2 Korintiers 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Och, verdraagt van mij eens wat onverstand! Zeker, dat verdraagt gij wel van mij.
1Utinam sustineretis modicum quid insipientiæ meæ, sed et supportare me:
2Want ik ben naijverig op u met goddelijke ijverzucht. Want aan één man heb ik u verloofd, om u als reine maagd aan Christus’ zijde te stellen;
2æmulor enim vos Dei æmulatione. Despondi enim vos uni viro, virginem castam exhibere Christo.
3en nu bekruipt mij de vrees, dat zoals de slang met haar arglist Eva bedroog, ook úw gezindheid verleid wordt en afgeleid van de oprechte trouw (en de reinheid) tot Christus.
3Timeo autem ne sicut serpens Hevam seduxit astutia sua, ita corrumpantur sensus vestri, et excidant a simplicitate, quæ est in Christo.
4Want als er iemand optreedt, om u een anderen Jesus te preken dan wij u hebben verkondigd, of als gij een anderen Geest gaat krijgen dan gij ontvangen hebt, of een ander Evangelie dan gij hebt aangenomen, dan verdraagt gij dit al heel gemakkelijk.
4Nam si is qui venit, alium Christum prædicat, quem non prædicavimus, aut alium spiritum accipitis, quem non accepistis: aut aliud Evangelium, quod non recepistis: recte pateremini.
5Toch meen ik in geen enkel opzicht te moeten onderdoen voor dergelijke buitengewoon uitmuntende apostelen.
5Existimo enim nihil me minus fecisse a magnis Apostolis.
6Ook al zou ik een leek zijn in het spreken, op het stuk van kennis ben ik het niet; want die hebben we u ten allen tijde en op alle punten wel heel duidelijk meegedeeld.
6Nam etsi imperitus sermone, sed non scientia, in omnibus autem manifestati sumus vobis.
7Of heb ik er verkeerd aan gedaan, met u om niet Gods Evangelie te verkondigen, mijzelf vernederend om u te verheffen?
7Aut numquid peccatum feci, meipsum humilians, ut vos exaltemini? quoniam gratis Evangelium Dei evangelizavi vobis?
8Andere gemeenten heb ik ontriefd door vergoeding aan te nemen voor het dienen van u.
8Alias ecclesias expoliavi, accipiens stipendium ad ministerium vestrum.
9En toen ik bij mijn verblijf onder u nog te kort kwam, ben ik toch niemand lastig gevallen. Want de broeders, die uit Macedónië kwamen, hebben mijn tekort aangevuld, en ik heb mij er wèl voor gewacht, u op een of andere wijze tot last te zijn; en ik zal dit ook blijven doen.
9Et cum essem apud vos, et egerem, nulli onerosus fui: nam quod mihi deerat, suppleverunt fratres, qui venerunt a Macedonia: et in omnibus sine onere me vobis servavi, et servabo.
10Zo zeker als de waarheid van Christus in mij is: in de streken van Achaja laat ik me die roem niet verkleinen.
10Est veritas Christi in me, quoniam hæc gloriatio non infringetur in me in regionibus Achaiæ.
11Waarom? Omdat ik u niet liefheb? Dat weet God.
11Quare? quia non diligo vos? Deus scit.
12Maar ik doe het, en zal het blijven volhouden, om hun de kans te ontnemen, die er op uit zijn, om in dingen, waarop men groot kan gaan, helemaal aan ons gelijk te zijn.
12Quod autem facio, et faciam: ut amputem occasionem eorum qui volunt occasionem, ut in quo gloriantur, inveniantur sicut et nos.
13Die lieden toch zijn schijn-apostelen, bedriegelijke arbeiders, die zich voordoen als Apostelen van Christus.
13Nam ejusmodi pseudoapostoli sunt operarii subdoli, transfigurantes se in apostolos Christi.
14En dit behoeft niemand te verwonderen; want ook Satan zelf vermomt zich als een engel des lichts.
14Et non mirum: ipse enim Satanas transfigurat se in angelum lucis.
15Het is dus niets bijzonders, dat ook zijn dienaars zich voordoen als dienaars der gerechtigheid. Hun einde zal zijn naar hun werken.
15Non est ergo magnum, si ministri ejus transfigurentur velut ministri justitiæ: quorum finis erit secundum opera ipsorum.
16Ik herhaal het: Niemand houde mij voor een dwaas; o f anders, ziet me maar aan voor een dwaas, dan mag ook ik mij een weinig gaan roemen.
16Iterum dico (ne quis me putet insipientem esse, alioquin velut insipientem accipite me, ut et ego modicum quid glorier),
17Zeker, wat ik op het punt van eigenroem ga zeggen, is niet naar ‘s Heren geest, maar in onverstand gesproken.
17quod loquor, non loquor secundum Deum, sed quasi in insipientia, in hac substantia gloriæ.
18Maar omdat er zovelen zijn, die roemen naar het vlees, zal ook ik het eens doen.
18Quoniam multi gloriantur secundum carnem: et ego gloriabor.
19Gij verdraagt toch zo makkelijk de dwazen, omdat gij zelf o zo wijs zijt!
19Libenter enim suffertis insipientes, cum sitis ipsi sapientes.
20Gij verdraagt het immers, als men u tyranniseert, als men u uitzuigt en beetneemt, als men verwaand is, en u in het aangezicht slaat.
20Sustinetis enim si quis vos in servitutem redigit, si quis devorat, si quis accipit, si quis extollitur, si quis in faciem vos cædit.
21Ik moet het tot mijn schande bekennen: daartoe zijn wij te zwak geweest! Maar voor de rest—ik spreek in onverstand wat een ander aandurft, dat durf ik ook.
21Secundum ignobilitatem dico, quasi nos infirmi fuerimus in hac parte. In quo quis audet (in insipientia dico) audeo et ego:
22Zij zijn Hebreën? Ik ook. Zij zijn Israëlieten? Ik ook. Zij zijn Abrahams zaad? Ik ook.
22Hebræi sunt, et ego: Israëlitæ sunt, et ego: semen Abrahæ sunt, et ego.
23Zij zijn dienaars van Christus? Ik spreek als een onwijze: Ik veel meer; in zwoegen veel meer, in gevangenschappen veel meer, in slagen overvloedig, in doodsgevaren heel vaak.
23Ministri Christi sunt (ut minus sapiens dico), plus ego: in laboribus plurimis, in carceribus abundantius, in plagis supra modum, in mortibus frequenter.
24Van de Joden kreeg ik vijfmaal de veertig min één;
24A Judæis quinquies, quadragenas, una minus, accepi.
25driemaal ben ik met de roede gegeseld; ééns gestenigd; driemaal heb ik schipbreuk geleden; ééns een heel etmaal rondgezwalkt in het holle der zee.
25Ter virgis cæsus sum, semel lapidatus sum: ter naufragium feci, nocte et die in profundo maris fui,
26Op zwerftochten menigmaal, in gevaren van rivieren, gevaren van rovers, gevaren van eigen volk, gevaren van heidenen, gevaren in de stad, gevaren in de woestijn, gevaren op zee, gevaren onder valse broeders.
26in itineribus sæpe, periculis fluminum, periculis latronum, periculis ex genere, periculis ex gentibus, periculis in civitate, periculis in solitudine, periculis in mari, periculis in falsis fratribus:
27Onder arbeid en zwoegen vaak zonder slaap, in honger en dorst, in vasten dikwijls, in koude en naaktheid.
27in labore et ærumna, in vigiliis multis, in fame et siti, in jejuniis multis, in frigore et nuditate,
28En behalve de rest, de toeloop nog, dag in, dag uit; de zorg voor alle kerken.
28præter illa quæ extrinsecus sunt, instantia mea quotidiana, sollicitudo omnium ecclesiarum.
29Wie is er zwak, en ik voel me niet zwak? Wie ondervindt ergernis, en ik gloei niet van toorn?
29Quis infirmatur, et ego non infirmor? quis scandalizatur, et ego non uror?
30Moet er geroemd worden, dan wil ik op mijn zwakheid gaan roemen.
30Si gloriari oportet, quæ infirmitatis meæ sunt, gloriabor.
31Ik lieg niet; dat weet de God en Vader van den Heer Jesus, in eeuwigheid geprezen.
31Deus et Pater Domini nostri Jesu Christi, qui est benedictus in sæcula, scit quod non mentior.
32Toen ik in Damascus was, liet de stadhouder van koning Aretas de stad der Damascenen bewaken, om zich van me meester te maken;
32Damasci præpositus gentis Aretæ regis custodiebat civitatem Damascenorum ut me comprehenderet:
33maar door een venster werd ik in een mand over de muur naar beneden gelaten, en zó ontkwam ik aan zijn handen.
33et per fenestram in sporta dimissus sum per murum, et sic effugi manus ejus.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.