2 Maccabees 9
King James Version with ApocryphaTranslation
King James Version with Apocrypha
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1About that time came Antiochus with dishonour out of the country of Persia
1Het gebeurde ongeveer in dezelfde tijd, dat Antiochus met schade en schande uit de steden van Perzië moest wegtrekken.
2For he had entered the city called Persepolis, and went about to rob the temple, and to hold the city; whereupon the multitude running to defend themselves with their weapons put them to flight; and so it happened, that Antiochus being put to flight of the inhabitants returned with shame.
2Hij was namelijk de stad Persépolis binnengedrongen, en had pogingen aangewend, om de tempel leeg te plunderen en de stad in zijn macht te krijgen. Daarom had het volk als één man naar de wapenen gegrepen en de aanval afgeslagen. Antiochus werd door de inwoners op de vlucht gedreven en moest beschaamd de aftocht blazen.
3Now when he came to Ecbatane, news was brought him what had happened unto Nicanor and Timotheus.
3Toen hij zich nu op weg naar Ekbátana bevond, hoorde hij, wat er met Nikánor en het leger van Timóteus was gebeurd.
4Then swelling with anger. he thought to avenge upon the Jews the disgrace done unto him by those that made him flee. Therefore commanded he his chariotman to drive without ceasing, and to dispatch the journey, the judgment of God now following him. For he had spoken proudly in this sort, That he would come to Jerusalem and make it a common burying place of the Jews.
4En in razende woede maakte hij het plan, de schande van zijn vlucht op de Joden te wreken. Hij gaf dus aan zijn wagenmenner bevel, om aan één stuk door te rijden, en een einde te maken aan de tocht. Maar de straf van de hemel achterhaalde hem. Want in zijn overmoed had hij nog gezegd: Ik maak van Jerusalem een jodenbegraafplaats, zodra ik er ben.
5But the Lord Almighty, the God of Israel, smote him with an incurable and invisible plague: or as soon as he had spoken these words, a pain of the bowels that was remediless came upon him, and sore torments of the inner parts;
5De alziende Heer, de God van Israël, sloeg hem met een ongeneeslijke en onbekende kwaal. Want nauwelijks had hij opgehouden te spreken, of hij kreeg een onuitstaanbare ziekte in de ingewanden en ontzettende inwendige pijnen.
6And that most justly: for he had tormented other men’s bowels with many and strange torments.
6Dit was inderdaad zijn verdiende loon, omdat hij anderen met allerlei doortrapte folteringen in hun binnenste had gekweld.
7Howbeit he nothing at all ceased from his bragging, but still was filled with pride, breathing out fire in his rage against the Jews, and commanding to haste the journey: but it came to pass that he fell down from his chariot, carried violently; so that having a sore fall, all the members of his body were much pained.
7Toch legde hij zijn hoogmoed niet af, maar bleef trots als te voren. In zijn woede spuwde hij vuur en vlam tegen de Joden, en gaf hij bevel, nog sneller te rijden. Toen viel hij in zijn duizelingwekkende vaart opeens zo ongelukkig van de wagen, dat hij al zijn ledematen verrekte.
8And thus he that a little afore thought he might command the waves of the sea, (so proud was he beyond the condition of man) and weigh the high mountains in a balance, was now cast on the ground, and carried in an horselitter, shewing forth unto all the manifest power of God.
8En de man, die in zijn onmenselijke hoogmoed zo even nog meende, de golven der zee te kunnen bedwingen, en de hoogste bergen op een schaal te kunnen wegen, lag nu neergesmakt op de grond, en moest in een draagstoel worden vervoerd, als een voor allen duidelijk bewijs van Gods macht.
9So that the worms rose up out of the body of this wicked man, and whiles he lived in sorrow and pain, his flesh fell away, and the filthiness of his smell was noisome to all his army.
9Ten leste kropen er wormen uit het lichaam van den onverlaat, en onder afschuwelijke pijnen ging zijn vlees nog bij zijn leven tot ontbinding over, zodat de hele legerplaats door, de stank van zijn verrottend lichaam verpest werd.
10And the man, that thought a little afore he could reach to the stars of heaven, no man could endure to carry for his intolerable stink.
10Bij den man, die kort te voren nog meende, de sterren des hemels te kunnen grijpen, kon niemand het meer uithouden door de ondragelijke stank.
11Here therefore, being plagued, he began to leave off his great pride, and to come to the knowledge of himself by the scourge of God, his pain increasing every moment.
11Eindelijk begon hij in de nood zijn hoogmoed ernstig in te binden, en door Gods geselslagen gedwongen, daar de pijnen elk ogenblik nog erger werden, kwam hij tot inkeer.
12And when he himself could not abide his own smell, he said these words, It is meet to be subject unto God, and that a man that is mortal should not proudly think of himself if he were God.
12Toen hij tenslotte zijn eigen stank niet kon verdragen, zeide hij: Het voegt, dat men zich voor God vernedert, en dat een sterfelijk mens zich geen goddelijke macht aanmatigt.
13This wicked person vowed also unto the Lord, who now no more would have mercy upon him, saying thus,
13En de onverlaat deed aan den Heer, die Zich niet meer over hem zou ontfermen, de gelofte,
14That the holy city (to the which he was going in haste to lay it even with the ground, and to make it a common buryingplace,) he would set at liberty:
14dat hij de vrijheid zou erkennen van de heilige stad, waarheen hij ijlings op reis was, om haar met de grond gelijk te maken en in een begraafplaats te veranderen.
15And as touching the Jews, whom he had judged not worthy so much as to be buried, but to be cast out with their children to be devoured of the fowls and wild beasts, he would make them all equals to the citizens of Athens:
15Ook zou hij alle Joden, die hij zelfs geen begrafenis had waardig gekeurd, maar die hij met hun kinderen als aas voor de roofvogels en wilde dieren had willen werpen, met de burgers van Athene gelijkstellen.
16And the holy temple, which before he had spoiled, he would garnish with goodly gifts, and restore all the holy vessels with many more, and out of his own revenue defray the charges belonging to the sacrifices:
16De tempel, die hij vroeger had leeggeplunderd, zou hij met de prachtigste wijgeschenken versieren, de heilige vaten ruimschoots vergoeden, en bovendien de onkosten voor de offers uit eigen middelen bestrijden.
17Yea, and that also he would become a Jew himself, and go through all the world that was inhabited, and declare the power of God.
17Ja, hij zou zelfs jood willen worden, en de gehele bewoonde wereld willen rondtrekken, om Gods macht te verkondigen.
18But for all this his pains would not cease: for the just judgment of God was come upon him: therefore despairing of his health, he wrote unto the Jews the letter underwritten, containing the form of a supplication, after this manner:
18Maar toen de pijnen in het geheel niet verminderden, daar Gods rechtvaardig vonnis zich aan hem had voltrokken, en hij zichzelf geen hoop meer kon geven, schreef hij aan de Joden de volgende brief, die eerder op een smeekschrift geleek, en aldus luidde:
19Antiochus, king and governor, to the good Jews his citizens wisheth much joy, health, and prosperity:
19Antiochus, koning en veldheer, zendt aan zijn uitstekende onderdanen, de Joden, veel groeten en wenst hun gezondheid en welvaart.
20If ye and your children fare well, and your affairs be to your contentment, I give very great thanks to God, having my hope in heaven.
20Wanneer het u en uw kinderen goed gaat en alles bij u naar wens verloopt, dan dank ik daar God allerhartelijkst voor. Want op de Hemel is mijn hoop gevestigd.
21As for me, I was weak, or else I would have remembered kindly your honour and good will returning out of Persia, and being taken with a grievous disease, I thought it necessary to care for the common safety of all:
21Aan mijn legerstede gekluisterd, denk ik in tedere liefde aan de hoogachting en welwillendheid, welke gij mij toedraagt. Toen ik uit de streken van Perzië terugkeerde, werd ik door een ernstige ziekte overvallen, waarom ik het nodig oordeel, maatregelen te nemen voor de algemene veiligheid.
22Not distrusting mine health, but having great hope to escape this sickness.
22Wel wanhoop ik nog niet aan mijn herstel, en heb zelfs de beste verwachtingen, dat ik deze ziekte te boven zal komen.
23But considering that even my father, at what time he led an army into the high countries. appointed a successor,
23Maar toch bedenk ik, hoe mijn vader, bij gelegenheid van zijn veldtocht in de noordelijke streken, een opvolger aanwees,
24To the end that, if any thing fell out contrary to expectation, or if any tidings were brought that were grievous, they of the land, knowing to whom the state was left, might not be troubled:
24opdat als er iets onverwachts mocht gebeuren of iets hachelijks mocht geschieden, de bewoners van het land niet verontrust zouden worden, daar zij wisten, aan wien de regering was overgedragen.
25Again, considering how that the princes that are borderers and neighbours unto my kingdom wait for opportunities, and expect what shall be the event. I have appointed my son Antiochus king, whom I often committed and commended unto many of you, when I went up into the high provinces; to whom I have written as followeth:
25Tevens bedenk ik, hoe de vorsten uit de omtrek en in de nabuurstaten op het gunstigste ogenblik zitten te wachten en de afloop van mijn ziekte bespieden. Met het oog op dit alles wijs ik bij deze mijn zoon Antiochus als koning aan. Ik heb hem reeds meermalen, tijdens mijn tochten in de noordelijke streken, vol vertrouwen bij de meesten van u aanbevolen. Hem heb ik de brief geschreven, die ik hierbij insluit.
26Therefore I pray and request you to remember the benefits that I have done unto you generally, and in special, and that every man will be still faithful to me and my son.
26Ik verzoek u nu dringend, te willen bedenken, hoeveel goedheid ik u heb bewezen in het algemeen en in het bizonder, en allen te blijven volharden in uw goede gezindheid jegens mij en mijn zoon.
27For I am persuaded that he understanding my mind will favourably and graciously yield to your desires.
27Ik ben er van overtuigd, dat hij mijn richtlijnen mild en menslievend zal volgen, en in goede verstandhouding met u zal leven.
28Thus the murderer and blasphemer having suffered most grievously, as he entreated other men, so died he a miserable death in a strange country in the mountains.
28Zo stierf deze moordenaar en godslasteraar onder ontzettende pijnen, juist zoals hij anderen had aangedaan, een jammerlijke dood in de bergen, en ver in den vreemde.
29And Philip, that was brought up with him, carried away his body, who also fearing the son of Antiochus went into Egypt to Ptolemeus Philometor.
29Zijn lijk werd begraven door zijn gunsteling Filippus, die daarop, uit vrees voor Antiochus' zoon, de vlucht nam naar Ptoleméus Filómetor in Egypte.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.