2 Maccabees 1

King James Version with Apocrypha
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1The brethren, the Jews that be at Jerusalem and in the land of Judea, wish unto the brethren, the Jews that are throughout Egypt health and peace:
1Aan de Joden in Egypte, onze broeders: heil! De Joodse broeders in Jerusalem en het land Judea wensen u vrede en welvaart.
2God be gracious unto you, and remember his covenant that he made with Abraham, Isaac, and Jacob, his faithful servants;
2Moge God u zegenen, en het verbond indachtig zijn, dat Hij sloot met Abraham, Isaäk en Jakob, zijn trouwe dienaars.
3And give you all an heart to serve him, and to do his will, with a good courage and a willing mind;
3Hij schenke u allen het verlangen, Hem te dienen en zijn geboden met grote toewijding en bereidwilligheid te onderhouden.
4And open your hearts in his law and commandments, and send you peace,
4Hij opene uw hart voor zijn wet en zijn geboden, en schenke u de vrede.
5And hear your prayers, and be at one with you, and never forsake you in time of trouble.
5Moge Hij uw gebeden verhoren, Zich met u verzoenen, en u niet verlaten in tijden van nood.
6And now we be here praying for you.
6Zo bidden wij hier voor u.
7What time as Demetrius reigned, in the hundred threescore and ninth year, we the Jews wrote unto you in the extremity of trouble that came upon us in those years, from the time that Jason and his company revolted from the holy land and kingdom,
7Onder de regering van koning Demétrius in het jaar 169. Wij, Joden, hebben u een brief geschreven in de uiterste nood, die in deze jaren over ons is gekomen, sinds Jáson en zijn aanhang van het heilige land en van het rijk zijn afgevallen.
8And burned the porch, and shed innocent blood: then we prayed unto the Lord, and were heard; we offered also sacrifices and fine flour, and lighted the lamps, and set forth the loaves.
8De hoofdingang werd in brand gestoken, en er werd onschuldig bloed vergoten. Toen baden wij tot den Heer, en werden verhoord. Wij brachten weer brand- en spijsoffers, staken de lampen aan en legden de toonbroden neer.
9And now see that ye keep the feast of tabernacles in the month Casleu.
9Viert ook gij dus de dagen van het loofhuttenfeest in de maand Kislew. Gegeven in het jaar 148.
10In the hundred fourscore and eighth year, the people that were at Jerusalem and in Judea, and the council, and Judas, sent greeting and health unto Aristobulus, king Ptolemeus’ master, who was of the stock of the anointed priests, and to the Jews that were in Egypt:
10De inwoners van Jerusalem en Judea, tezamen met de hoge raad en met Judas, aan Aristobúlus, den leermeester van koning Ptoleméus en afstammeling van het geslacht der gezalfde priesters, alsmede aan de Joden van Egypte: heil en voorspoed!
11Insomuch as God hath delivered us from great perils, we thank him highly, as having been in battle against a king.
11Door God uit grote gevaren gered, danken wij Hem vurig, dat wij zo krachtig tegen den koning konden optreden.
12For he cast them out that fought within the holy city.
12Hij toch was het, die de vijanden met geweld uit de heilige stad heeft verdreven.
13For when the leader was come into Persia, and the army with him that seemed invincible, they were slain in the temple of Nanea by the deceit of Nanea’s priests.
13Want toen de veldheer met zijn schijnbaar onweerstaanbaar leger in Perzië was aangekomen, werden zij in de tempel van Nána vermoord, omdat de priesters van Nána een list hadden gebruikt. Antiochus was daar namelijk met zijn vertrouwelingen heengetrokken,
14For Antiochus, as though he would marry her, came into the place, and his friends that were with him, to receive money in name of a dowry.
14onder voorwendsel van een huwelijk met de godin, maar in werkelijkheid, om de rijke schatten als huwelijksgift mee te nemen.
15Which when the priests of Nanea had set forth, and he was entered with a small company into the compass of the temple, they shut the temple as soon as Antiochus was come in:
15De Nánapriesters haalden dus de schatten te voorschijn, en Antiochus ging met een klein gevolg de tempelafsluiting binnen. Zodra hij echter binnen was, sloten zij de tempel,
16And opening a privy door of the roof, they threw stones like thunderbolts, and struck down the captain, hewed them in pieces, smote off their heads and cast them to those that were without.
16openden een geheime deur in het dak en wierpen stenen omlaag, waarmee zij den veldheer verpletterden. Zij hakten hen in stukken, en wierpen de afgesneden hoofden naar hen, die buiten stonden.
17Blessed be our God in all things, who hath delivered up the ungodly.
17Voor dit alles zij onze God geprezen, die de goddelozen in het verderf heeft gestort!
18Therefore whereas we are now purposed to keep the purification of the temple upon the five and twentieth day of the month Casleu, we thought it necessary to certify you thereof, that ye also might keep it, as the feast of the tabernacles, and of the fire, which was given us when Neemias offered sacrifice, after that he had builded the temple and the altar.
18Daar wij het plan hebben opgevat, op de vijf en twintigste Kislew de reiniging van de tempel te vieren, voelen wij ons verplicht, u dit mede te delen, opdat ook gij zowel het loofhutten- als het vuurfeest zoudt vieren, ter herinnering aan het feit, dat Nehemias de tempel en het brandofferaltaar weer opbouwde en offers opdroeg.
19For when our fathers were led into Persia, the priests that were then devout took the fire of the altar privily, and hid it in an hollow place of a pit without water, where they kept it sure, so that the place was unknown to all men.
19Want toen onze vaderen naar Perzië werden verbannen, namen de toenmalige vrome priesters in het geheim iets weg van het vuur van het brandofferaltaar, verborgen het in de diepte van een uitgedroogde put, en sloten het daar zo veilig weg, dat niemand iets van die plaats afwist.
20Now after many years, when it pleased God, Neemias, being sent from the king of Persia, did send of the posterity of those priests that had hid it to the fire: but when they told us they found no fire, but thick water;
20Maar toen het na verloop van veel lange jaren Gode behaagde, dat Nehemias door den koning van Perzië werd teruggezonden, ontbood deze de afstammelingen van de priesters, die het vuur hadden verborgen, en liet het hen zoeken. Zij deelden Nehemias echter mede, dat er geen vuur was te vinden, maar alleen drabbig water. Toch beval hij hun, er wat van te scheppen en het mee te brengen.
21Then commanded he them to draw it up, and to bring it; and when the sacrifices were laid on, Neemias commanded the priests to sprinkle the wood and the things laid thereupon with the water.
21En toen alles voor het offer gereed was, gaf Nehemias aan de priesters bevel, het hout, en wat daarop lag, met dit water te begieten. Dit gebeurde.
22When this was done, and the time came that the sun shone, which afore was hid in the cloud, there was a great fire kindled, so that every man marvelled.
22Maar zodra na enige tijd de zon, die tot dan toe door wolken bedekt was, hel begon te schijnen, laaiden er tot aller verbazing grote vlammen uit op. Terwijl nu het offer verteerde,
23And the priests made a prayer whilst the sacrifice was consuming, I say, both the priests, and all the rest, Jonathan beginning, and the rest answering thereunto, as Neemias did.
23begonnen de priesters en alle aanwezigen te bidden. Jochanan zette in, en de overigen antwoordden tezamen met Nehemias.
24And the prayer was after this manner; O Lord, Lord God, Creator of all things, who art fearful and strong, and righteous, and merciful, and the only and gracious King,
24Het gebed luidde als volgt: Jahweh, Heer en God, Schepper van alles; Ontzagwekkende en Machtige, Rechtvaardige en Barmhartige; Gij alleen zijt Koning en goed!
25The only giver of all things, the only just, almighty, and everlasting, thou that deliverest Israel from all trouble, and didst choose the fathers, and sanctify them:
25Gij alleen geeft het leven; Gij alleen zijt rechtvaardig, almachtig en eeuwig; Gij zijt het, die Israël redt uit alle nood, Die onze vaderen uitverkoren hebt en geheiligd.
26Receive the sacrifice for thy whole people Israel, and preserve thine own portion, and sanctify it.
26Wil dit offer aanvaarden, Dat voor heel Israël, uw volk, wordt gebracht; Wil uw erfdeel beschermen, En heilig het weer.
27Gather those together that are scattered from us, deliver them that serve among the heathen, look upon them that are despised and abhorred, and let the heathen know that thou art our God.
27Breng ons uit de verstrooiing bijeen, En verlos hen, die onder de heidenen dienen; Zie neer op die zijn versmaad en veracht; Laat de heidenen erkennen, dat Gij onze God zijt!
28Punish them that oppress us, and with pride do us wrong.
28Straf hen, die ons geweld aandoen, En die hoogmoedig ons honen;
29Plant thy people again in thy holy place, as Moses hath spoken.
29Maar plant uw volk weer op uw heilige plaats, Zoals Moses beloofd heeft!
30And the priests sung psalms of thanksgiving.
30Daarna zongen de priesters de gebruikelijke lofliederen.
31Now when the sacrifice was consumed, Neemias commanded the water that was left to be poured on the great stones.
31En nadat de offergaven geheel en al waren verbrand, liet Nehemias het overige water op grotere stenen uitgieten.
32When this was done, there was kindled a flame: but it was consumed by the light that shined from the altar.
32Toen dit gebeurd was, laaide er een vlam op, die echter door het opflikkerende altaarvuur werd verteerd.
33So when this matter was known, it was told the king of Persia, that in the place, where the priests that were led away had hid the fire, there appeared water, and that Neemias had purified the sacrifices therewith.
33Deze gebeurtenis werd overal bekend; en toen men ook den perzischen koning bericht had, dat er op de plaats, waar de verbannen priesters het vuur hadden verborgen, water te voorschijn was gekomen, waarmee Nehemias' mannen de offers hadden gewijd,
34Then the king, inclosing the place, made it holy, after he had tried the matter.
34liet de koning, na een onderzoek te hebben ingesteld, de plaats met een heining omringen en tot een heiligdom verklaren.
35And the king took many gifts, and bestowed thereof on those whom he would gratify.
35Bovendien nam de koning veel kostbare geschenken en gaf die aan de boden mee.
36And Neemias called this thing Naphthar, which is as much as to say, a cleansing: but many men call it Nephi.
36Nehemias' mannen noemden het water Néftar, wat reiniging betekent; bij de meesten heet het echter Néftai.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.