2 Korintiers 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Och, verdraagt van mij eens wat onverstand! Zeker, dat verdraagt gij wel van mij.
1Ой коли б ви трохи потерпіли моє безумство! а таки потерпите мене.
2Want ik ben naijverig op u met goddelijke ijverzucht. Want aan één man heb ik u verloofd, om u als reine maagd aan Christus’ zijde te stellen;
2Бо я ревную про вас ревностю Божою; я бо заручив вас одному мужові, щоб чистою дївою привести перед Христа.
3en nu bekruipt mij de vrees, dat zoals de slang met haar arglist Eva bedroog, ook úw gezindheid verleid wordt en afgeleid van de oprechte trouw (en de reinheid) tot Christus.
3Бою ся ж, щоб, як змій Єву обманив лукавством своїм, так не попсувались думки ваші, (одвернувши) від простоти в Христї.
4Want als er iemand optreedt, om u een anderen Jesus te preken dan wij u hebben verkondigd, of als gij een anderen Geest gaat krijgen dan gij ontvangen hebt, of een ander Evangelie dan gij hebt aangenomen, dan verdraagt gij dit al heel gemakkelijk.
4Бо коли ж хто, прийшовши, иншого Христа проповідує, котрого ми не проповідували, або духа иншого ви приймаєте, котрого не прийняли, або инше благовістє, котрого не одержали; то ви були б дуже терпіливі.
5Toch meen ik in geen enkel opzicht te moeten onderdoen voor dergelijke buitengewoon uitmuntende apostelen.
5Думаю бо, що я нїчим не зоставсь позаду переднїх апостолів.
6Ook al zou ik een leek zijn in het spreken, op het stuk van kennis ben ik het niet; want die hebben we u ten allen tijde en op alle punten wel heel duidelijk meegedeeld.
6Хоч бо я й неук словом, та не розумом; нї, ми знані у всьому між вами.
7Of heb ik er verkeerd aan gedaan, met u om niet Gods Evangelie te verkondigen, mijzelf vernederend om u te verheffen?
7Або гріх я зробив, себе смиряючи, щоб ви пійшли вгору, бо даром благовістє Боже проповідував вам?
8Andere gemeenten heb ik ontriefd door vergoeding aan te nemen voor het dienen van u.
8Од инших церков брав я, приймаючи плату, на служеннє вам;
9En toen ik bij mijn verblijf onder u nog te kort kwam, ben ik toch niemand lastig gevallen. Want de broeders, die uit Macedónië kwamen, hebben mijn tekort aangevuld, en ik heb mij er wèl voor gewacht, u op een of andere wijze tot last te zijn; en ik zal dit ook blijven doen.
9і, прийшовши до вас, та й бувши в недостатку, не був я нїкому важким; бо недостаток мій сповнили брати мої, що прийшли з Македониї; та й у всьому я хоронив себе, щоб не бути вам важким, і хоронити му.
10Zo zeker als de waarheid van Christus in mij is: in de streken van Achaja laat ik me die roem niet verkleinen.
10(Як) істина Христова є в менї (так вірно), що похвала ся не загородить ся від мене в сторонах Ахайських.
11Waarom? Omdat ik u niet liefheb? Dat weet God.
11Чого ж? хиба, що не люблю вас? Бог знає (те).
12Maar ik doe het, en zal het blijven volhouden, om hun de kans te ontnemen, die er op uit zijn, om in dingen, waarop men groot kan gaan, helemaal aan ons gelijk te zijn.
12Що ж роблю, те й робити му, щоб відтяти причину тим, що хочуть причини, щоб чим хвалять ся, (у тому) показались як і ми.
13Die lieden toch zijn schijn-apostelen, bedriegelijke arbeiders, die zich voordoen als Apostelen van Christus.
13Бо такі лжеапостоли, робітники лукаві, прикидають ся апостолами Христовими.
14En dit behoeft niemand te verwonderen; want ook Satan zelf vermomt zich als een engel des lichts.
14І не диво: сам бо сатана прикидаєть ся ангелом сьвітлим.
15Het is dus niets bijzonders, dat ook zijn dienaars zich voordoen als dienaars der gerechtigheid. Hun einde zal zijn naar hun werken.
15Не велика ж річ, коли й слуги його прикидають ся слугами правди. Конець їх буде по дїлам їх.
16Ik herhaal het: Niemand houde mij voor een dwaas; o f anders, ziet me maar aan voor een dwaas, dan mag ook ik mij een weinig gaan roemen.
16Знов глаголю: щоб нїхто не вважав мене за безумного; коли ж нї, хоч яко безумного мене прийміть, щоб хоч трохи менї похвалитись.
17Zeker, wat ik op het punt van eigenroem ga zeggen, is niet naar ‘s Heren geest, maar in onverstand gesproken.
17А що глаголю, не глаголю по Господї, а мов би в безумстві, у сїй певнотї похвали.
18Maar omdat er zovelen zijn, die roemen naar het vlees, zal ook ik het eens doen.
18Яко ж бо многі хвалять ся по тїлу, то й я хвалити мусь.
19Gij verdraagt toch zo makkelijk de dwazen, omdat gij zelf o zo wijs zijt!
19Радо бо терпите безумних, розумними бувши.
20Gij verdraagt het immers, als men u tyranniseert, als men u uitzuigt en beetneemt, als men verwaand is, en u in het aangezicht slaat.
20Терпите бо, як хто підневолює вас, як хто жере (вас), як хто обдирає (вас), як хто величаєть ся, як хто бє вас у лице.
21Ik moet het tot mijn schande bekennen: daartoe zijn wij te zwak geweest! Maar voor de rest—ik spreek in onverstand wat een ander aandurft, dat durf ik ook.
21Робом досади глаголю, так нїби ми знемоглись. Коли ж у чому хто осьмілюєть ся (у безумстві глаголю), то й я осьмілююсь.
22Zij zijn Hebreën? Ik ook. Zij zijn Israëlieten? Ik ook. Zij zijn Abrahams zaad? Ik ook.
22Вони Євреї? І я. Вони Ізраїльтяне? І я. Вони насїннє Авраамове? І я.
23Zij zijn dienaars van Christus? Ik spreek als een onwijze: Ik veel meer; in zwoegen veel meer, in gevangenschappen veel meer, in slagen overvloedig, in doodsgevaren heel vaak.
23Христові слуги? (безумствуючи глаголю) я більше: В працях премного, в ранах без міри, у темницях пребагато, при смерти почасту.
24Van de Joden kreeg ik vijfmaal de veertig min één;
24Од Жидів пять раз по сорок без одного прийняв я.
25driemaal ben ik met de roede gegeseld; ééns gestenigd; driemaal heb ik schipbreuk geleden; ééns een heel etmaal rondgezwalkt in het holle der zee.
25Тричі киями бито мене, а один раз каменовано; тричі розбивав ся корабель, ніч і день пробув я в глибинї;
26Op zwerftochten menigmaal, in gevaren van rivieren, gevaren van rovers, gevaren van eigen volk, gevaren van heidenen, gevaren in de stad, gevaren in de woestijn, gevaren op zee, gevaren onder valse broeders.
26у дорогах почасту, у бідах (на) водї, у бідах (од) розбійників, у бідах од земляків, у бідах од поган, у бідах у городї, у бідах у пустинї, у бідах на морі, у бідах між лукавими братами;
27Onder arbeid en zwoegen vaak zonder slaap, in honger en dorst, in vasten dikwijls, in koude en naaktheid.
27у працї і в журбі, почасту в недосипанню, в голодї і жаждї, в постах часто, в холодї й наготї.
28En behalve de rest, de toeloop nog, dag in, dag uit; de zorg voor alle kerken.
28Опріч того, що осторонь, налягає на мене щоденна журба про всї церкви.
29Wie is er zwak, en ik voel me niet zwak? Wie ondervindt ergernis, en ik gloei niet van toorn?
29Хто знемогає, щоб і я не знемогав? Хто блазнить ся, щоб і я не горів?
30Moet er geroemd worden, dan wil ik op mijn zwakheid gaan roemen.
30Коли хвалитись треба, то хвалити мусь тим, що від немочі моєї.
31Ik lieg niet; dat weet de God en Vader van den Heer Jesus, in eeuwigheid geprezen.
31Бог, Отець Господа нашого Ісуса Христа, будучи благословен на віки, знає, що я не обманюю.
32Toen ik in Damascus was, liet de stadhouder van koning Aretas de stad der Damascenen bewaken, om zich van me meester te maken;
32У Дамаску царський намістник Арета, стеріг город Дамащан, хотївши піймати мене;
33maar door een venster werd ik in een mand over de muur naar beneden gelaten, en zó ontkwam ik aan zijn handen.
33і віконцем у коші спущено мене по стїнї, і втік я з рук його.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.