2 Korintiers 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Och, verdraagt van mij eens wat onverstand! Zeker, dat verdraagt gij wel van mij.
1Ó byste mne maličko posnesli v nemoudrosti mé, nýbrž posneste mne.
2Want ik ben naijverig op u met goddelijke ijverzucht. Want aan één man heb ik u verloofd, om u als reine maagd aan Christus’ zijde te stellen;
2Neboť miluji vás Božím milováním. Zasnoubilť jsem zajisté vás jako čistou pannu oddati jednomu muži, Kristu.
3en nu bekruipt mij de vrees, dat zoals de slang met haar arglist Eva bedroog, ook úw gezindheid verleid wordt en afgeleid van de oprechte trouw (en de reinheid) tot Christus.
3Ale bojímť se, aby snad, jakož had svedl Evu chytrostí svou, tak nebyly porušeny mysli vaše, abyste se totiž neuchýlili od sprostnosti, kteráž jest v Kristu.
4Want als er iemand optreedt, om u een anderen Jesus te preken dan wij u hebben verkondigd, of als gij een anderen Geest gaat krijgen dan gij ontvangen hebt, of een ander Evangelie dan gij hebt aangenomen, dan verdraagt gij dit al heel gemakkelijk.
4Nebo kdyby někdo přijda, jiného Ježíše vám kázal, kteréhož jsme my nekázali, aneb kdybyste jiného ducha přijali, kteréhož jste prve nepřijali, anebo jiné evangelium, kteréhož jste od nás nevzali, slušně byste to snášeli.
5Toch meen ik in geen enkel opzicht te moeten onderdoen voor dergelijke buitengewoon uitmuntende apostelen.
5Neboť za to mám, že jsem nic menší nebyl velikých apoštolů.
6Ook al zou ik een leek zijn in het spreken, op het stuk van kennis ben ik het niet; want die hebben we u ten allen tijde en op alle punten wel heel duidelijk meegedeeld.
6Jestližeť pak jsem nedospělý v řeči, však ne v umění, ale ve všem všudy otevření jsme vám.
7Of heb ik er verkeerd aan gedaan, met u om niet Gods Evangelie te verkondigen, mijzelf vernederend om u te verheffen?
7Zdali jsem zhřešil, ponižuje se, abyste vy povýšeni byli, a že jsem darmo evangelium Boží kázal vám?
8Andere gemeenten heb ik ontriefd door vergoeding aan te nemen voor het dienen van u.
8Jiné jsem církve loupil, bera od nich plat k službě vaší. A byv u vás, jsa potřeben, neobtěžoval jsem žádného.
9En toen ik bij mijn verblijf onder u nog te kort kwam, ben ik toch niemand lastig gevallen. Want de broeders, die uit Macedónië kwamen, hebben mijn tekort aangevuld, en ik heb mij er wèl voor gewacht, u op een of andere wijze tot last te zijn; en ik zal dit ook blijven doen.
9Nebo ten nedostatek můj doplnili bratří, přišedše z Macedonie. A ve všech věcech varoval jsem se, a varovati budu, abych vás neobtěžoval.
10Zo zeker als de waarheid van Christus in mij is: in de streken van Achaja laat ik me die roem niet verkleinen.
10Jestiť pravda Kristova ve mně, že chlouba tato nebude mi zmařena v krajinách Achaiských.
11Waarom? Omdat ik u niet liefheb? Dat weet God.
11Z které příčiny? Snad že vás nemiluji? Bůhť ví.
12Maar ik doe het, en zal het blijven volhouden, om hun de kans te ontnemen, die er op uit zijn, om in dingen, waarop men groot kan gaan, helemaal aan ons gelijk te zijn.
12Ale což činím, ještěť činiti budu, abych odňal příčinu těm, kteříž hledají příčiny k tomu, aby v tom, v čemž se chlubí, nalezeni byli takoví jako i my.
13Die lieden toch zijn schijn-apostelen, bedriegelijke arbeiders, die zich voordoen als Apostelen van Christus.
13Nebo takoví falešní apoštolé jsou dělníci lstiví, proměňujíce se v apoštoly Kristovy.
14En dit behoeft niemand te verwonderen; want ook Satan zelf vermomt zich als een engel des lichts.
14A není div. Nebo i satan proměňuje se v anděla světlosti.
15Het is dus niets bijzonders, dat ook zijn dienaars zich voordoen als dienaars der gerechtigheid. Hun einde zal zijn naar hun werken.
15Protož neníť to tak veliká věc, jestliže i služebníci jeho proměňují se, aby se zdáli býti služebníci spravedlnosti, jichžto konec bude podle skutků jejich.
16Ik herhaal het: Niemand houde mij voor een dwaas; o f anders, ziet me maar aan voor een dwaas, dan mag ook ik mij een weinig gaan roemen.
16Opět pravím, aby mne někdo neměl za nemoudrého; nýbrž i jako nemoudrého přijměte mne, ať i já se maličko něco pochlubím.
17Zeker, wat ik op het punt van eigenroem ga zeggen, is niet naar ‘s Heren geest, maar in onverstand gesproken.
17Což mluvím, nemluvímť jako ode Pána, ale jako v nemoudrosti z strany této chlouby.
18Maar omdat er zovelen zijn, die roemen naar het vlees, zal ook ik het eens doen.
18Kdyžť se mnozí chlubí podle těla, i jáť se pochlubím.
19Gij verdraagt toch zo makkelijk de dwazen, omdat gij zelf o zo wijs zijt!
19Rádi zajisté snášíte nemoudré, jsouce sami moudří.
20Gij verdraagt het immers, als men u tyranniseert, als men u uitzuigt en beetneemt, als men verwaand is, en u in het aangezicht slaat.
20Nebo snesete i to, by vás kdo v službu podrobil, by kdo zžíral, by kdo bral, by se kdo pozdvihoval, by vás kdo v tvář bil.
21Ik moet het tot mijn schande bekennen: daartoe zijn wij te zwak geweest! Maar voor de rest—ik spreek in onverstand wat een ander aandurft, dat durf ik ook.
21K zahanbení vašemu pravím, rovně jako bychom my nějací špatní byli. Nýbrž v čem kdo smí, (v nemoudrosti mluvím,) smímť i já.
22Zij zijn Hebreën? Ik ook. Zij zijn Israëlieten? Ik ook. Zij zijn Abrahams zaad? Ik ook.
22Židé jsou? Jsem i já Žid. Izraelští jsou? Jsem i já. Símě Abrahamovo jsou? I já.
23Zij zijn dienaars van Christus? Ik spreek als een onwijze: Ik veel meer; in zwoegen veel meer, in gevangenschappen veel meer, in slagen overvloedig, in doodsgevaren heel vaak.
23Služebníci Kristovi jsou? (Nemoudře dím:) Nadto já. V pracech býval jsem hojněji, v ranách přílišně, v žalářích hojněji, v smrtech častokrát.
24Van de Joden kreeg ik vijfmaal de veertig min één;
24Od Židů pětkrát čtyřidceti ran bez jedné trpěl jsem.
25driemaal ben ik met de roede gegeseld; ééns gestenigd; driemaal heb ik schipbreuk geleden; ééns een heel etmaal rondgezwalkt in het holle der zee.
25Třikrát metlami mrskán jsem, jednou jsem byl ukamenován, třikrát jsem na moři tonul, ve dne i v noci v hlubokosti mořské byl jsem.
26Op zwerftochten menigmaal, in gevaren van rivieren, gevaren van rovers, gevaren van eigen volk, gevaren van heidenen, gevaren in de stad, gevaren in de woestijn, gevaren op zee, gevaren onder valse broeders.
26Na cestách často, v nebezpečenství na řekách, v nebezpečenství od lotrů, v nebezpečenství od svého pokolení, v nebezpečenství od pohanů, v nebezpečenství v městě, v nebezpečenství na poušti, v nebezpečenství na moři, v nebezpečenství mezi falešnými bratřími;
27Onder arbeid en zwoegen vaak zonder slaap, in honger en dorst, in vasten dikwijls, in koude en naaktheid.
27V práci a v ustání, v bděních často, v hladu a v žízni, v postech častokrát, na zimě a v nahotě.
28En behalve de rest, de toeloop nog, dag in, dag uit; de zorg voor alle kerken.
28Kromě toho, což zevnitř jest, dotírá na mne ten houf na každý den povstávající proti mně, to jest péče o všecky sbory.
29Wie is er zwak, en ik voel me niet zwak? Wie ondervindt ergernis, en ik gloei niet van toorn?
29Kdo umdlévá, abych já s ním nemdlel? Kdo se uráží, abych já se nepálil?
30Moet er geroemd worden, dan wil ik op mijn zwakheid gaan roemen.
30Jestližeť se mám chlubiti, nemocmi svými se chlubiti budu.
31Ik lieg niet; dat weet de God en Vader van den Heer Jesus, in eeuwigheid geprezen.
31Bůh a Otec Pána našeho Jezukrista, kterýž jest požehnaný na věky, ví, žeť nelhu.
32Toen ik in Damascus was, liet de stadhouder van koning Aretas de stad der Damascenen bewaken, om zich van me meester te maken;
32Hejtman v Damašku lidu Aréty krále, ostříhal města Damašku, chtěje mne do vězení vzíti.
33maar door een venster werd ik in een mand over de muur naar beneden gelaten, en zó ontkwam ik aan zijn handen.
33Ale já oknem po provaze spuštěn jsem v koši přes zed, i ušel jsem rukou jeho.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.