Rechters
Chapter 9
Petrus Canisius Bible, 1…
vs JPS Tanakh (Jewish…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Nu begaf Abimélek, de zoon van Jeroebbáal, zich naar Sikem, naar de verwanten van zijn moeder, en sprak tot hen en tot heel het geslacht van zijn familie van moederskant:
1And Abimelech the son of Jerubbaal went to Shechem unto his mother's brethren, and spoke with them, and with all the family of the house of his mother's father, saying:
2Dit moet ge al de burgers van Sikem eens duidelijk zeggen: “Wat is beter voor u, dat al de zeventig zonen van Jeroebbáal over u heersen, of dat één man u regeert? En denkt daarbij, dat ik van uw gebeente en vlees ben.”
2'Speak, I pray you, in the ears of all the men of Shechem: Which is better for you, that all the sons of Jerubbaal, who are threescore and ten persons, rule over you, or that one rule over you? remember also that I am your bone and your flesh.'
3In die geest spraken dus zijn verwanten van moederskant openlijk tot de burgers van Sikem, die wat voor Abimélek begonnen te voelen. Want ze dachten: Hij is onze broeder.
3And his mother's brethren spoke of him in the ears of all the men of Shechem all these words; and their hearts inclined to follow Abimelech; for they said: 'He is our brother.'
4Ze gaven hem uit de tempel van Báal-Berit zeventig zilveren sikkels, waarvoor Abimélek enige leeglopers en vlegels huurde, die hem volgden.
4And they gave him threescore and ten pieces of silver out of the house of Baal-berith, wherewith Abimelech hired vain and light fellows, who followed him.
5Toen trok hij op naar het huis van zijn vader te Ofra, en vermoordde op één steen al zijn zeventig broers, Jeroebbáals zonen. Jotam alleen, de jongste zoon van Jeroebbáal, bleef over, daar hij zich verborgen had.
5And he went unto his father's house at Ophrah, and slew his brethren the sons of Jerubbaal, being threescore and ten persons, upon one stone; but Jotham the youngest son of Jerubbaal was left; for he hid himself.
6Nu kwamen alle burgers van Sikem en heel Bet-Millo bijeen, en riepen Abimélek tot koning uit bij de eik van de gedenksteen, die te Sikem was.
6And all the men of Shechem assembled themselves together, and all Beth-millo, and went and made Abimelech king, by the terebinth of the pillar that was in Shechem.
7Toen men dit aan Jotam had bericht, ging hij op de top van de berg Gerizzim staan, en riep met luider stem: Luistert naar mij, burgers van Sikem, opdat God luistere naar u!
7And when they told it to Jotham, he went and stood in the top of mount Gerizim, and lifted up his voice, and cried, and said unto them: 'Hearken unto me, ye men of Shechem, that God may hearken unto you.
8Eens gingen de bomen op weg, om zich een koning te zalven. En ze zeiden tot de olijf: Wees koning over ons!
8The trees went forth on a time to anoint a king over them; and they said unto the olive-tree: Reign thou over us.
9Maar de olijf antwoordde: Zou ik ophouden, mijn olie te geven, die God en mens in mij waarderen, en boven de bomen gaan zweven?
9But the olive-tree said unto them: Should I leave my fatness, seeing that by me they honour God and man, and go to hold sway over the trees?
10Toen zeiden de bomen tot de vijg: Kom, wees gij dan koning over ons!
10And the trees said to the fig-tree: Come thou, and reign over us.
11Maar de vijgeboom antwoordde: Zou ik dan ophouden, mijn zoetigheden en heerlijke vrucht te geven, en boven de bomen gaan zweven?
11But the fig-tree said unto them: Should I leave my sweetness, and my good fruitage, and go to hold sway over the trees?
12Daarop zeiden de bomen tot de wijnstok: Kom, wees gij koning over ons!
12And the trees said unto the vine: Come thou, and reign over us.
13Maar de wijnstok antwoordde: Zou ik dan ophouden, mijn most te geven, die God en mensen verblijdt, en boven de bomen gaan zweven?
13And the vine said unto them: Should I leave my wine, which cheereth God and man, and go to hold sway over the trees?
14Nu zeiden alle bomen tot de doornstruik: Welnu dan, wees gij koning over ons!
14Then said all the trees unto the bramble: Come thou, and reign over us.
15En de doornstruik gaf aan de bomen ten antwoord: Zo ge mij werkelijk over u tot koning wilt zalven, dan moogt ge onder mijn schaduw vluchten; zo niet, dan zal er een vuur van de doornstruik uitgaan, om de ceders van de Libanon te verteren.
15And the bramble said unto the trees: If in truth ye anoint me king over you, then come and take refuge in my shadow; and if not, let fire come out of the bramble, and devour the cedars of Lebanon.
16Nu dan: hebt ge soms eerlijk en billijk gehandeld, door Abimélek tot koning te verheffen; hebt ge goed gehandeld ten opzichte van Jeroebbáal en zijn huis; hebt ge hem vergolden naar zijn werken?
16Now therefore, if ye have dealt truly and uprightly, in that ye have made Abimelech king, and if ye have dealt well with Jerubbaal and his house, and have done unto him according to the deserving of his hands —
17Mijn vader heeft voor u gestreden, zijn leven voor u veil gehad, en u uit de hand van Midjan verlost;
17for my father fought for you, and adventured his life, and delivered you out of the hand of Midian;
18maar gij zijt heden opgestaan tegen het huis van mijn vader, hebt zijn zeventig zonen op één steen gedood, en Abimélek, den zoon zijner slavin, tot koning over de burgers van Sikem aangesteld, enkel omdat hij uw broeder is!
18and ye are risen up against my father's house this day, and have slain his sons, threescore and ten persons, upon one stone, and have made Abimelech, the son of his maid-servant, king over the men of Shechem, because he is your brother —
19Zo ge heden eerlijk en billijk gehandeld hebt met Jeroebbáal en zijn huis, dan moogt ge u in Abimélek verheugen, en hij mag zich verheugen in u.
19if ye then have dealt truly and uprightly with Jerubbaal and with his house this day, then rejoice ye in Abimelech, and let him also rejoice in you.
20Zo niet, dan moge er een vuur van Abimélek uitgaan, om Sikems burgers en Bet-Millo te verteren, en een vuur van Sikems burgers en Bet-Millo uitgaan, om Abimélek te verslinden.
20But if not, let fire come out from Abimelech, and devour the men of Shechem, and Beth-millo; and let fire come out from the men of Shechem, and from Beth-millo, and devour Abimelech.'
21Daarop maakte Jotam zich uit de voeten, en vluchtte weg naar Beër, waar hij buiten het bereik van zijn broer Abimélek bleef wonen.
21And Jotham ran away, and fled, and went to Beer, and dwelt there, for fear of Abimelech his brother.
22Nadat Abimélek drie jaar zijn macht over Israël had uitgeoefend,
22And Abimelech was prince over Israel three years.
23zond God een geest van tweedracht tussen Abimélek en de burgers van Sikem, en de burgers van Sikem werden Abimélek ontrouw,
23And God sent an evil spirit between Abimelech and the men of Shechem; and the men of Shechem dealt treacherously with Abimelech;
24opdat de gewelddaad tegen de zeventig zonen van Jeroebbáal en hun bloed zou neerkomen op Abimélek, hun broer, die hen vermoord had, en op de burgers van Sikem, die hem hadden geholpen, zijn broers te vermoorden.
24that the violence done to the threescore and ten sons of Jerubbaal might come, and that their blood might be laid upon Abimelech their brother, who slew them, and upon the men of Shechem, who strengthened his hands to slay his brethren.
25De burgers van Sikem legden hem hinderlagen op de toppen der bergen, en beroofden een ieder, die op weg hen voorbijging. Dit werd Abimélek meegedeeld.
25And the men of Shechem set liers-in-wait for him on the tops of the mountains, and they robbed all that came along that way by them; and it was told Abimelech.
26Toen dan ook Gáal, de zoon van Ébed, met zijn broers naar Sikem was overgelopen, stelden de burgers van Sikem hun vertrouwen op hem.
26And Gaal the son of Ebed came with his brethren, and went on to Shechem; and the men of Shechem put their trust in him.
27Eens gingen ze naar buiten het veld in, om de druiven te oogsten en te persen, en feest te vieren; daarna gingen ze de tempel van hun god binnen, aten en dronken, en vervloekten Abimélek.
27And they went out into the field, and gathered their vineyards, and trod the grapes, and held festival, and went into the house of their god, and did eat and drink, and cursed Abimelech.
28En Gáal, de zoon van Ébed, sprak: Wie is Abimélek, en wat is Sikem daarentegen, dat wij hem zouden dienen? Heeft de zoon van Jeroebbáal met zijn bevelhebber Zeboel zelf niet de mannen van Hemor, Sikems vader, gediend? Wat zouden wij hem dan dienstbaar zijn?
28And Gaal the son of Ebed said: 'Who is Abimelech, and who is Shechem, that we should serve him? is not he the son of Jerubbaal? and Zebul his officer? serve ye the men of Hamor the father of Shechem; but why should we serve him?
29Gaf men mij maar eens de macht over dit volk, dan zou ik Abimélek wel doen verdwijnen. Ik zou Abimélek zeggen: Breng een groot leger op de been, en kom maar eens op.
29And would that this people were under my hand! then would I remove Abimelech.' And he said to Abimelech: 'Increase thine army, and come out.'
30Toen Zeboel, de bevelhebber der stad, vernam, wat Gáal, de zoon van Ébed, gezegd had, ontstak hij in woede.
30And when Zebul the ruler of the city heard the words of Gaal the son of Ebed, his anger was kindled.
31Hij zond boden naar Abimélek in Aroema met de boodschap: Gáal, de zoon van Ébed, en zijn broers zijn naar Sikem overgelopen, en hitsen de stad tegen u op.
31And he sent messengers unto Abimelech in Tormah, saying: 'Behold, Gaal the son of Ebed and his brethren are come to Shechem; and, behold, they will incite the city against thee.
32Breek dus vannacht nog op met de mannen, die bij u zijn, en leg u in hinderlaag in het veld;
32Now therefore, up by night, thou and the people that are with thee, and lie in wait in the field.
33dan kunt ge morgenvroeg bij zonsopgang een aanval doen op de stad. En wanneer hij dan met zijn volk tegen u uittrekt, kunt ge met hem naar omstandigheden handelen.
33And it shall be, that in the morning, as soon as the sun is up, thou shalt rise early, and set upon the city; and, behold, when he and the people that are with him come out against thee, then mayest thou do to them as thou shalt be able.'
34Abimélek brak dus op in de nacht met al het volk, dat hem volgde, en ze legden zich in vier groepen in hinderlaag tegenover Sikem.
34And Abimelech rose up, and all the people that were with him, by night, and they lay in wait against Shechem in four companies.
35Gáal, de zoon van Ébed, was juist naar buiten gekomen, en stond bij de ingang der stadspoort, toen Abimélek en de mannen, die hem vergezelden, uit de hinderlaag te voorschijn kwamen.
35And Gaal the son of Ebed went out, and stood in the entrance of the gate of the city; and Abimelech rose up, and the people that were with him, from the ambushment.
36Gáal, de zoon van Ébed, bemerkte dat volk, en zei tot Zeboel: Kijk, daar daalt volk van de bergtoppen af. Maar Zeboel zeide hem: Ge ziet de schaduw der bergen voor mannen aan.
36And when Gaal saw the people, he said to Zebul: 'Behold, there come people down from the tops of the mountains.' And Zebul said unto him: 'Thou seest the shadow of the mountains as if they were men.'
37Maar Gáal hernam: Zie, daar komt volk van de navel van het land naar beneden, en nog een andere troep van de kant van de Wichelaarseik.
37And Gaal spoke again and said: 'See, there come people down by the middle of the land, and one company cometh by the way of Elon-meonenim.'
38Nu sprak Zeboel tot hem: Waar is nu uw grote mond, waarmee ge gepocht hebt: Wie is Abimélek, dat wij hem zouden dienen? Daar is nu het volk, dat gij veracht hebt. Trek nu maar op, en bestrijd het.
38Then said Zebul unto him: 'Where is now thy mouth, that thou saidst: Who is Abimelech, that we should serve him? is not this the people that thou hast despised? go out now, I pray, and fight with them.'
39Zo trok Gáal aan de spits van Sikems burgers uit, en streed tegen Abimélek.
39And Gaal went out before the men of Shechem, and fought with Abimelech.
40Maar Abimélek joeg hem op de vlucht; hij ontkwam, doch er vielen veel doden tot bij de ingang der poort.
40And Abimelech chased him, and he fled before him, and there fell many wounded, even unto the entrance of the gate.
41Daarop keerde Abimélek naar Aroema terug, terwijl Zeboel Gáal en zijn broers uit Sikem verdreef, zodat ze er niet konden blijven.
41And Abimelech dwelt at Arumah; and Zebul drove out Gaal and his brethren, that they should not dwell in Shechem.
42De volgende morgen ging het volk het veld in, en dit werd Abimélek meegedeeld.
42And it came to pass on the morrow, that the people went out into the field; and it was told Abimelech.
43Deze nam zijn mannen, splitste ze in drie groepen, en legde zich in hinderlaag op het veld; en toen hij het volk uit de stad zag komen, overviel hij hen en sloeg ze neer.
43And he took the people, and divided them into three companies, and lay in wait in the field; and he looked, and, behold, the people were coming forth out of the city; and he rose up against them, and smote them.
44Abimélek zelf deed met de troep, die hem volgde, een aanval, en hield stand bij de ingang der stadspoort, terwijl de beide andere groepen zich richtten tegen allen, die in het veld waren, en ze in de pan hakten.
44And Abimelech, and the companies that were with him, rushed forward, and stood in the entrance of the gate of the city; and the two companies rushed upon all that were in the field, and smote them.
45Heel die dag door bleef Abimélek de stad bestormen, totdat hij de stad had veroverd. Hij doodde het volk, dat er in was, verwoestte de stad, en bestrooide haar met zout.
45And Abimelech fought against the city all that day; and he took the city, and slew the people that were therein; and he beat down the city, and sowed it with salt.
46Op het bericht hiervan gingen de burgers van de Toren van Sikem naar de grote zaal van de tempel van El-Berit.
46And when all the men of the tower of Shechem heard thereof, they entered into the hold of the house of El-berith.
47Toen men nu Abimélek meedeelde, dat al de burgers van de Toren van Sikem bijeen waren,
47And it was told Abimelech that all the men of the tower of Shechem were gathered together.
48ging Abimélek met al zijn mannen de berg Salmon op, greep een bijl, hakte een boomtak af, tilde hem op zijn schouders, en sprak tot zijn metgezellen: Doet vlug, wat ge mij ziet doen!
48And Abimelech got him up to mount Zalmon, he and all the people that were with him; and Abimelech took an axe in his hand, and cut down a bough from the trees, and took it up, and laid it on his shoulder; and he said unto the people that were with him: 'What ye have seen me do, make haste, and do as I have done.'
49Allen hakten eveneens takken af, volgden Abimélek, stapelden ze op tegen de grote zaal, en staken daarmee de zaal in brand. Zo vonden ook alle bewoners van de Toren van Sikem, ongeveer duizend mannen en vrouwen, de dood.
49And all the people likewise cut down every man his bough, and followed Abimelech, and put them to the hold, and set the hold on fire upon them; so that all the men of the tower of Shechem died also, about a thousand men and women.
50Vervolgens trok Abimélek naar Tebes, dat hij belegerde en innam.
50Then went Abimelech to Thebez, and encamped against Thebez, and took it.
51Daar stond in het midden der stad een versterkte toren, waarheen alle burgers der stad, zowel mannen als vrouwen, de wijk namen, er zich in opsloten, en het dak van de toren beklommen.
51But there was a strong tower within the city, and thither fled all the men and women, even all they of the city, and shut themselves in, and got them up to the roof of the tower.
52Abimélek drong door tot de toren en belegerde hem. Reeds was hij tot de toegang van de toren genaderd, om hem in brand te steken,
52And Abimelech came unto the tower, and fought against it, and went close unto the door of the tower to burn it with fire.
53toen een vrouw een molensteen op Abiméleks hoofd gooide, die hem de schedel verbrijzelde.
53And a certain woman cast an upper millstone upon Abimelech's head, and broke his skull.
54Snel riep hij zijn schildknaap, en zei hem: Trek uw zwaard en steek me dood, opdat men niet zal kunnen zeggen: een vrouw heeft hem gedood. En zijn schildknaap stak hem dood.
54Then he called hastily unto the young man his armour-bearer, and said unto him: 'Draw thy sword, and kill me, that men say not of me: A woman slew him.' And his young man thrust him through, and he died.
55Toen de Israëlieten nu zagen, dat Abimélek gestorven was, gingen ze allen naar huis.
55And when the men of Israel saw that Abimelech was dead, they departed every man unto his place.
56Zo vergold God het kwaad, dat Abimélek zijn vader had aangedaan, door zijn zeventig broeders te doden,
56Thus God requited the wickedness of Abimelech, which he did unto his father, in slaying his seventy brethren;
57en liet God ook al het kwaad der inwoners van Sikem op hun eigen hoofd neerkomen. Zo werd de vervloeking van Jotam, den zoon van Jeroebbáal, aan hen vervuld.
57and all the wickedness of the men of Shechem did God requite upon their heads; and upon them came the curse of Jotham the son of Jerubbaal.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.