς.
24Doch toen de Israëlieten de tweede dag tegen de Benjamieten optrokken,
24καὶ προσῆλθον οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ πρὸς υἱοὺς Βενιαμὶν ἐν τῇ ἡμέρᾳ τῇ δευτέρᾳ.
25rukten dezen hun die tweede dag van Giba uit tegemoet, en sloegen er van de Israëlieten nog achttien duizend neer, allemaal zwaardvechters.
25καὶ ἐξῆλθον οἱ υἱοὶ Βενιαμὶν εἰς συνάντησιν αὐτοῖς ἀπὸ τῆς Γαβαὰ ἐν τῇ ἡμέρᾳ τῇ δευτέρᾳ καὶ διέφθειραν ἀπὸ υἱῶν Ἰσραὴλ ἔτι ὀκτωκαίδεκα χιλιάδας ἀνδρῶν ἐπί τὴν γῆν· πάντες οὗτοι ἕλκοντες ρομφαίαν.
26Nu begaven alle Israëlieten, het hele volk, zich naar Betel, en daar aangekomen, zaten ze wenend voor Jahweh, vastten die dag tot de avond, en brachten Jahweh brand- en vredeoffers.
26καὶ ἀνέβησαν πάντες οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ καὶ πᾶς ὁ λαὸς καὶ ἦλθον εἰς Βαιθὴλ καὶ ἔκλαυσαν, καὶ ἐκάθισαν ἐκεῖ ἐνώπιον Κυρίου καὶ ἐνήστευσαν ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ ἕως ἑσπέρας καὶ ἀνήνεγκαν ὁλοκαυτώσεις καὶ τελείας ἐνώπιον Κυρίου·
27Daarna raadpleegden zij Jahweh; want in die dagen verbleef daar de ark van Gods Verbond,
27ὅτι ἐκεῖ κιβωτὸς διαθήκης Κυρίου τοῦ Θεοῦ,
28en Pinechas, de zoon van Elazar, zoon van Aäron, deed er dienst. Ze vroegen: Zal ik nog langer tegen mijn broeder Benjamin vechten, of er mee ophouden? En Jahweh zeide: Trekt op; want morgen lever Ik hen in uw hand.
28καὶ Φινεὲς υἱὸς Ἐλεάζαρ υἱοῦ Ἀαρὼν παρεστηκὼς ἐνώπιον αὐτῆς ἐν ταῖς ἡμέραις ἐκείναις. καὶ ἐπηρώτησαν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ ἐν Κυρίῳ λέγοντες· εἰ προσθῶμεν ἔτι ἐξελθεῖν εἰς παράταξιν πρὸς υἱοὺς Βενιαμὶν ἀδελφοὺς ἡμῶν ἢ ἐπίσχωμεν; καὶ εἶπε Κύριος· ἀνάβητε, ὅτι αὔριον δώσω αὐτοὺς εἰς χεῖρας ὑμῶν.
29Nu legde Israël rondom Giba troepen in hinderlaag.
29Καὶ ἔθηκαν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ ἔνεδρα τῇ Γαβαὰ κύκλῳ.
30En op de derde dag trokken de Israëlieten tegen de Benjamieten op, en schaarden zich evenals de vorige keren in slagorde tegen Giba.
30καὶ ἀνέβησαν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ πρὸς υἱοὺς Βενιαμὶν ἐν τῇ ἡμέρᾳ τῇ τρίτῃ καὶ συνῆψαν πρὸς τὴν Γαβαὰ ὡς ἅπαξ καὶ ἅπαξ.
31Ook de Benjamieten rukten uit tegen het volk, maar werden afgesneden van de stad. Evenals de vorige keren begonnen ze slachtoffers onder het volk te maken op de wegen, waarvan de ene omhoog naar Betel, de andere door het veld naar Giba voert: ongeveer dertig man van Israël.
31καὶ ἐξῆλθον οἱ υἱοὶ Βενιαμὶν εἰς συνάντησιν τοῦ λαοῦ καὶ ἐξεκενώθησαν ἐκ τῆς πόλεως καὶ ἤρξαντο πατάσσειν ἀπὸ τοῦ λαοῦ τραυματίας ὡς ἅπαξ καὶ ἅπαξ ἐν ταῖς ὁδοῖς, ἥ ἐστι μία ἀναβαίνουσα εἰς Βαιθὴλ καὶ μία εἰς Γαβαὰ ἐν ἀγρῷ, ὡς τριάκοντα ἄνδρας ἐν Ἰσραήλ.
32En reeds dachten de Benjamieten: Ze worden door ons verslagen evenals vroeger! Maar de Israëlieten hadden afgesproken: We zullen vluchten, en ze van de stad aftrekken, de wegen op.
32καὶ εἶπαν οἱ υἱοὶ Βενιαμίν· πίπτουσιν ἐνώπιον ἡμῶν ὡς τὸ πρῶτον. καὶ οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ εἶπαν· φύγωμεν καὶ ἐκκενώσωμεν αὐτοὺς ἀπὸ τῆς πόλεως εἰς τὰς ὁδούς· καὶ ἐποίησαν οὕτω.
33Heel Israël had dus zijn stelling verlaten, en hield eerst stand bij Báal-Tamar. Intussen waren de Israëlieten, die zich in hinderlaag hadden gelegd, uit hun schuilplaats ten westen van Giba opgetrokken,
33καὶ πᾶς ἀνὴρ ἀνέστη ἐκ τοῦ τόπου αὐτῶν καὶ συνῆψαν ἐν Βααλθαμάρ, καὶ τό ἔνεδρον Ἰσραὴλ ἐπήρχετο ἐκ τοῦ τόπου αὐτοῦ ἀπὸ Μαοραγαβέ.
34en tot voor Giba genaderd: het waren tien duizend dappere mannen, de besten uit heel Israël. Het werd een heftige strijd, en de Benjamieten vermoedden niet, dat hun gevaar dreigde.
34καὶ ἦλθον ἐξ ἐναντίας Γαβαὰ δέκα χιλιάδες ἀνδρῶν ἐκλεκτῶν ἐκ παντὸς Ἰσραὴλ καὶ παράταξις βαρεῖα· καὶ αὐτοὶ οὐ ἔγνωσαν, ὅτι φθάνει ἐπ᾿ αὐτοὺς ἡ κακία.
35Maar Jahweh deed Benjamin voor Israël vluchten, en de Israëlieten versloegen die dag vijf en twintig duizend Benjamieten, allemaal zwaardvechters.
35καὶ ἐπάταξε Κύριος τὸν Βενιαμὶν ἐνώπιον υἱῶν Ἰσραήλ, καὶ διέφθειραν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ ἐκ τοῦ Βενιαμὶν ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ εἴκοσι καὶ πέντε χιλιάδας καὶ ἑκατὸν ἄνδρας· πάντες οὗτοι εἷλκον ρομφαίαν.
36En de Benjamieten zagen, dat ze de nederlaag hadden geleden, en dat de Israëlieten hun stelling voor de Benjamieten enkel hadden ontruimd, omdat ze vertrouwden op de troep, die zich bij Giba in hinderlaag had gelegd.
36καὶ εἶδον οἱ υἱοὶ Βενιαμὶν ὅτι ἐπλήγησαν· καὶ ἔδωκεν ἀνὴρ Ἰσραὴλ τῷ Βενιαμὶν τόπον, ὅτι ἤλπισαν πρὸς τό ἔνεδρον, ὃ ἔθηκαν ἐπὶ τῇ Γαβαά.
37Deze troep haastte zich dan ook een aanval op Giba te doen; ze trok er heen, en moordde de hele stad uit.
37καὶ ἐν τῷ αὐτοὺς ὑποχωρῆσαι καὶ τὸ ἔνεδρον ἐκινήθη καί ἐξέτειναν ἐπὶ τὴν Γαβαά, καὶ ἐξεχύθη τὸ ἔνεδρον καὶ ἐπάταξαν τὴν πόλιν ἐν στόματι ρομφαίας.
38Nu had de troep, die in hinderlaag lag, met de Israëlieten een afspraak gemaakt, dat zij uit de stad een rookkolom zou doen opstijgen.
38καὶ σημεῖον ἦν τοῖς υἱοῖς Ἰσραὴλ μετὰ τοῦ ἐνέδρου τῆς μάχης ἀνενέγκαι αὐτοὺς σύσσημον καπνοῦ ἀπὸ τῆς πόλεως.
39Terwijl dus de Israëlieten bij het gevecht op de loop waren gegaan, en Benjamin reeds begonnen was, een dertigtal slachtoffers onder de Israëlieten te maken, en dacht, dat ze alweer door hen geslagen werden,
39καὶ εἶδον οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ ὅτι προκατελάβετο τὸ ἔνεδρον τὴν Γαβαά, καὶ ἔστησαν ἐν τῇ παρατάξει, καὶ Βενιαμὶν ἤρξατο πατάσσειν τραυματίας ἐν ἀνδράσιν Ἰσραὴλ ὡς τριάκοντα ἄνδρας, ὅτι εἶπαν· πάλιν πτώσει πίπτουσιν ἐνώπιον ἡμῶν ὡς ἡ παράταξις ἡ πρώτη.
40begon de rookkolom uit de stad op te stijgen. De Benjamieten zagen om, en zie: daar ging heel de stad in vlammen op!
40καὶ τὸ σύσσημον ἀνέβη ἐπὶ πλεῖον ἐπὶ τῆς πόλεως ὡς στῦλος καπνοῦ· καὶ ἐπέβλεψε Βενιαμὶν ὀπίσω αὐτοῦ, καὶ ἰδοὺ ἀνέβη συντέλεια τῆς πόλεως ἕως οὐρανοῦ.
41En toen de Israëlieten nu rechtsomkeert maakten, werden de Benjamieten van schrik geslagen; want ze zagen, dat het onheil hen getroffen had.
41καὶ ἀνὴρ Ἰσραὴλ ἐπέστρεψε, καὶ ἔσπευσαν ἄνδρες Βενιαμίν, ὅτι εἶδον ὅτι συνήντησεν ἐπ᾿ αὐτούς ἡ πονηρία.
42Ze vluchtten voor de Israëlieten in de richting van de woestijn; maar ze werden achtervolgd, en die uit de stad kwamen, sloten ze in en sloegen ze neer.
42καὶ ἐπέβλεψαν ἐνώπιον υἱῶν Ἰσραὴλ εἰς τὴν ὁδὸν τῆς ἐρήμου καὶ ἔφυγον, καὶ ἡ παράταξις ἔφθασεν ἐπ᾿ αὐτούς, καὶ οἱ ἀπὸ τῶν πόλεων διέφθειρον αὐτοὺς ἐν μέσῳ αὐτῶν.
43Zo verpletterden ze Benjamin, en zetten ze achterna tot aan de oostzijde van Giba.
43καὶ κατέκοπτον τὸν Βενιαμὶν καὶ ἐδίωξαν αὐτὸν ἀπὸ Νουὰ κατὰ πόδα αὐτοῦ ἕως ἀπέναντι Γαβαὰ πρὸς ἀνατολὰς ἡλίου.
44En er vielen van Benjamin achttien duizend man, allemaal dappere mannen.
44καὶ ἔπεσον ἀπὸ Βενιαμὶν ὀκτωκαίδεκα χιλιάδες ἀνδρῶν· οἱ πάντες οὗτοι ἄνδρες δυνάμεως.
45Terwijl ze nu wegvluchtten in de richting der woestijn, naar de rots Rimmon, werden er op de wegen nog vijf duizend man gedood; maar men bleef ze achtervolgen, tot ze geheel in de pan waren gehakt; en zo sloegen ze er nog twee duizend neer.
45καὶ ἐπέβλεψαν οἱ λοιποὶ καὶ ἔφευγον εἰς τὴν ἔρημον πρὸς τὴν πέτραν τοῦ Ρεμμών, καὶ ἐκαλαμήσαντο ἐξ αὐτῶν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ πεντακισχιλίους ἄνδρας· καὶ κατέβησαν ὀπίσω αὐτῶν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ ἕως Γεδᾶν καὶ ἐπάταξαν ἐξ αὐτῶν δισχιλίους ἄνδρας.
46In het geheel waren er dus die dag vijf en twintig duizend Benjamieten, die het zwaard hanteerden, gevallen, allemaal dappere mannen;
46καὶ ἐγένοντο πάντες οἱ πεπτωκότες ἀπὸ Βενιαμὶν εἰκοσιπέντε χιλιάδες ἀνδρῶν ἑλκόντων ρομφαίαν ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ· οἱ πάντες οὗτοι ἄνδρες δυνάμεως.
47slechts zes honderd mannen vluchtten weg naar de woestijn, naar de rots Rimmon, waar ze vier maanden bleven.
47καὶ ἐπέβλεψαν οἱ λοιποὶ καὶ ἔφυγον εἰς τὴν ἔρημον πρὸς τὴν πέτραν τοῦ Ρεμμών, ἑξακόσιοι ἄνδρες, καὶ ἐκάθισαν ἐν πέτρᾳ Ρεμμὼν τέσσαρας μῆνας.
48En toen de Israëlieten naar de Benjamieten waren teruggekeerd, joegen ze al wat ze aantroffen, mens en dier over de kling; en de steden, waar ze langs kwamen, staken ze in brand.
48καὶ οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ ἐπέστρεψαν πρὸς υἱοὺς Βενιαμὶν καὶ ἐπάταξαν αὐτοὺς ἐν στόματι ρομφαίας ἀπὸ πόλεως Μεθλὰ καὶ ἕως κτήνους καὶ ἕως παντὸς τοῦ εὑρισκομένου εἰς πάσας τὰς πόλεις· καὶ τὰς πόλεις τὰς εὑρεθείσας ἐνέπρησαν ἐν πυρί.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.