2 Korintiers 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Old Persian Version (ترجمه قدیم)
1Och, verdraagt van mij eens wat onverstand! Zeker, dat verdraagt gij wel van mij.
1کاشکه مرا در اندک جهالتی متحمل شوید و متحمل من هم میباشید.
2Want ik ben naijverig op u met goddelijke ijverzucht. Want aan één man heb ik u verloofd, om u als reine maagd aan Christus’ zijde te stellen;
2زیراکه من بر شما غیور هستم به غیرت الهی؛ زیرا که شما را به یک شوهر نامزد ساختم تا باکرهای عفیفه به مسیح سپارم.
3en nu bekruipt mij de vrees, dat zoals de slang met haar arglist Eva bedroog, ook úw gezindheid verleid wordt en afgeleid van de oprechte trouw (en de reinheid) tot Christus.
3لیکن میترسم که چنانکه مار به مکر خود حوا را فریفت، همچنین خاطرشما هم از سادگیای که در مسیح است، فاسدگردد.
4Want als er iemand optreedt, om u een anderen Jesus te preken dan wij u hebben verkondigd, of als gij een anderen Geest gaat krijgen dan gij ontvangen hebt, of een ander Evangelie dan gij hebt aangenomen, dan verdraagt gij dit al heel gemakkelijk.
4زیرا هرگاه آنکه آمد، وعظ میکرد به عیسای دیگر، غیر از آنکه ما بدو موعظه کردیم، یا شما روحی دیگر را جز آنکه یافته بودید، یاانجیلی دیگر را سوای آنچه قبول کرده بودیدمی پذیرفتید، نیکو میکردید که متحمل میشدید.
5Toch meen ik in geen enkel opzicht te moeten onderdoen voor dergelijke buitengewoon uitmuntende apostelen.
5زیرا مرا یقین است که از بزرگترین رسولان هرگز کمتر نیستم.
6Ook al zou ik een leek zijn in het spreken, op het stuk van kennis ben ik het niet; want die hebben we u ten allen tijde en op alle punten wel heel duidelijk meegedeeld.
6اما هرچند در کلام نیز امی باشم، لیکن در معرفت نی. بلکه در هر امری نزدهمه کس به شما آشکار گردیدیم.
7Of heb ik er verkeerd aan gedaan, met u om niet Gods Evangelie te verkondigen, mijzelf vernederend om u te verheffen?
7آیا گناه کردم که خود را ذلیل ساختم تا شما سرافراز شوید دراینکه به انجیل خدا شما را مفت بشارت دادم؟
8Andere gemeenten heb ik ontriefd door vergoeding aan te nemen voor het dienen van u.
8کلیساهای دیگر را غارت نموده، اجرت گرفتم تا شما را خدمت نمایم و چون به نزد شما حاضربوده، محتاج شدم، بر هیچکس بار ننهادم.
9En toen ik bij mijn verblijf onder u nog te kort kwam, ben ik toch niemand lastig gevallen. Want de broeders, die uit Macedónië kwamen, hebben mijn tekort aangevuld, en ik heb mij er wèl voor gewacht, u op een of andere wijze tot last te zijn; en ik zal dit ook blijven doen.
9زیرابرادرانی که از مکادونیه آمدند، رفع حاجت مرانمودند و در هرچیز از بار نهادن بر شما خود رانگاه داشته و خواهم داشت.
10Zo zeker als de waarheid van Christus in mij is: in de streken van Achaja laat ik me die roem niet verkleinen.
10به راستی مسیح که در من است قسم که این فخر در نواحی اخائیه از من گرفته نخواهد شد.
11Waarom? Omdat ik u niet liefheb? Dat weet God.
11از چه سبب؟ آیا ازاینکه شما را دوست نمی دارم؟ خدا میداند!
12Maar ik doe het, en zal het blijven volhouden, om hun de kans te ontnemen, die er op uit zijn, om in dingen, waarop men groot kan gaan, helemaal aan ons gelijk te zijn.
12لیکن آنچه میکنم هم خواهم کرد تا از جویندگان فرصت، فرصت را منقطع سازم تا درآنچه فخر میکنند، مثل ما نیز یافت شوند.
13Die lieden toch zijn schijn-apostelen, bedriegelijke arbeiders, die zich voordoen als Apostelen van Christus.
13زیرا که چنین اشخاص رسولان کذبه و عمله مکار هستند که خویشتن را به رسولان مسیح مشابه میسازند.
14En dit behoeft niemand te verwonderen; want ook Satan zelf vermomt zich als een engel des lichts.
14و عجب نیست، چونکه خودشیطان هم خویشتن را به فرشته نور مشابه میسازد.
15Het is dus niets bijzonders, dat ook zijn dienaars zich voordoen als dienaars der gerechtigheid. Hun einde zal zijn naar hun werken.
15پس امر بزرگ نیست که خدام وی خویشتن را به خدام عدالت مشابه سازند که عاقبت ایشان برحسب اعمالشان خواهد بود.
16Ik herhaal het: Niemand houde mij voor een dwaas; o f anders, ziet me maar aan voor een dwaas, dan mag ook ik mij een weinig gaan roemen.
16باز میگویم، کسی مرا بیفهم نداند والا مراچون بیفهمی بپذیرید تا من نیز اندکی افتخارکنم.
17Zeker, wat ik op het punt van eigenroem ga zeggen, is niet naar ‘s Heren geest, maar in onverstand gesproken.
17آنچه میگویم از جانب خداوندنمی گویم، بلکه از راه بیفهمی در این اعتمادی که فخر ما است.
18Maar omdat er zovelen zijn, die roemen naar het vlees, zal ook ik het eens doen.
18چونکه بسیاری از طریق جسمانی فخر میکنند، من هم فخر مینمایم.
19Gij verdraagt toch zo makkelijk de dwazen, omdat gij zelf o zo wijs zijt!
19زیرا چونکه خود فهیم هستید، بیفهمان را به خوشی متحمل میباشید.
20Gij verdraagt het immers, als men u tyranniseert, als men u uitzuigt en beetneemt, als men verwaand is, en u in het aangezicht slaat.
20زیرا متحمل میشوید هرگاه کسی شما را غلام سازد، یا کسی شما را فرو خورد، یا کسی شما را گرفتار کند، یاکسی خود را بلند سازد، یا کسی شما را بر رخسارطپانچه زند.
21Ik moet het tot mijn schande bekennen: daartoe zijn wij te zwak geweest! Maar voor de rest—ik spreek in onverstand wat een ander aandurft, dat durf ik ook.
21از روی استحقار میگویم که گویاما ضعیف بودهایم.
22Zij zijn Hebreën? Ik ook. Zij zijn Israëlieten? Ik ook. Zij zijn Abrahams zaad? Ik ook.
22آیاعبرانی هستند؟ من نیز هستم! اسرائیلی هستند؟ من نیز هستم! از ذریت ابراهیم هستند؟ من نیزمی باشم!
23Zij zijn dienaars van Christus? Ik spreek als een onwijze: Ik veel meer; in zwoegen veel meer, in gevangenschappen veel meer, in slagen overvloedig, in doodsgevaren heel vaak.
23آیا خدام مسیح هستند؟ چون دیوانه حرف میزنم، من بیشتر هستم! در محنتهاافزونتر، در تازیانهها زیادتر، در زندانها بیشتر، در مرگها مکرر.
24Van de Joden kreeg ik vijfmaal de veertig min één;
24از یهودیان پنج مرتبه از چهل یک کم تازیانه خوردم.
25driemaal ben ik met de roede gegeseld; ééns gestenigd; driemaal heb ik schipbreuk geleden; ééns een heel etmaal rondgezwalkt in het holle der zee.
25سه مرتبه مرا چوب زدند؛ یک دفعه سنگسار شدم؛ سه کرت شکسته کشتی شدم؛ شبانهروزی در دریا بسر بردم؛
26Op zwerftochten menigmaal, in gevaren van rivieren, gevaren van rovers, gevaren van eigen volk, gevaren van heidenen, gevaren in de stad, gevaren in de woestijn, gevaren op zee, gevaren onder valse broeders.
26درسفرها بارها؛ در خطرهای نهرها؛ در خطرهای دزدان؛ در خطرها از قوم خود و در خطرها ازامتها؛ در خطرها در شهر؛ در خطرها دربیابان؛ در خطرها در دریا؛ در خطرها در میان برادران کذبه؛
27Onder arbeid en zwoegen vaak zonder slaap, in honger en dorst, in vasten dikwijls, in koude en naaktheid.
27در محنت و مشقت، در بیخوابیها بارها؛ در گرسنگی و تشنگی، در روزهها بارها؛ در سرماو عریانی.
28En behalve de rest, de toeloop nog, dag in, dag uit; de zorg voor alle kerken.
28بدون آنچه علاوه بر اینها است، آن باری که هر روزه بر من است، یعنی اندیشه برای همه کلیساها.
29Wie is er zwak, en ik voel me niet zwak? Wie ondervindt ergernis, en ik gloei niet van toorn?
29کیست ضعیف که من ضعیف نمی شوم؟ که لغزش میخورد که من نمی سوزم؟
30Moet er geroemd worden, dan wil ik op mijn zwakheid gaan roemen.
30اگر فخر میباید کرد از آنچه به ضعف من تعلق دارد، فخر میکنم.
31Ik lieg niet; dat weet de God en Vader van den Heer Jesus, in eeuwigheid geprezen.
31خدا و پدر عیسی مسیح خداوند که تا به ابد متبارک است، میداند که دروغ نمی گویم.
32Toen ik in Damascus was, liet de stadhouder van koning Aretas de stad der Damascenen bewaken, om zich van me meester te maken;
32در دمشق، والی حارث پادشاه، شهر دمشقیان را برای گرفتن من محافظت مینمود.
33maar door een venster werd ik in een mand over de muur naar beneden gelaten, en zó ontkwam ik aan zijn handen.
33و مرا از دریچهای در زنبیلی از باره قلعه پایین کردند و از دستهای وی رستم.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.