Sirach 45
King James Version with ApocryphaTranslation
King James Version with Apocrypha
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1And he brought out of him a merciful man, which found favour in the sight of all flesh, even Moses, beloved of God and men, whose memorial is blessed.
1Uit hem liet Hij een man ontspruiten, Die genade vond in aller oog, Bemind bij God en bij de mensen: Moses, zijn gedachtenis blijve in ere!
2He made him like to the glorious saints, and magnified him, so that his enemies stood in fear of him.
2Want Hij eerde hem als een god, En maakte hem machtig door vreselijke werken.
3By his words he caused the wonders to cease, and he made him glorious in the sight of kings, and gave him a commandment for his people, and shewed him part of his glory.
3Op zijn woord geschiedden onmiddellijk wonderen; Zo maakte Hij hem sterk voor den vorst. Hij gaf hem geboden voor het volk, En liet hem zijn Glorie aanschouwen;
4He sanctified him in his faithfuless and meekness, and chose him out of all men.
4Om zijn trouw en zijn deemoed Koos Hij hem uit onder alle vlees.
5He made him to hear his voice, and brought him into the dark cloud, and gave him commandments before his face, even the law of life and knowledge, that he might teach Jacob his covenants, and Israel his judgments.
5Hij liet hem zijn eigen stem vernemen, Toen Hij hem binnenvoerde in de wolk; Hij legde de geboden in zijn hand, De wet des levens en der wijsheid, Om aan Jakob zijn wetten te leren, Zijn beschikkingen en voorschriften aan Israël.
6He exalted Aaron, an holy man like unto him, even his brother, of the tribe of Levi.
6Hij verhief Aäron, even heilig als hij, Zijn broeder uit de stam van Levi.
7An everlasting covenant he made with him and gave him the priesthood among the people; he beautified him with comely ornaments, and clothed him with a robe of glory.
7Hij sloot met hem een eeuwig verbond, En verleende hem een ereambt; Hij maakte hem gelukkig met zijn luister En bond hem buffelhoornen aan.
8He put upon him perfect glory; and strengthened him with rich garments, with breeches, with a long robe, and the ephod.
8Hij bekleedde hem met volle pracht, En tooide hem met kostelijke gewaden: Met heupkleed, onder- en opperkleed,
9And he compassed him with pomegranates, and with many golden bells round about, that as he went there might be a sound, and a noise made that might be heard in the temple, for a memorial to the children of his people;
9Rondom met granaten bezet. Met belletjes volop in het rond, Om te klingelen bij het gaan, En hun klank te doen horen in het heiligdom, Als een teken voor zijn volksgenoten.
10With an holy garment, with gold, and blue silk, and purple, the work of the embroiderer, with a breastplate of judgment, and with Urim and Thummim;
10Met een heilig gewaad van goud en blauw, En purper: een kunstgewrocht; Met de borsttas voor de orakelstenen, Uit scharlaken: een werk van weefkunst.
11With twisted scarlet, the work of the cunning workman, with precious stones graven like seals, and set in gold, the work of the jeweller, with a writing engraved for a memorial, after the number of the tribes of Israel.
11Met de edelstenen op de borsttas, Als een zegel gesneden, in goud gevat: Een gedachtenis, in letters gegrift, Voor al de stammen van Israël.
12He set a crown of gold upon the mitre, wherein was engraved Holiness, an ornament of honour, a costly work, the desires of the eyes, goodly and beautiful.
12Met de gouden diadeem op de mijter, De plaat, met het inschrift: “Aan Jahweh gewijd;” Een heerlijke luister en grootse statie, Een lust voor de ogen, volmaakte pracht.
13Before him there were none such, neither did ever any stranger put them on, but only his children and his children’s children perpetually.
13Vóór hem heeft zo iets nimmer bestaan, En zo zal in eeuwigheid geen onbevoegde zich kleden; Alleen voor zijn zonen werd het zo verordend, En zo zal het blijven van geslacht tot geslacht.
14Their sacrifices shall be wholly consumed every day twice continually.
14Zijn offer werd geheel verteerd, Bestendig, tweemaal iedere dag.
15Moses consecrated him, and anointed him with holy oil: this was appointed unto him by an everlasting covenant, and to his seed, so long as the heavens should remain, that they should minister unto him, and execute the office of the priesthood, and bless the people in his name.
15Moses stelde hem tot priester aan, En zalfde hem met heilige olie. Het werd voor hem een eeuwig verbond, En voor zijn geslacht, als de dagen des hemels: Om Hem te dienen, zijn priester te zijn, En zijn volk te zegenen met zijn Naam.
16He chose him out of all men living to offer sacrifices to the Lord, incense, and a sweet savour, for a memorial, to make reconciliation for his people.
16Uit alle levenden koos Hij hem uit, Om brandoffers en de beste stukken te offeren, Om geurige wierook en het reukoffer te branden, En om verzoening te verkrijgen voor zijn volk.
17He gave unto him his commandments, and authority in the statutes of judgments, that he should teach Jacob the testimonies, and inform Israel in his laws.
17Hij vertrouwde hem zijn geboden toe, En gaf hem macht over recht en wet: Om aan zijn volk de wet te leren, Het recht aan de kinderen van Israël.
18Strangers conspired together against him, and maligned him in the wilderness, even the men that were of Dathan’s and Abiron’s side, and the congregation of Core, with fury and wrath.
18Onbevoegden stonden tegen hem op Uit afgunst in de woestijn: De mannen van Datan en Abiram, En de bent van Kore in hevige twist.
19This the Lord saw, and it displeased him, and in his wrathful indignation were they consumed: he did wonders upon them, to consume them with the fiery flame.
19Maar Jahweh zag het en ziedde van woede, En verdelgde hen in gloeiende toorn; Een wonder zelfs wrochtte Hij tegen hen, En verteerde hen in zijn laaiend vuur.
20But he made Aaron more honourable, and gave him an heritage, and divided unto him the firstfruits of the increase; especially he prepared bread in abundance:
20Maar aan Aäron gaf Hij nog hoger luister, Door hem een eigen erfdeel te schenken; Hij gaf voor zijn onderhoud de heilige tienden, En de offers van Jahweh mochten zij eten.
21For they eat of the sacrifices of the Lord, which he gave unto him and his seed.
no verse 21 in this text
22Howbeit in the land of the people he had no inheritance, neither had he any portion among the people: for the Lord himself is his portion and inheritance.
22Maar in het land van het volk bezat hij geen deel, In hun midden kreeg hij geen erfgoed; Want Jahweh is zijn deel, Zijn erfgoed onder Israëls zonen.
23The third in glory is Phinees the son of Eleazar, because he had zeal in the fear of the Lord, and stood up with good courage of heart: when the people were turned back, and made reconciliation for Israel.
23Vervolgens Pinechas, de zoon van Elazar: Hij was de derde, die dit ambt bekleedde, Omdat hij voor den God van het heelal had geijverd, En in de bres was gesprongen voor zijn volk; Zijn hart had hem daartoe aangedreven, Om verzoening te verwerven voor Israëls kinderen.
24Therefore was there a covenant of peace made with him, that he should be the chief of the sanctuary and of his people, and that he and his posterity should have the dignity of the priesthood for ever:
24Daarom sloot Hij ook met hem een verbond, Een verbond van vrede, om het heiligdom te verzorgen, Zodat bij hem en bij zijn geslacht Het hogepriesterschap voor eeuwig zou blijven.
25According to the covenant made with David son of Jesse, of the tribe of Juda, that the inheritance of the king should be to his posterity alone: so the inheritance of Aaron should also be unto his seed.
25Het was dus een verbond als dat met David, Den zoon van Jesse, uit Juda's stam: Want zoals de erfenis des konings alleen overgaat op zijn zonen, Zo ook het erfdeel van Aäron op heel zijn geslacht. Zegent dus Jahweh, die zo goed voor u is, En die met luister u heeft gekroond!
26God give you wisdom in your heart to judge his people in righteousness, that their good things be not abolished, and that their glory may endure for ever.
26Hij moge u wijsheid des harten verlenen, Om zijn volk rechtvaardig te richten, Opdat uw geluk niet zal tanen, Noch uw macht tot in verre geslachten.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.