Rechters
Chapter 9
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Nu begaf Abimélek, de zoon van Jeroebbáal, zich naar Sikem, naar de verwanten van zijn moeder, en sprak tot hen en tot heel het geslacht van zijn familie van moederskant:
1ΚΑΙ ἐπορεύθη Ἀβιμέλεχ υἱὸς Ἱεροβάαλ εἰς Συχὲμ πρὸς ἀδελφοὺς μητρὸς αὐτοῦ καὶ ἐλάλησε πρὸς αὐτοὺς καὶ πρὸς πᾶσαν συγγένειαν οἴκου πατρὸς μητρὸς αὐτοῦ λέγων·
2Dit moet ge al de burgers van Sikem eens duidelijk zeggen: “Wat is beter voor u, dat al de zeventig zonen van Jeroebbáal over u heersen, of dat één man u regeert? En denkt daarbij, dat ik van uw gebeente en vlees ben.”
2λαλήσατε δὴ ἐν τοῖς ὠσὶ πάντων τῶν ἀνδρῶν Συχέμ· τί τὸ ἀγαθὸν ὑμῖν, κυριεῦσαι ὑμῶν ἑβδομήκοντα ἄνδρας, πάντας υἱοὺς Ἱεροβάαλ, ἢ κυριεύειν ὑμῶν ἄνδρα ἕνα; καὶ μνήσθητε ὅτι ὀστοῦν ὑμῶν καὶ σὰρξ ὑμῶν εἰμι.
3In die geest spraken dus zijn verwanten van moederskant openlijk tot de burgers van Sikem, die wat voor Abimélek begonnen te voelen. Want ze dachten: Hij is onze broeder.
3καὶ ἐλάλησαν περὶ αὐτοῦ οἱ ἀδελφοὶ τῆς μητρὸς αὐτοῦ ἐν τοῖς ὠσὶ πάντων τῶν ἀνδρῶν Συχὲμ πάντας τοὺς λόγους τούτους, καὶ ἔκλινεν ἡ καρδία αὐτῶν ὀπίσω Ἀβιμέλεχ, ὅτι εἶπαν· ἀδελφὸς ἡμῶν ἐστι.
4Ze gaven hem uit de tempel van Báal-Berit zeventig zilveren sikkels, waarvoor Abimélek enige leeglopers en vlegels huurde, die hem volgden.
4καὶ ἔδωκαν αὐτῷ ἑβδομήκοντα ἀργυρίου ἐξ οἴκου Βααλβερίθ, καὶ ἐμισθώσατο ἑαυτῷ Ἀβιμέλεχ ἄνδρας κενοὺς καὶ δειλούς, καὶ ἐπορεύθησαν ὀπίσω αὐτοῦ.
5Toen trok hij op naar het huis van zijn vader te Ofra, en vermoordde op één steen al zijn zeventig broers, Jeroebbáals zonen. Jotam alleen, de jongste zoon van Jeroebbáal, bleef over, daar hij zich verborgen had.
5καὶ εἰσῆλθεν εἰς τὸν οἶκον τοῦ πατρὸς αὐτοῦ εἰς Ἐφραθὰ καὶ ἀπέκτεινε τοὺς ἀδελφοὺς αὐτοῦ υἱοὺς Ἱεροβάαλ ἑβδομήκοντα ἄνδρας ἐπὶ λίθον ἕνα· καὶ κατελείφθη Ἰωάθαμ υἱὸς Ἱεροβάαλ ὁ νεώτερος, ὅτι ἐκρύβη.
6Nu kwamen alle burgers van Sikem en heel Bet-Millo bijeen, en riepen Abimélek tot koning uit bij de eik van de gedenksteen, die te Sikem was.
6καὶ συνήχθησαν πάντες ἄνδρες Σικίμων καὶ πᾶς οἶκος Βηθμααλὼν καὶ ἐπορεύθησαν καὶ ἐβασίλευσαν τὸν Ἀβιμέλεχ πρὸς τῇ βαλάνῳ τῇ εὑρετῇ τῆς στάσεως τῆς ἐν Σικίμοις.
7Toen men dit aan Jotam had bericht, ging hij op de top van de berg Gerizzim staan, en riep met luider stem: Luistert naar mij, burgers van Sikem, opdat God luistere naar u!
7Καὶ ἀνηγγέλη τῷ Ἰωάθαμ, καὶ ἐπορεύθη καὶ ἔστη ἐπὶ κορυφὴν ὄρους Γαριζὶν καὶ ἐπῇρε τὴν φωνὴν αὐτοῦ καὶ ἔκλαυσε καὶ εἶπεν αὐτοῖς· ἀκούσατέ μου, ἄνδρες Σικίμων, καὶ ἀκούσεται ὑμῶν ὁ Θεός.
8Eens gingen de bomen op weg, om zich een koning te zalven. En ze zeiden tot de olijf: Wees koning over ons!
8πορευόμενα ἐπορεύθη τὰ ξύλα τοῦ χρῖσαι ἐφ᾿ ἑαυτὰ βασιλέα καὶ εἶπον τῇ ἐλαίᾳ· βασίλευσον ἐφ᾿ ἡμῶν.
9Maar de olijf antwoordde: Zou ik ophouden, mijn olie te geven, die God en mens in mij waarderen, en boven de bomen gaan zweven?
9καὶ εἶπεν αὐτοῖς ἡ ἐλαία· μὴ ἀπολείψασα τὴν ποιότητά μου, ἐν ᾗ δοξάσουσι τὸν Θεὸν ἄνδρες, πορεύσομαι κινεῖσθαι ἐπὶ τῶν ξύλων;
10Toen zeiden de bomen tot de vijg: Kom, wees gij dan koning over ons!
10καὶ εἶπαν τὰ ξύλα τῇ συκῇ· δεῦρο βασίλευσον ἐφ᾿ ἡμῶν.
11Maar de vijgeboom antwoordde: Zou ik dan ophouden, mijn zoetigheden en heerlijke vrucht te geven, en boven de bomen gaan zweven?
11καὶ εἶπεν αὐτοῖς ἡ συκῆ· μὴ ἀπολείψασα ἐγὼ τὴν γλυκύτητά μου καὶ τὰ γενήματά μου τὰ ἀγαθά, πορεύσομαι κινεῖσθαι ἐπὶ τῶν ξύλων;
12Daarop zeiden de bomen tot de wijnstok: Kom, wees gij koning over ons!
12καὶ εἶπαν τὰ ξύλα πρὸς τὴν ἄμπελον· δεῦρο βασίλευσον ἐφ᾿ ἡμῶν.
13Maar de wijnstok antwoordde: Zou ik dan ophouden, mijn most te geven, die God en mensen verblijdt, en boven de bomen gaan zweven?
13καὶ εἶπεν αὐτοῖς ἡ ἄμπελος· μὴ ἀπολείψασα τὸν οἶνόν μου τὸν εὐφραίνοντα Θεὸν καὶ ἀνθρώπους, πορεύσομαι κινεῖσθαι ἐπὶ τῶν ξύλων;
14Nu zeiden alle bomen tot de doornstruik: Welnu dan, wees gij koning over ons!
14καὶ εἶπαν πάντα τὰ ξύλα τῇ ράμνῳ· δεῦρο σὺ βασίλευσον ἐφ᾿ ἡμῶν.
15En de doornstruik gaf aan de bomen ten antwoord: Zo ge mij werkelijk over u tot koning wilt zalven, dan moogt ge onder mijn schaduw vluchten; zo niet, dan zal er een vuur van de doornstruik uitgaan, om de ceders van de Libanon te verteren.
15καὶ εἶπεν ἡ ράμνος πρὸς τὰ ξύλα· εἰ ἐν ἀληθείᾳ χρίετέ με ὑμεῖς τοῦ βασιλεύειν ἐφ᾿ ὑμᾶς, δεῦτε ὑπόστητε ἐν τῇ σκιᾷ μου· καὶ εἰ μή, ἐξέλθοι πῦρ ἀπ᾿ ἐμοῦ καὶ καταφάγοι τὰς κέδρους τοῦ Λιβάνου.
16Nu dan: hebt ge soms eerlijk en billijk gehandeld, door Abimélek tot koning te verheffen; hebt ge goed gehandeld ten opzichte van Jeroebbáal en zijn huis; hebt ge hem vergolden naar zijn werken?
16καὶ νῦν εἰ ἐν ἀληθείᾳ καὶ τελειότητι ἐποιήσατε καὶ ἐβασιλεύσατε τὸν Ἀβιμέλεχ, καὶ εἰ ἀγαθωσύνην ἐποιήσατε μετὰ Ἱεροβάαλ, καὶ μετὰ τοῦ οἴκου αὐτοῦ, καὶ εἰ ὡς ἀνταπόδοσις χειρὸς αὐτοῦ ἐποιήσατε αὐτῷ,
17Mijn vader heeft voor u gestreden, zijn leven voor u veil gehad, en u uit de hand van Midjan verlost;
17ὡς παρετάξατο ὁ πατήρ μου ὑπὲρ ὑμῶν καὶ ἐξέρριψε τὴν ψυχὴν αὐτοῦ ἐξεναντίας καὶ ἐρρύσατο ὑμᾶς ἐκ χειρὸς Μαδιάμ,
18maar gij zijt heden opgestaan tegen het huis van mijn vader, hebt zijn zeventig zonen op één steen gedood, en Abimélek, den zoon zijner slavin, tot koning over de burgers van Sikem aangesteld, enkel omdat hij uw broeder is!
18καὶ ὑμεῖς ἐπανέστητε ἐπὶ τὸν οἶκον τοῦ πατρός μου σήμερον καὶ ἀπεκτείνατε τοὺς υἱοὺς αὐτοῦ ἑβδομήκοντα ἄνδρας ἐπὶ λίθον ἕνα, καὶ ἐβασιλεύσατε τὸν Ἀβιμέλεχ υἱὸν παιδίσκης αὐτοῦ ἐπὶ τοὺς ἄνδρας Σικίμων, ὅτι ἀδελφὸς ὑμῶν ἐστι,
19Zo ge heden eerlijk en billijk gehandeld hebt met Jeroebbáal en zijn huis, dan moogt ge u in Abimélek verheugen, en hij mag zich verheugen in u.
19καὶ εἰ ἐν ἀληθείᾳ καὶ τελειότητι ἐποιήσατε μετὰ Ἱεροβάαλ καὶ μετὰ τοῦ οἴκου αὐτοῦ ἐν τῇ ἡμέρᾳ ταύτῃ, εὐφρανθείη τε ἐν Ἀβιμέλεχ, καὶ εὐφρανθείη καί γε αὐτὸς ἐφ᾿ ὑμῖν.
20Zo niet, dan moge er een vuur van Abimélek uitgaan, om Sikems burgers en Bet-Millo te verteren, en een vuur van Sikems burgers en Bet-Millo uitgaan, om Abimélek te verslinden.
20εἰ δὲ οὔ, ἐξέλθοι πῦρ ἀπὸ Ἀβιμέλεχ καὶ καταφάγοι τοὺς ἄνδρας Σικίμων καὶ τὸν οἶκον Βηθμααλὼν καὶ ἐξέλθοι πῦρ ἀπὸ ἀνδρῶν Σικίμων καὶ ἐκ τοῦ οἴκου Βηθμααλὼν καὶ καταφάγοι τὸν Ἀβιμέλεχ.
21Daarop maakte Jotam zich uit de voeten, en vluchtte weg naar Beër, waar hij buiten het bereik van zijn broer Abimélek bleef wonen.
21καὶ ἔφυγεν Ἰωάθαμ καὶ ἀπέδρα καὶ ἐπορεύθη ἕως Βαιὴρ καὶ ᾤκησεν ἐκεῖ ἀπὸ προσώπου Ἀβιμέλεχ ἀδελφοῦ αὐτοῦ.
22Nadat Abimélek drie jaar zijn macht over Israël had uitgeoefend,
22Καὶ ἦρξεν Ἀβιμέλεχ ἐπὶ Ἰσραὴλ τρία ἔτη.
23zond God een geest van tweedracht tussen Abimélek en de burgers van Sikem, en de burgers van Sikem werden Abimélek ontrouw,
23καὶ ἐξαπέστειλεν ὁ Θεὸς πνεῦμα πονηρὸν ἀνὰ μέσον Ἀβιμέλεχ καὶ ἀνὰ μέσον τῶν ἀνδρῶν Σικίμων, καὶ ἠθέτησαν ἄνδρες Σικίμων ἐν τῷ οἴκῳ Ἀβιμέλεχ,
24opdat de gewelddaad tegen de zeventig zonen van Jeroebbáal en hun bloed zou neerkomen op Abimélek, hun broer, die hen vermoord had, en op de burgers van Sikem, die hem hadden geholpen, zijn broers te vermoorden.
24τοῦ ἐπαγαγεῖν τὴν ἀδικίαν τῶν ἑβδομήκοντα υἱῶν Ἱεροβάαλ καὶ τὰ αἵματα αὐτῶν τοῦ θεῖναι ἐπὶ Ἀβιμέλεχ τὸν ἀδελφὸν αὐτῶν, ὃς ἀπέκτεινεν αὐτούς, καὶ ἐπὶ ἄνδρας Σικίμων, ὅτι ἐνίσχυσαν τὰς χεῖρας αὐτοῦ ἀποκτεῖναι τοὺς ἀδελφοὺς αὐτοῦ.
25De burgers van Sikem legden hem hinderlagen op de toppen der bergen, en beroofden een ieder, die op weg hen voorbijging. Dit werd Abimélek meegedeeld.
25καὶ ἔθηκαν αὐτῷ οἱ ἄνδρες Σικίμων ἐνεδρεύοντας ἐπὶ τὰς κεφαλὰς τῶν ὀρέων καὶ διήρπαζον πάντα, ὃς παρεπορεύετο ἐπ᾿ αὐτοὺς ἐν τῇ ὁδῷ· καὶ ἀπηγγέλη τῷ βασιλεῖ Ἀβιμέλεχ.
26Toen dan ook Gáal, de zoon van Ébed, met zijn broers naar Sikem was overgelopen, stelden de burgers van Sikem hun vertrouwen op hem.
26καὶ ἦλθε Γαὰλ υἱὸς Ἰωβὴλ καὶ οἱ ἀδελφοὶ αὐτοῦ καὶ παρῆλθον ἐν Σικίμοις, καὶ ἤλπισαν ἐν αὐτῷ οἱ ἄνδρες Σικίμων.
27Eens gingen ze naar buiten het veld in, om de druiven te oogsten en te persen, en feest te vieren; daarna gingen ze de tempel van hun god binnen, aten en dronken, en vervloekten Abimélek.
27καὶ ἐξῆλθον εἰς ἀγρὸν καὶ ἐτρύγησαν τοὺς ἀμπελῶνας αὐτῶν καὶ ἐπάτησαν καὶ ἐποίησαν Ἐλλουλὶμ καὶ εἰσήνεγκαν εἰς οἶκον Θεοῦ αὐτῶν καὶ ἔφαγον καὶ ἔπιον καὶ κατηράσαντο τὸν Ἀβιμέλεχ.
28En Gáal, de zoon van Ébed, sprak: Wie is Abimélek, en wat is Sikem daarentegen, dat wij hem zouden dienen? Heeft de zoon van Jeroebbáal met zijn bevelhebber Zeboel zelf niet de mannen van Hemor, Sikems vader, gediend? Wat zouden wij hem dan dienstbaar zijn?
28καὶ εἶπε Γαὰλ υἱὸς Ἰωβήλ· τίς ἐστιν Ἀβιμέλεχ καὶ τίς ἐστιν υἱὸς Συχέμ, ὅτι δουλεύσομεν αὐτῷ; οὐχ υἱὸς Ἱεροβάαλ, καὶ Ζεβοὺλ ἐπίσκοπος αὐτοῦ δοῦλος αὐτοῦ σὺν τοῖς ἀνδράσιν Ἐμμὼρ πατρὸς Συχέμ; καὶ τί ὅτι δουλεύσομεν αὐτῷ ἡμεῖς;
29Gaf men mij maar eens de macht over dit volk, dan zou ik Abimélek wel doen verdwijnen. Ik zou Abimélek zeggen: Breng een groot leger op de been, en kom maar eens op.
29καὶ τίς δῴη τὸν λαὸν τοῦτον ἐν χειρί μου; καὶ μεταστήσω τὸν Ἀβιμέλεχ καὶ ἐρῶ πρὸς αὐτόν· πλήθυνον τὴν δύναμίν σου καὶ ἔξελθε.
30Toen Zeboel, de bevelhebber der stad, vernam, wat Gáal, de zoon van Ébed, gezegd had, ontstak hij in woede.
30καὶ ἤκουσε Ζεβοὺλ ἄρχων τῆς πόλεως τοὺς λόγους Γαὰλ υἱοῦ Ἰωβὴλ καὶ ὠργίσθη θυμῷ αὐτός.
31Hij zond boden naar Abimélek in Aroema met de boodschap: Gáal, de zoon van Ébed, en zijn broers zijn naar Sikem overgelopen, en hitsen de stad tegen u op.
31καὶ ἀπέστειλεν ἀγγέλους πρὸς Ἀβιμέλεχ ἐν κρυφῇ λέγων· ἰδοὺ Γαὰλ υἱὸς Ἰωβὴλ καὶ οἱ ἀδελφοὶ αὐτοῦ ἔρχονται εἰς Συχέμ, καὶ ἰδοὺ αὐτοὶ περικάθηνται τὴν πόλιν ἐπὶ σέ·
32Breek dus vannacht nog op met de mannen, die bij u zijn, en leg u in hinderlaag in het veld;
32καὶ νῦν ἀνάστηθι νυκτός, σὺ καὶ ὁ λαὸς ὁ μετὰ σοῦ, καὶ ἐνέδρευσον ἐν τῷ ἀγρῷ,
33dan kunt ge morgenvroeg bij zonsopgang een aanval doen op de stad. En wanneer hij dan met zijn volk tegen u uittrekt, kunt ge met hem naar omstandigheden handelen.
33καὶ ἔσται τὸ πρωΐ ἅμα τῷ ἀνατεῖλαι τὸν ἥλιον, ὀρθριεῖς καὶ ἐκτενεῖς ἐπὶ τὴν πόλιν, καὶ ἰδοὺ αὐτὸς καὶ ὁ λαὸς ὁ μετ᾿ αὐτοῦ ἐκπορεύονται πρὸς σέ, καὶ ποιήσεις αὐτῷ ὅσα ἂν εὕρῃ ἡ χείρ σου.
34Abimélek brak dus op in de nacht met al het volk, dat hem volgde, en ze legden zich in vier groepen in hinderlaag tegenover Sikem.
34καὶ ἀνέστη Ἀβιμέλεχ καὶ πᾶς ὁ λαὸς μετ᾿ αὐτοῦ νυκτὸς καὶ ἐνήδρευσαν ἐπὶ Συχὲμ τέτρασιν ἀρχαῖς.
35Gáal, de zoon van Ébed, was juist naar buiten gekomen, en stond bij de ingang der stadspoort, toen Abimélek en de mannen, die hem vergezelden, uit de hinderlaag te voorschijn kwamen.
35καὶ ἐξῆλθε Γαὰλ υἱὸς Ἰωβὴλ καὶ ἔστη πρὸς τῇ θύρᾳ τῆς πύλης τῆς πόλεως, καὶ ἀνέστη Ἀβιμέλεχ καὶ ὁ λαὸς ὁ μετ᾿ αὐτοῦ ἀπὸ τοῦ ἐνέδρου.
36Gáal, de zoon van Ébed, bemerkte dat volk, en zei tot Zeboel: Kijk, daar daalt volk van de bergtoppen af. Maar Zeboel zeide hem: Ge ziet de schaduw der bergen voor mannen aan.
36καὶ εἶδε Γαὰλ υἱὸς Ἰωβὴλ τὸν λαὸν καὶ εἶπε πρὸς Ζεβούλ· ἰδοὺ λαὸς καταβαίνει ἀπὸ τῶν κεφαλῶν τῶν ὀρέων. καὶ εἶπε πρὸς αὐτὸν Ζεβούλ· τὴν σκιὰν τῶν ὀρέων σὺ βλέπεις ὡς ἄνδρας.
37Maar Gáal hernam: Zie, daar komt volk van de navel van het land naar beneden, en nog een andere troep van de kant van de Wichelaarseik.
37καὶ προσέθετο ἔτι Γαὰλ τοῦ λαλῆσαι καὶ εἶπεν· ἰδοὺ λαὸς καταβαίνων κατὰ θάλασσαν ἀπὸ τοῦ ἐχόμενα ὀμφαλοῦ τῆς γῆς, καὶ ἀρχὴ ἑτέρα ἔρχεται δι᾿ ὁδοῦ Ἡλωνμαωνενίμ.
38Nu sprak Zeboel tot hem: Waar is nu uw grote mond, waarmee ge gepocht hebt: Wie is Abimélek, dat wij hem zouden dienen? Daar is nu het volk, dat gij veracht hebt. Trek nu maar op, en bestrijd het.
38καὶ εἶπε πρὸς αὐτὸν Ζεβούλ· καὶ ποῦ ἐστι τὸ στόμα σου ὡς ἐλάλησας, τίς ἐστιν Ἀβιμέλεχ, ὅτι δουλεύσομεν αὐτῷ; μὴ οὐχὶ οὗτος ὁ λαός, ὃν ἐξουδένωσας; ἔξελθε δὴ νῦν καὶ παράταξαι αὐτῷ.
39Zo trok Gáal aan de spits van Sikems burgers uit, en streed tegen Abimélek.
39καὶ ἐξῆλθε Γαὰλ ἐνώπιον ἀνδρῶν Συχὲμ καὶ παρετάξατο πρὸς Ἀβιμέλεχ.
40Maar Abimélek joeg hem op de vlucht; hij ontkwam, doch er vielen veel doden tot bij de ingang der poort.
40καὶ ἐδίωξεν αὐτὸν Ἀβιμέλεχ, καὶ ἐφυγεν ἀπὸ προσώπου αὐτοῦ· καὶ ἔπεσον τραυματίαι πολλοὶ ἕως τῆς θύρας τῆς πύλης.
41Daarop keerde Abimélek naar Aroema terug, terwijl Zeboel Gáal en zijn broers uit Sikem verdreef, zodat ze er niet konden blijven.
41καὶ εἰσῆλθεν Ἀβιμέλεχ ἐν Ἀρημά· καὶ ἐξέβαλε Ζεβοὺλ τὸν Γαὰλ καὶ τοὺς ἀδελφοὺς αὐτοῦ μὴ οἰκεῖν ἐν Συχέμ.
42De volgende morgen ging het volk het veld in, en dit werd Abimélek meegedeeld.
42καὶ ἐγένετο τῇ ἐπαύριον καὶ ἐξῆλθεν ὁ λαὸς εἰς τὸν ἀγρόν, καὶ ἀνήγγειλε τῷ Ἀβιμέλεχ.
43Deze nam zijn mannen, splitste ze in drie groepen, en legde zich in hinderlaag op het veld; en toen hij het volk uit de stad zag komen, overviel hij hen en sloeg ze neer.
43καὶ ἔλαβε τὸν λαόν, καὶ διεῖλεν αὐτοὺς εἰς τρεῖς ἀρχὰς καὶ ἐνήδρευσεν ἐν ἀγρῷ· καὶ εἶδε καὶ ἰδοὺ λαὸς ἐξῆλθεν ἐκ τῆς πόλεως, καὶ ἀνέστη ἐπ᾿ αὐτοὺς καὶ ἐπάταξεν αὐτούς.
44Abimélek zelf deed met de troep, die hem volgde, een aanval, en hield stand bij de ingang der stadspoort, terwijl de beide andere groepen zich richtten tegen allen, die in het veld waren, en ze in de pan hakten.
44καὶ Ἀβιμέλεχ καὶ οἱ ἀρχηγοὶ οἱ μετ᾿ αὐτοῦ ἐξέτειναν καὶ ἔστησαν παρὰ τὴν θύραν τῆς πύλης τῆς πόλεως, καὶ αἱ δύο ἀρχαὶ ἐξέτειναν ἐπὶ πάντας τοὺς ἐν τῷ ἀγρῷ καὶ ἐπάταξαν αὐτούς.
45Heel die dag door bleef Abimélek de stad bestormen, totdat hij de stad had veroverd. Hij doodde het volk, dat er in was, verwoestte de stad, en bestrooide haar met zout.
45καὶ Ἀβιμέλεχ παρετάσσετο ἐν τῇ πόλει ὅλην τὴν ἡμέραν ἐκείνην καὶ κατελάβετο τὴν πόλιν καὶ τὸν λαὸν τὸν ἐν αὐτῇ ἀπέκτεινε καὶ τὴν πόλιν καθεῖλε καὶ ἔσπειρεν αὐτὴν ἅλας.
46Op het bericht hiervan gingen de burgers van de Toren van Sikem naar de grote zaal van de tempel van El-Berit.
46καὶ ἤκουσαν πάντες οἱ ἄνδρες πύργων Συχὲμ καὶ ἦλθον εἰς συνέλευσιν Βαιθηλβερίθ.
47Toen men nu Abimélek meedeelde, dat al de burgers van de Toren van Sikem bijeen waren,
47καὶ ἀνηγγέλη τῷ Ἀβιμέλεχ ὅτι συνήχθησαν πάντες οἱ ἄνδρες πύργων Συχέμ.
48ging Abimélek met al zijn mannen de berg Salmon op, greep een bijl, hakte een boomtak af, tilde hem op zijn schouders, en sprak tot zijn metgezellen: Doet vlug, wat ge mij ziet doen!
48καὶ ἀνέβη Ἀβιμέλεχ εἰς ὄρος Ἑρμὼν καὶ πᾶς ὁ λαὸς ὁ μετ᾿ αὐτοῦ, καὶ ἔλαβεν Ἀβιμέλεχ τὰς ἀξίνας ἐν τῇ χειρὶ αὐτοῦ καὶ ἔκοψε κλάδον ξύλου καὶ ᾖρε καὶ ἔθηκεν ἐπὶ ὤμων αὐτοῦ καὶ εἶπε τῷ λαῷ τῷ μετ᾿ αὐτοῦ· ὃ εἴδετέ με ποιοῦντα, ταχέως ποιήσατε ὡς ἐγώ.
49Allen hakten eveneens takken af, volgden Abimélek, stapelden ze op tegen de grote zaal, en staken daarmee de zaal in brand. Zo vonden ook alle bewoners van de Toren van Sikem, ongeveer duizend mannen en vrouwen, de dood.
49καὶ ἔκοψαν καί γε ἀνὴρ κλάδον πᾶς ἀνὴρ καὶ ἐπορεύθησαν ὀπίσω Ἀβιμέλεχ καὶ ἐπέθηκαν ἐπὶ τὴν συνέλευσιν καὶ ἐνεπύρισαν ἐπ᾿ αὐτοὺς τὴν συνέλευσιν ἐν πυρί, καὶ ἀπέθανον καί γε πάντες οἱ ἄνδρες πύργου Σικίμων ὡσεὶ χίλιοι ἄνδρες καὶ γυναῖκες.
50Vervolgens trok Abimélek naar Tebes, dat hij belegerde en innam.
50Καὶ ἐπορεύθη Ἀβιμέλεχ ἐκ Βαιθηλβερὶθ καὶ παρενέβαλεν ἐν Θήβης καὶ κατέλαβεν αὐτήν.
51Daar stond in het midden der stad een versterkte toren, waarheen alle burgers der stad, zowel mannen als vrouwen, de wijk namen, er zich in opsloten, en het dak van de toren beklommen.
51καὶ πύργος ἰσχυρὸς ἦν ἐν μέσῳ τῆς πόλεως, καὶ ἔφυγον ἐκεῖ πάντες οἱ ἄνδρες καὶ αἱ γυναῖκες τῆς πόλεως καὶ ἔκλεισαν ἔξωθεν αὐτῶν καὶ ἀνέβησαν ἐπὶ τὸ δῶμα τοῦ πύργου.
52Abimélek drong door tot de toren en belegerde hem. Reeds was hij tot de toegang van de toren genaderd, om hem in brand te steken,
52καὶ ἦλθεν Ἀβιμέλεχ ἕως τοῦ πύργου, καὶ παρετάξαντο αὐτῷ· καὶ ἤγγισεν Ἀβιμέλεχ ἕως τῆς θύρας τοῦ πύργου τοῦ ἐμπρῆσαι αὐτὸν ἐν πυρί.
53toen een vrouw een molensteen op Abiméleks hoofd gooide, die hem de schedel verbrijzelde.
53καὶ ἔρριψε γυνὴ μία κλάσμα ἐπιμύλιον ἐπὶ κεφαλὴν Ἀβιμέλεχ καὶ ἔκλασε τὸ κρανίον αὐτοῦ.
54Snel riep hij zijn schildknaap, en zei hem: Trek uw zwaard en steek me dood, opdat men niet zal kunnen zeggen: een vrouw heeft hem gedood. En zijn schildknaap stak hem dood.
54καὶ ἐβόησε ταχὺ πρὸς τὸ παιδάριον τὸ αἷρον τὰ σκεύη αὐτοῦ καὶ εἶπεν αὐτῷ· σπάσον τὴν ρομφαίαν μου καὶ θανάτωσόν με, μή ποτε εἴπωσι· γυνὴ ἀπέκτεινεν αὐτόν. καὶ ἐξεκέντησεν αὐτὸν τὸ παιδάριον αὐτοῦ, καὶ ἀπέθανε.
55Toen de Israëlieten nu zagen, dat Abimélek gestorven was, gingen ze allen naar huis.
55καὶ εἶδεν ἀνὴρ Ἰσραὴλ ὅτι ἀπέθανεν Ἀβιμέλεχ, καὶ ἐπορεύθησαν ἀνὴρ εἰς τὸν τόπον αὐτοῦ.
56Zo vergold God het kwaad, dat Abimélek zijn vader had aangedaan, door zijn zeventig broeders te doden,
56καὶ ἐπέστρεψεν ὁ Θεὸς τὴν πονηρίαν Ἀβιμέλεχ, ἣν ἐποίησε τῷ πατρὶ αὐτοῦ ἀποκτεῖναι τοὺς ἑβδομήκοντα ἀδελφοὺς αὐτοῦ.
57en liet God ook al het kwaad der inwoners van Sikem op hun eigen hoofd neerkomen. Zo werd de vervloeking van Jotam, den zoon van Jeroebbáal, aan hen vervuld.
57καὶ τὴν πᾶσαν πονηρίαν ἀνδρῶν Συχὲμ ἐπέστρεψεν ὁ Θεὸς εἰς κεφαλὴν αὐτῶν, καὶ ἐπῆλθεν ἐπ᾿ αὐτοὺς ἡ κατάρα Ἰωάθαμ υἱοῦ Ἱεροβάαλ.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.