ΜΑΚΚΑΒΑΙΩΝ Δ 9
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Τί μέλλεις, ὦ τύραννε; ἕτοιμοι γάρ ἐσμεν ἀποθνήσκειν ἢ παραβαίνειν τὰς πατρίους ἡμῶν ἐντολάς·
1Het gebeurde ongeveer in dezelfde tijd, dat Antiochus met schade en schande uit de steden van Perzië moest wegtrekken.
2αἰσχυνόμεθα γὰρ τοὺς προγόνους ἡμῶν εἰκότως, εἰ μὴ τῇ τοῦ νόμου εὐπειθείᾳ καὶ συμβούλῳ Μωσῇ χρησαίμεθα.
2Hij was namelijk de stad Persépolis binnengedrongen, en had pogingen aangewend, om de tempel leeg te plunderen en de stad in zijn macht te krijgen. Daarom had het volk als één man naar de wapenen gegrepen en de aanval afgeslagen. Antiochus werd door de inwoners op de vlucht gedreven en moest beschaamd de aftocht blazen.
3σύμβουλε τύραννε παρανομίας, μὴ ἡμᾶς μισῶν ὑπὲρ αὐτοὺς ἡμᾶς ἐλέει.
3Toen hij zich nu op weg naar Ekbátana bevond, hoorde hij, wat er met Nikánor en het leger van Timóteus was gebeurd.
4χαλεπώτερον γὰρ αὐτοῦ τοῦ θανάτου νομίζομεν εἶναί σου τὸν ἐπὶ τῇ παρανόμῳ σωτηρίᾳ ἡμῶν ἔλεον.
4En in razende woede maakte hij het plan, de schande van zijn vlucht op de Joden te wreken. Hij gaf dus aan zijn wagenmenner bevel, om aan één stuk door te rijden, en een einde te maken aan de tocht. Maar de straf van de hemel achterhaalde hem. Want in zijn overmoed had hij nog gezegd: Ik maak van Jerusalem een jodenbegraafplaats, zodra ik er ben.
5ἐκφοβεῖς δὲ ἡμᾶς τὸν διὰ τῶν βασάνων ἡμῖν θάνατον ἀπειλῶν, ὥσπερ οὐχὶ πρὸ βραχέος παρὰ Ἐλεαζάρου μαθών.
5De alziende Heer, de God van Israël, sloeg hem met een ongeneeslijke en onbekende kwaal. Want nauwelijks had hij opgehouden te spreken, of hij kreeg een onuitstaanbare ziekte in de ingewanden en ontzettende inwendige pijnen.
6εἰ δ' οἱ γέροντες τῶν Ἑβραίων διὰ τὴν εὐσέβειαν καὶ βασανισμοὺς ὑπομείναντες εὐσέβησαν, ἀποθάνοιμεν ἂν δικαιότερον ἡμεῖς οἱ νέοι, τὰς βασάνους τῶν σῶν ἀναγκῶν ὑπεριδόντες, ἃς καὶ ὁ παιδευτὴς ἡμῶν γέρων ἐνίκησε.
6Dit was inderdaad zijn verdiende loon, omdat hij anderen met allerlei doortrapte folteringen in hun binnenste had gekweld.
7πείραζε τοιγαροῦν, τύραννε· καὶ τὰς ἡμῶν ψυχὰς εἰ θανατώσεις διὰ τὴν εὐσέβειαν, μὴ νομίσῃς ἡμᾶς βλάπτειν βασανίζων.
7Toch legde hij zijn hoogmoed niet af, maar bleef trots als te voren. In zijn woede spuwde hij vuur en vlam tegen de Joden, en gaf hij bevel, nog sneller te rijden. Toen viel hij in zijn duizelingwekkende vaart opeens zo ongelukkig van de wagen, dat hij al zijn ledematen verrekte.
8ἡμεῖς μὲν γὰρ διὰ τῆσδε τῆς κακοπαθείας καὶ ὑπομονῆς τὰ τῆς ἀρετῆς ἆθλα ἕξομεν καὶ ἐσόμεθα παρά Θεῷ, δι' ὃν καὶ πάσχομεν·
8En de man, die in zijn onmenselijke hoogmoed zo even nog meende, de golven der zee te kunnen bedwingen, en de hoogste bergen op een schaal te kunnen wegen, lag nu neergesmakt op de grond, en moest in een draagstoel worden vervoerd, als een voor allen duidelijk bewijs van Gods macht.
9σὺ δὲ διὰ τὴν ἡμῶν μιαιφονίαν αὐτάρκη καρτερήσεις ὑπὸ τῆς θείας δίκης αἰώνιον βάσανον διὰ πυρός.
9Ten leste kropen er wormen uit het lichaam van den onverlaat, en onder afschuwelijke pijnen ging zijn vlees nog bij zijn leven tot ontbinding over, zodat de hele legerplaats door, de stank van zijn verrottend lichaam verpest werd.
10Ταῦτα αὐτῶν εἰπόντων, οὐ μόνον ὡς κατὰ ἀπειθούντων ἐχαλέπαινεν ὁ τύραννος, ἀλλ' ὡς καὶ κατὰ ἀχαρίστων ὠργίσθη.
10Bij den man, die kort te voren nog meende, de sterren des hemels te kunnen grijpen, kon niemand het meer uithouden door de ondragelijke stank.
11ὅθεν τὸν πρεσβύτατον αὐτῶν κελευθέντες παρήγαγον οἱ ὑπασπισταὶ καὶ διαρρήξαντες τὸν χιτῶνα διέδησαν τὰς χεῖρας αὐτοῦ καὶ τοὺς βραχίονας ἱμᾶσιν ἑκατέρωθεν.
11Eindelijk begon hij in de nood zijn hoogmoed ernstig in te binden, en door Gods geselslagen gedwongen, daar de pijnen elk ogenblik nog erger werden, kwam hij tot inkeer.
12ὡς δὲ τύπτοντες ταῖς μάστιξιν ἐκοπίασαν μηδὲν ἀνύοντες, ἀνέβαλον αὐτὸν ἐπὶ τὸν τροχόν.
12Toen hij tenslotte zijn eigen stank niet kon verdragen, zeide hij: Het voegt, dat men zich voor God vernedert, en dat een sterfelijk mens zich geen goddelijke macht aanmatigt.
13περὶ ὃν κατατεινόμενος ὁ εὐγενὴς νεανίας ἔξαρθρος ἐγίνετο.
13En de onverlaat deed aan den Heer, die Zich niet meer over hem zou ontfermen, de gelofte,
14καὶ κατὰ πᾶν μέλος κλώμενος ἐκακηγόρει λέγων·
14dat hij de vrijheid zou erkennen van de heilige stad, waarheen hij ijlings op reis was, om haar met de grond gelijk te maken en in een begraafplaats te veranderen.
15τύραννε μιαρώτατε καὶ τῆς οὐρανίου δίκης ἐχθρὲ καὶ ὠμόφρον, οὐκ ἀνδροφονήσαντά με τοῦτον καταικίζεις τὸν τρόπον, οὐδὲ ἀσεβήσαντα, ἀλλὰ θείου νόμου προασπίζοντα.
15Ook zou hij alle Joden, die hij zelfs geen begrafenis had waardig gekeurd, maar die hij met hun kinderen als aas voor de roofvogels en wilde dieren had willen werpen, met de burgers van Athene gelijkstellen.
16καὶ τῶν δορυφόρων λεγόντων· ὁμολόγησον φαγεῖν, ὅπως ἀπαλλαγῇς τῶν βασάνων,
16De tempel, die hij vroeger had leeggeplunderd, zou hij met de prachtigste wijgeschenken versieren, de heilige vaten ruimschoots vergoeden, en bovendien de onkosten voor de offers uit eigen middelen bestrijden.
17αὐτὸς εἶπεν αὐτοῖς· οὐχ οὕτως ἰσχυρὸς ὑμῶν ἐστιν ὁ τροχός, ᾦ μιαροὶ διάκονοι, ὥστε μου τὸν λογισμὸν ἄγξαι· τέμνετέ μου τὰ μέλη καὶ πυροῦτε τὰς σάρκας καὶ στρεβλοῦτε τὰ ἄρθρα.
17Ja, hij zou zelfs jood willen worden, en de gehele bewoonde wereld willen rondtrekken, om Gods macht te verkondigen.
18διὰ πασῶν γὰρ ὑμᾶς πείσω τῶν βασάνων, ὅτι μόνοι παῖδες Ἑβραίων ὑπὲρ ἀρετῆς εἰσιν ἀνίκητοι.
18Maar toen de pijnen in het geheel niet verminderden, daar Gods rechtvaardig vonnis zich aan hem had voltrokken, en hij zichzelf geen hoop meer kon geven, schreef hij aan de Joden de volgende brief, die eerder op een smeekschrift geleek, en aldus luidde:
19ταῦτα λέγοντι πῦρ ὑπέστρωσαν καὶ διηρέθισαν τὸν τροχὸν προσεπικατατείνοντες·
19Antiochus, koning en veldheer, zendt aan zijn uitstekende onderdanen, de Joden, veel groeten en wenst hun gezondheid en welvaart.
20ἐμολύνετο δὲ πάντοθεν αἵματι ὁ τροχός, καὶ ὁ σωρὸς τῆς ἀνθρακιᾶς τῆς τῶν ἰχώρων ἐσβέννυτο σταλαγμοῖς, καὶ περὶ τοὺς ἄξονας τοῦ ὀργάνου περιέρρεον αἱ σάρκες.
20Wanneer het u en uw kinderen goed gaat en alles bij u naar wens verloopt, dan dank ik daar God allerhartelijkst voor. Want op de Hemel is mijn hoop gevestigd.
21καὶ περιτετμημένον ἤδη ἔχων τὸ τῶν ὀστέων πῆγμα ὁ μεγαλόφρων καὶ Ἁβραμιαῖος νεανίας οὐκ ἐστέναξεν.
21Aan mijn legerstede gekluisterd, denk ik in tedere liefde aan de hoogachting en welwillendheid, welke gij mij toedraagt. Toen ik uit de streken van Perzië terugkeerde, werd ik door een ernstige ziekte overvallen, waarom ik het nodig oordeel, maatregelen te nemen voor de algemene veiligheid.
22ἀλλ' ὥσπερ ἐν πυρὶ μετασχηματιζόμενος εἰς ἀφθαρσίαν, ὑπέμεινεν εὐγενῶς τὰς στρέβλας·
22Wel wanhoop ik nog niet aan mijn herstel, en heb zelfs de beste verwachtingen, dat ik deze ziekte te boven zal komen.
23μιμήσασθέ με, ἀδελφοί, λέγων, μή μου τὸν αἰῶνα λιποτακτήσητε μηδ' ἐξομόσησθέ μου τὴν τῆς εὐψυχίας ἀδελφότητα· ἱερὰν καὶ εὐγενῆ στρατείαν στρατεύσασθε ὑπὲρ τῆς εὐσεβείας,
23Maar toch bedenk ik, hoe mijn vader, bij gelegenheid van zijn veldtocht in de noordelijke streken, een opvolger aanwees,
24δι' ἧς ἵλεως ἡ δικαία καὶ πάτριος ἡμῶν πρόνοια τῷ ἔθνει γενηθεῖσα τιμωρήσειεν τὸν ἀλάστορα τύραννον·
24opdat als er iets onverwachts mocht gebeuren of iets hachelijks mocht geschieden, de bewoners van het land niet verontrust zouden worden, daar zij wisten, aan wien de regering was overgedragen.
25καὶ ταῦτα εἰπὼν ὁ ἱεροπρεπὴς νεανίας ἀπέρρηξε τὴν ψυχήν.
25Tevens bedenk ik, hoe de vorsten uit de omtrek en in de nabuurstaten op het gunstigste ogenblik zitten te wachten en de afloop van mijn ziekte bespieden. Met het oog op dit alles wijs ik bij deze mijn zoon Antiochus als koning aan. Ik heb hem reeds meermalen, tijdens mijn tochten in de noordelijke streken, vol vertrouwen bij de meesten van u aanbevolen. Hem heb ik de brief geschreven, die ik hierbij insluit.
26Θαυμασάντων δὲ πάντων τὴν καρτεροψυχίαν αὐτοῦ, ἦγον οἱ δορυφόροι τὸν καθ' ἡλικίαν τοῦ προτέρου δεύτερον καὶ σιδηρᾶς ἐναρμοσάμενοι χεῖρας ὀξέσι τοῖς ὄνυξιν ὀργάνῳ καὶ καταπέλτῃ προσέδησαν αὐτόν.
26Ik verzoek u nu dringend, te willen bedenken, hoeveel goedheid ik u heb bewezen in het algemeen en in het bizonder, en allen te blijven volharden in uw goede gezindheid jegens mij en mijn zoon.
27ὡς δὲ εἰ φαγεῖν βούλοιτο πρὶν βασανίζεσθαι πυνθανόμενοι τὴν εὐγενῆ γνώμην ἤκουσαν,
27Ik ben er van overtuigd, dat hij mijn richtlijnen mild en menslievend zal volgen, en in goede verstandhouding met u zal leven.
28ἀπὸ τῶν τενόντων ταῖς σιδηραῖς χερσὶν ἐπισπασάμενοι μέχρι γε τῶν γενείων τὴν σάρκα πᾶσαν καὶ τὴν τῆς κεφαλῆς δορὰν οἱ παρδάλειοι θῆρες ἀπέσυραν.
28Zo stierf deze moordenaar en godslasteraar onder ontzettende pijnen, juist zoals hij anderen had aangedaan, een jammerlijke dood in de bergen, en ver in den vreemde.
29ὁ δὲ ταύτην βαρέως τὴν ἀλγηδόνα καρτερῶν ἔλεγεν· ὡς ἡδὺς πᾶς τρόπος θανάτου διὰ τὴν πάτριον ἡμῶν εὐσέβειαν· ἔφη τε πρὸς τὸν τύραννον·
29Zijn lijk werd begraven door zijn gunsteling Filippus, die daarop, uit vrees voor Antiochus' zoon, de vlucht nam naar Ptoleméus Filómetor in Egypte.
30οὐ δοκεῖς πάντων ὠμότατε τύραννε, πλεῖον ἐμοῦ σε νῦν βασανίζεσθαι ὁρῶν σου νικώμενον τὸν τῆς τυρανίδος ὑπερήφανον λογισμὸν ὑπὸ τῆς διὰ τὴν εὐσέβειαν ἡμῶν ὑπομονῆς;
no verse 30 in this text
31ἐγὼ μὲν γὰρ ταῖς διὰ τὴν ἀρετὴν ἡδοναῖς τὸν πόνον ἐπικουφίζομαι,
no verse 31 in this text
32σὺ δὲ ἐν ταῖς τῆς ἀσεβείας ἀπειλαῖς βασανίζῃ. οὐκ ἐκφεύξῃ δέ, μιαρώτατε τύραννε, τὰς τῆς θείας ὀργῆς δίκας.
no verse 32 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.