Rechters 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bible Mutal (Kosraean)
1Nu begaf Abimélek, de zoon van Jeroebbáal, zich naar Sikem, naar de verwanten van zijn moeder, en sprak tot hen en tot heel het geslacht van zijn familie van moederskant:
1Abimelech, wen natul Gideon, el som nu Shechem, yen sou lun nina kial ah muta we, ac fahk nu selos
2Dit moet ge al de burgers van Sikem eens duidelijk zeggen: “Wat is beter voor u, dat al de zeventig zonen van Jeroebbáal over u heersen, of dat één man u regeert? En denkt daarbij, dat ik van uw gebeente en vlees ben.”
2elos in siyuk sin mwet Shechem, “Pia kac ma wo suwos: wen itngoul kewa natul Gideon in mwet kol lowos, ku siena selos in leum fowos? Esam lah Abimelech el sou na pwaye lowos.”
3In die geest spraken dus zijn verwanten van moederskant openlijk tot de burgers van Sikem, die wat voor Abimélek begonnen te voelen. Want ze dachten: Hij is onze broeder.
3Sou lun nina kial Abimelech elos aolul in sramsramkin ma inge yurin mwet Shechem, na mwet Shechem elos wotela mu elos ac eisal Abimelech tuh elan mwet kol lalos, mweyen el sou na pwaye lalos.
4Ze gaven hem uit de tempel van Báal-Berit zeventig zilveren sikkels, waarvoor Abimélek enige leeglopers en vlegels huurde, die hem volgden.
4Elos sang ipin silver itngoul liki tempul lal Baal‐lun‐Wuleang nu sel Abimelech, na el sang moli kutu mwet lusrongten in acn we tuh elos in welul.
5Toen trok hij op naar het huis van zijn vader te Ofra, en vermoordde op één steen al zijn zeventig broers, Jeroebbáals zonen. Jotam alleen, de jongste zoon van Jeroebbáal, bleef over, daar hij zich verborgen had.
5Ac el som nu in acn sin papa tumal ah in acn Ophrah, ac uniya tamulel itngoul wial fin sie eot lulap. Tusruktu Jotham, su srik emeet natul Gideon, el mukena tia anwuki, ke sripen el wikla.
6Nu kwamen alle burgers van Sikem en heel Bet-Millo bijeen, en riepen Abimélek tot koning uit bij de eik van de gedenksteen, die te Sikem was.
6Na mwet nukewa in Shechem ac Bethmillo elos toeni ac som nu sisken sak oak mutal in acn Shechem, ac oru tuh Abimelech elan tokosra lalos.
7Toen men dit aan Jotam had bericht, ging hij op de top van de berg Gerizzim staan, en riep met luider stem: Luistert naar mij, burgers van Sikem, opdat God luistere naar u!
7Ac ke Jotham el lohng ma inge el som fanyak nu fin mangon Eol Gerizim ac wowoyak ac fahk nu selos, “Porongeyu, kowos mwet in Shechem, ac sahp God El ac fah porongekowos!
8Eens gingen de bomen op weg, om zich een koning te zalven. En ze zeiden tot de olijf: Wees koning over ons!
8Sie pacl ah, sak nukewa som ac suk soko sak in tuh tokosra lalos. Elos fahk nu sin sak olive, ‘Kom fah tokosra lasr.’
9Maar de olijf antwoordde: Zou ik ophouden, mijn olie te geven, die God en mens in mij waarderen, en boven de bomen gaan zweven?
9Sak olive el topuk ac fahk, ‘Nga fin leum fowos, na enenu ngan tila orek oil, su mwe akfulatye god uh ac mwet uh.’
10Toen zeiden de bomen tot de vijg: Kom, wees gij dan koning over ons!
10Na sak inge elos sifil som ac fahk nu sin sak fig, ‘Fahsru tuh kom in tokosra lasr.’
11Maar de vijgeboom antwoordde: Zou ik dan ophouden, mijn zoetigheden en heerlijke vrucht te geven, en boven de bomen gaan zweven?
11Ac sak fig el topuk ac fahk, ‘Nga fin leum fowos, na enenu ngan tia sifil isus fahko emwem ac wo.’
12Daarop zeiden de bomen tot de wijnstok: Kom, wees gij koning over ons!
12Na sak inge elos sifil som ac fahk nu sin oa in grape soko, ‘Fahsru tokosrala lasr.’
13Maar de wijnstok antwoordde: Zou ik dan ophouden, mijn most te geven, die God en mensen verblijdt, en boven de bomen gaan zweven?
13Na oa soko ah topuk ac fahk, ‘Nga fin leum fowos, na enenu ngan tila orek wain, su mwe akpwarye god uh ac mwet uh.’
14Nu zeiden alle bomen tot de doornstruik: Welnu dan, wees gij koning over ons!
14Na sak inge sifil som ac fahk nu sin kokul, ‘Fahsru tokosrala lasr.’
15En de doornstruik gaf aan de bomen ten antwoord: Zo ge mij werkelijk over u tot koning wilt zalven, dan moogt ge onder mijn schaduw vluchten; zo niet, dan zal er een vuur van de doornstruik uitgaan, om de ceders van de Libanon te verteren.
15Na kokul el topuk ac fahk, ‘Fin pwaye kowos lungse tuh nga in tokosra lowos, fahsru ac muta ye lulik. Kowos fin tia, na e ac fah sikyak ke ma fakfuk keik uh ac esukak sak cedar nukewa in acn Lebanon.’”
16Nu dan: hebt ge soms eerlijk en billijk gehandeld, door Abimélek tot koning te verheffen; hebt ge goed gehandeld ten opzichte van Jeroebbáal en zijn huis; hebt ge hem vergolden naar zijn werken?
16Na Jotham el sifilpa fahk, “Inge, ke kowos sulella Abimelech tuh elan tokosra lowos, ya kowos oru ke nunak na pwaye lowos? Ya kowos akfulatye orekma wo ma Gideon el oru nu suwos, ac oru wo nu sin sou lal?
17Mijn vader heeft voor u gestreden, zijn leven voor u veil gehad, en u uit de hand van Midjan verlost;
17Esam lah papa tumuk el tuh mweun keiwos. El pilesrala moul lal sifacna in molikowosla liki poun mwet Midian.
18maar gij zijt heden opgestaan tegen het huis van mijn vader, hebt zijn zeventig zonen op één steen gedood, en Abimélek, den zoon zijner slavin, tot koning over de burgers van Sikem aangesteld, enkel omdat hij uw broeder is!
18Na misenge kowos forla lain sou lun papa tumuk. Kowos uniya wen itngoul natul fin eot sefanna. Na ke na sripen Abimelech el ac ma wiowos, mweyen el wen natul Gideon ac mutan kulansap se kial, na kowos oral tuh elan tokosra lun acn Shechem.
19Zo ge heden eerlijk en billijk gehandeld hebt met Jeroebbáal en zijn huis, dan moogt ge u in Abimélek verheugen, en hij mag zich verheugen in u.
19Inge, fin ma kowos oru misenge nu sel Gideon ac sou lal an kowos oru ke inse pwaye ac wo, na lela kowos in engan kacl Abimelech, ac lela tuh elan engan pac keiwos.
20Zo niet, dan moge er een vuur van Abimélek uitgaan, om Sikems burgers en Bet-Millo te verteren, en een vuur van Sikems burgers en Bet-Millo uitgaan, om Abimélek te verslinden.
20A fin tia pwaye, lela e in sikyak kacl Abimelech ac esukak mwet Shechem ac mwet Bethmillo. Oayapa lela e in sikyak yurin mwet Shechem ac mwet Bethmillo ac esukulak Abimelech.”
21Daarop maakte Jotam zich uit de voeten, en vluchtte weg naar Beër, waar hij buiten het bereik van zijn broer Abimélek bleef wonen.
21Na Jotham el kaingla nu Beer ac muta we, mweyen el sangeng sel Abimelech, tamulel lal ah.
22Nadat Abimélek drie jaar zijn macht over Israël had uitgeoefend,
22Abimelech el kol acn Israel ke yac tolu.
23zond God een geest van tweedracht tussen Abimélek en de burgers van Sikem, en de burgers van Sikem werden Abimélek ontrouw,
23Na God El oru tuh mwet Shechem ac Abimelech in asrungai, na mwet Shechem elos tuyak lainul Abimelech.
24opdat de gewelddaad tegen de zeventig zonen van Jeroebbáal en hun bloed zou neerkomen op Abimélek, hun broer, die hen vermoord had, en op de burgers van Sikem, die hem hadden geholpen, zijn broers te vermoorden.
24Ma inge sikyak in akfalye ma koluk ma Abimelech ac mwet Shechem elos tuh oru nu sin wen itngoul natul Gideon ma elos uniya ah.
25De burgers van Sikem legden hem hinderlagen op de toppen der bergen, en beroofden een ieder, die op weg hen voorbijging. Dit werd Abimélek meegedeeld.
25Mwet Shechem elos sap kutu mwet lalos in som wikla fin mangon eol uh tuh elos in sruokilya Abimelech, ac mwet inge elos pisre ma lun mwet nukewa su forfor in acn sac. Pweng ke ma inge sonol pac Abimelech.
26Toen dan ook Gáal, de zoon van Ébed, met zijn broers naar Sikem was overgelopen, stelden de burgers van Sikem hun vertrouwen op hem.
26Inge, Gaal wen natul Ebed, ac mwet lel elos tuku nu Shechem, ac mwet Shechem elos filiya lulalfongi lalos facl.
27Eens gingen ze naar buiten het veld in, om de druiven te oogsten en te persen, en feest te vieren; daarna gingen ze de tempel van hun god binnen, aten en dronken, en vervloekten Abimélek.
27Elos nukewa illa nu in ima uh ac eisani grape, elos orala nu ke wain, ac orek engan. Na elos utyak nu in tempul lun god lalos, ac mongo ac nimnim we ac aksruksrukel Abimelech.
28En Gáal, de zoon van Ébed, sprak: Wie is Abimélek, en wat is Sikem daarentegen, dat wij hem zouden dienen? Heeft de zoon van Jeroebbáal met zijn bevelhebber Zeboel zelf niet de mannen van Hemor, Sikems vader, gediend? Wat zouden wij hem dan dienstbaar zijn?
28Ac Gaal el fahk, “Ku kut mwet fuka in acn Shechem inge? Efu ku kut in orekma nu sel Abimelech? Ku su win el uh? Ya tia ma natul Gideon? Zebul el orekma nu sel, tusruktu efu ku kut in kulansupwal? Kowos in orekma na nu sel Hamor, mwet matu lowos su el pa sifen ota lowos uh!
29Gaf men mij maar eens de macht over dit volk, dan zou ik Abimélek wel doen verdwijnen. Ik zou Abimélek zeggen: Breng een groot leger op de been, en kom maar eens op.
29Nga ke in nga pa kol mwet inge! Nga lukun lusulla Abimelech! Nga lukun sap elan akola mwet mweun lal ac ilme kut in mweun.”
30Toen Zeboel, de bevelhebber der stad, vernam, wat Gáal, de zoon van Ébed, gezegd had, ontstak hij in woede.
30Ke Zebul, mwet kol lun siti sac, el lohng kas lal Gaal inge, el arulana kasrkusrak kac.
31Hij zond boden naar Abimélek in Aroema met de boodschap: Gáal, de zoon van Ébed, en zijn broers zijn naar Sikem overgelopen, en hitsen de stad tegen u op.
31El supwala mwet utuk kas nu yorol Abimelech nu in Arumah ac fahk, “Gaal, wen natul Ebed, ac tamulel lal elos tuku nu Shechem ac oru eltal in tia lela kom in utyak nu in siti uh.
32Breek dus vannacht nog op met de mannen, die bij u zijn, en leg u in hinderlaag in het veld;
32Inge kom ac mwet lom an tuku ke fong ac wikwik in imae soano.
33dan kunt ge morgenvroeg bij zonsopgang een aanval doen op de stad. En wanneer hij dan met zijn volk tegen u uittrekt, kunt ge met hem naar omstandigheden handelen.
33Ke lututang, ke faht uh tufahna takak, kom tuyak ac lain siti uh. Ac Gaal ac mwet lal fin illa in mweun, kom fah oneltalla nufon!”
34Abimélek brak dus op in de nacht met al het volk, dat hem volgde, en ze legden zich in vier groepen in hinderlaag tegenover Sikem.
34Na Abimelech ac mwet lal nukewa elos tuku ac wikwik sisken acn Shechem in fong ah — elos kitakatelik nu ke u akosr.
35Gáal, de zoon van Ébed, was juist naar buiten gekomen, en stond bij de ingang der stadspoort, toen Abimélek en de mannen, die hem vergezelden, uit de hinderlaag te voorschijn kwamen.
35Na ke Abimelech ac mwet lal elos liye ke Gaal el illa tu ke nien utyak nu in siti uh, Abimelech ac mwet lal elos tuyak liki acn elos wikwik we uh.
36Gáal, de zoon van Ébed, bemerkte dat volk, en zei tot Zeboel: Kijk, daar daalt volk van de bergtoppen af. Maar Zeboel zeide hem: Ge ziet de schaduw der bergen voor mannen aan.
36Ke Gaal el liye mwet inge, el fahk nu sel Zebul, “Ngetla liye! Mwet pa tufoki fineol an me!” Zebul el fahk, “Mo, tia mwet. Lullul in eol uh pa kowos liye an.”
37Maar Gáal hernam: Zie, daar komt volk van de navel van het land naar beneden, en nog een andere troep van de kant van de Wichelaarseik.
37Na Gaal el sifilpa fahk, “Liye, mwet pa tuku fineol an me ingan, ac sie u ah tuku ke innek soko sisken sak oak ma mwet susfa muta we ah!”
38Nu sprak Zeboel tot hem: Waar is nu uw grote mond, waarmee ge gepocht hebt: Wie is Abimélek, dat wij hem zouden dienen? Daar is nu het volk, dat gij veracht hebt. Trek nu maar op, en bestrijd het.
38Na Zebul el fahk nu sel, “Pia kusen tungak lom ah inge? Kom pa tuh fahk mu, ‘Su win Abimelech uh ku kut in orekma nu sel?’ Pa ingan mwet ma kom tuh aksruksruki ah. Fahla mweunelos.”
39Zo trok Gáal aan de spits van Sikems burgers uit, en streed tegen Abimélek.
39Na Gaal el us mwet Shechem ac som mweunel Abimelech.
40Maar Abimélek joeg hem op de vlucht; hij ontkwam, doch er vielen veel doden tot bij de ingang der poort.
40Abimelech el mutawauk ukwal Gaal, ac el kaing. Pukanten mwet kinet ke inkanek ah, som na nwe sun mutunpot in siti ah.
41Daarop keerde Abimélek naar Aroema terug, terwijl Zeboel Gáal en zijn broers uit Sikem verdreef, zodat ze er niet konden blijven.
41Abimelech el muta in acn Arumah, ac Zebul el lusulla Gaal ac tamulel lal ah liki acn Shechem, tuh elos in tia muta we.
42De volgende morgen ging het volk het veld in, en dit werd Abimélek meegedeeld.
42In len tok ah Abimelech el lohngak lah mwet Shechem inge elos pwapa in som nu in ima ah.
43Deze nam zijn mannen, splitste ze in drie groepen, en legde zich in hinderlaag op het veld; en toen hij het volk uit de stad zag komen, overviel hij hen en sloeg ze neer.
43Na el eis mwet lal ac kitalik nu ke u tolu, na elos wikwik in imae soano mwet ah. Ke Abimelech el liye ke mwet inge ilme liki siti uh, el tuyak liki nien wikwik uh ac onelosla.
44Abimélek zelf deed met de troep, die hem volgde, een aanval, en hield stand bij de ingang der stadspoort, terwijl de beide andere groepen zich richtten tegen allen, die in het veld waren, en ze in de pan hakten.
44Ke Abimelech ac u se lal ah yuyak in taran mutunpot in siti uh, u luo ngia elos mweuni mwet su muta in ima ah, ac onelosla nufon.
45Heel die dag door bleef Abimélek de stad bestormen, totdat hij de stad had veroverd. Hij doodde het volk, dat er in was, verwoestte de stad, en bestrooide haar met zout.
45Mweun uh orek ke len nufon sac. Abimelech el sruokya siti sac ac onela mwet we. El kunausya siti sac ac afinya fin fohk uh ke sohl.
46Op het bericht hiervan gingen de burgers van de Toren van Sikem naar de grote zaal van de tempel van El-Berit.
46Ke mwet kol lun acn Shechem su muta ke tower lun mwet mweun ah elos lohng ke ma inge, elos suk nien wikla ku lalos ke tempul lal Baal‐lun‐Wuleang.
47Toen men nu Abimélek meedeelde, dat al de burgers van de Toren van Sikem bijeen waren,
47Ke Abimelech el lohng lah mwet inge elos wikwik in acn sac,
48ging Abimélek met al zijn mannen de berg Salmon op, greep een bijl, hakte een boomtak af, tilde hem op zijn schouders, en sprak tot zijn metgezellen: Doet vlug, wat ge mij ziet doen!
48na el ac mwet lal elos fanyak nu Fineol Zalmon. El eis tula soko ac pakela lesak se ac filiya finpisal, ac fahk nu sin mwet lal elos in oru oana.
49Allen hakten eveneens takken af, volgden Abimélek, stapelden ze op tegen de grote zaal, en staken daarmee de zaal in brand. Zo vonden ook alle bewoners van de Toren van Sikem, ongeveer duizend mannen en vrouwen, de dood.
49Ouinge mwet nukewa elos pakela kais sie lesak lalos ac fahsr tokol Abimelech. Elos yolsani lesak uh ke acn in wikla ku sac, ac esukak. Mwet uh mutana loac, ac elos nukewa misa — sahp oasr sie tausin mukul ac mutan we.
50Vervolgens trok Abimélek naar Tebes, dat hij belegerde en innam.
50Na Abimelech el som nu Thebez, kuhlusya acn we ac sruokya.
51Daar stond in het midden der stad een versterkte toren, waarheen alle burgers der stad, zowel mannen als vrouwen, de wijk namen, er zich in opsloten, en het dak van de toren beklommen.
51Oasr sie tower na ku in acn se inge, ac mwet nukewa in acn sac, mukul ac mutan ac mwet kol lalos, elos kaing nu we. Elos sifacna lakelosi ac fanyak nu fin mangon tower sac.
52Abimélek drong door tot de toren en belegerde hem. Reeds was hij tot de toegang van de toren genaderd, om hem in brand te steken,
52Ke Abimelech el tuku nu ke tower sac tuh elan sruokya, el kalukyang nwe ke srungul uh tuh elan esukak.
53toen een vrouw een molensteen op Abiméleks hoofd gooide, die hem de schedel verbrijzelde.
53Na sie mutan el sisya eot in ilil na lulap se nu fin sifal twe foklalik ahlunsifal.
54Snel riep hij zijn schildknaap, en zei hem: Trek uw zwaard en steek me dood, opdat men niet zal kunnen zeggen: een vrouw heeft hem gedood. En zijn schildknaap stak hem dood.
54Na Abimelech el sulaklak pangonma mwet fusr se su us mwe mweun natul ah, ac fahk, “Faisak cutlass nutum an ac uniyuwi, tuh nga tia lungse mwet in fahk mu mutan se pa uniyuwi uh.” Na mukul fusr sac faksilya ke cutlass natul ah, na el misa.
55Toen de Israëlieten nu zagen, dat Abimélek gestorven was, gingen ze allen naar huis.
55Ke mwet Israel elos liye lah Abimelech el misa, elos folokelik nu acn selos.
56Zo vergold God het kwaad, dat Abimélek zijn vader had aangedaan, door zijn zeventig broeders te doden,
56Ouinge God El folokin nu sel Abimelech ma koluk se el tuh oru nu sin papa tumal ke el tuh uniya tamulel itngoul wial ah.
57en liet God ook al het kwaad der inwoners van Sikem op hun eigen hoofd neerkomen. Zo werd de vervloeking van Jotam, den zoon van Jeroebbáal, aan hen vervuld.
57Ac God El oayapa folokin ma koluk lun mwet Shechem nu faclos sifacna, fal nu ke ma Jotham, wen natul Gideon, el fahk ke el selngawelos ah.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.