ΜΑΚΚΑΒΑΙΩΝ Δ 8
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Διὰ τοῦτό γέ τοι καὶ μειρακίσκοι τῷ τῆς εὐσεβείας λογισμῷ φιλοσοφοῦντες χαλεπωτέρων βασανιστηρίων ἐπεκράτησαν.
1Ondertussen gingen Judas de Makkabeër en zijn aanhang in het geheim de dorpen af, riepen hun verwanten op, verzamelden allen, die het jodendom waren trouw gebleven, en brachten zo ongeveer zesduizend man op de been.
2ἐπειδὴ γὰρ κατά τὴν πρώτην πεῖραν ἐνικήθη περιφανῶς ὁ τύραννος μὴ δυνηθεὶς ἀναγκάσαι γέροντα μιαροφαγῆσαι, τότε δὴ σφόδρα περιπαθῶς ἐκέλευσεν ἄλλους ἐκ τῆς ἡλικίας τῶν Ἑβραίων ἀγαγεῖν, καὶ εἰ μὲν μιαροφαγήσαιεν, ἀπολύειν φαγόντας, εἰ δὲ ἀντιλέγοιεν, πικρότερον βασανίζειν.
2Zij smeekten den Heer, dat Hij zou neerzien op het volk, dat van alle kanten in het nauw was gedreven, en Zich zou ontfermen over de tempel, die door de goddelozen was onteerd;
3ταῦτα διαταξαμένου τοῦ τυράννου, παρῆσαν ἀγόμενοι μετὰ γηραιᾶς μητρὸς ἑπτὰ ἀδελφοί, καλοί τε καὶ αἰδήμονες καὶ γενναῖοι καὶ ἐν παντὶ χαρίεντες.
3dat Hij medelijden zou hebben met de stad, die op het punt stond, aan de vernietiging en de ondergang te worden prijsgegeven, en dat Hij zou luisteren naar het om wraak roepende bloed;
4οὓς ἰδὼν ὁ τύραννος καθάπερ ἐν χορῷ περιέχοντας μέσην τὴν μητέρα, ἥσθη ἐπ' αὐτοῖς καὶ τῆς εὐπρεπείας ἐκπλαγεὶς καὶ τῆς εὐγενείας, προσεμειδίασεν αὐτοῖς καὶ πλησίον καλέσας ἔφη.
4dat Hij zou denken aan het meedogenloos vermoorden van onschuldige kinderen en aan de godslasteringen tegen zijn Naam, en er wraak op zou nemen.
5ὦ νεανίαι, φιλοφρόνως ἐγὼ καθ' ἑνὸς ἑκάστου ὑμῶν θαυμάζω, τὸ κάλλος καὶ τὸ πλῆθος τοσούτων ἀδελφῶν ὑπερτιμῶν, οὐ μόνον συμβουλεύω μὴ μανῆναι τὴν αὐτὴν τῷ προβασανισθέντι γέροντι μανίαν, ἀλλὰ καὶ παρακαλῶ συνείξαντάς μου τῇ συμβουλίᾳ τῆς ἐμῆς ἀπολαῦσαι φιλίας·
5Toen de Makkabeër zo zijn leger bijeen had gebracht, konden de heidenen weldra niet meer tegen hen op, omdat de toorn des Heren in barmhartigheid was verkeerd.
6δυναίμην δ' ἂν ὥσπερ κολάζειν τοὺς ἀπειθοῦντάς μου τοῖς ἐπιτάγμασιν, οὕτως καὶ εὐεργετεῖν τοὺς εὐπειθοῦντάς μοι.
6Onverwacht viel hij steden en dorpen aan, en stak ze in brand; en daar hij gunstig gelegen stellingen veroverde, wist hij een niet gering aantal vijanden op de vlucht te jagen.
7πεισθέντες οὖν μοι καὶ ἀρχὰς καὶ ἐπὶ τῶν ἐμῶν πραγμάτων ἡγεμονίας λήψεσθε, ἀρνησάμενοι τὸν πάτριον ὑμῶν τῆς πολιτείας θεσμόν·
7Voor dergelijke overvallen gebruikte hij bij voorkeur de nacht. Zo kwam het, dat de roep van zijn dapperheid zich alom verspreidde.
8καὶ μεταλαβόντες ἑλληνικοῦ βίου καὶ μεταδιαιτηθέντες ἐντρυφήσατε ταῖς νεότησιν ὑμῶν·
8Toen Filippus zag, dat de man in korte tijd grote vorderingen maakte, en dat hij, aangemoedigd door het succes, hoe langer hoe meer ondernam, schreef hij Ptoleméus, den stadhouder van Celesyrië en Fenicië, een brief, en verzocht hem, de zaak van den koning te steunen.
9ἐπεὶ ἐὰν ὀργίλως με διάθησθε διὰ τῆς ἀπειθείας ὑμῶν, ἀναγκάσετέ με ἐπὶ δειναῖς κολάσεσιν ἕνα ἕκαστον ὑμῶν διὰ τῶν βασάνων ἀπολέσαι.
9Dadelijk ontbood deze Nikánor, den zoon van Pátroklos, en een van zijn eerste vertrouwelingen, en zond hem met een leger van niet minder dan twintigduizend man uit alle mogelijke volksstammen aangeworven, om het gehele joodse volk te vernietigen; bovendien gaf hij hem Górgias mee, een veldheer van grote strategische ervaring.
10κατελεήσατε οὖν ἑαυτούς, οὓς καὶ ὁ πολέμιος ἔγωγε καὶ τῆς ἡλικίας καὶ τῆς εὐμορφίας οἰκτείρομαι.
10Nikánor had zich voorgesteld, aan den koning het gehele bedrag van tweeduizend talenten, dat deze als schatting aan de Romeinen schuldig was, te kunnen aanbieden door joodse krijgsgevangenen te verkopen.
11οὐ διαλογιεῖσθε τοῦτο, ὅτι οὐδὲν ὑμῖν ἀπειθήσασι πλὴν τοῦ μετὰ στρεβλῶν ἀποθανεῖν ἀπόκειται;
11Daarom liet hij terstond de kustplaatsen waarschuwen, dat er joodse slaven te koop waren, en beloofde, negentig stuks voor één talent te zullen leveren. Want hij had niet het flauwste vermoeden, met welke zware straf de Allerhoogste hem spoedig zou treffen.
12Ταῦτα δὲ λέγων ἐκέλευσεν εἰς τὸ ἔμπροσθεν προτεθεῖναι τὰ βασανιστήρια, ὅπως καὶ διὰ τοῦ φόβου πείσειεν αὐτοὺς μιαροφαγῆσαι.
12Toen Judas het bericht vernam, dat Nikánor oprukte, en zijn aanhang de tijding deed, dat het leger in aantocht was,
13ὡς δὲ τροχούς τε καὶ ἀρθρέμβολα, στρεβλωτήριά τε καὶ τροχαντῆρας καὶ καταπέλτας καὶ λέβητας, τήγανά τε καὶ δακτυλήθρας καὶ χεῖρας σιδηρᾶς καὶ σφῆνας καὶ τὰ ζώπυρα τοῦ πυρὸς οἱ δορυφόροι προέθεσαν, ὑπολαβὼν ὁ τύραννος ἔφη·
13liepen de kleinmoedigen en die niet op Gods gerechtigheid vertrouwden, weg en maakten zich uit de voeten.
14μειράκια φοβήθητε, καὶ ἣν σέβεσθε δίκην, ἵλεως ὑμῖν ἔσται δι' ἀνάγκην παρανομήσασιν.
14De overigen verkochten wat ze nog hadden, en smeekten tevens den Heer, dat Hij hen zou bevrijden van den goddelozen Nikánor, die hen reeds vóór de strijd had verkocht.
15οἱ δὲ ἀκούσαντες ἐπαγωγὰ καὶ ὁρῶντες δεινά, οὐ μόνον οὐκ ἐφοβήθησαν, ἀλλὰ καὶ ἀντεφιλοσόφησαν τῷ τυράννῳ καὶ διὰ τῆς εὐλογιστίας τὴν τυραννίδα αὐτοῦ κατέλυσαν.
15En zo Hij dit niet ter wille van hen zelf wilde doen, dan toch terwille van het verbond met de vaderen en van zijn eigen heerlijke en verheven Naam, die zij droegen!
16καί τοι λογισώμεθα· εἰ δειλόψυχοί τινες ἦσαν καὶ ἄνανδροι ἐν αὐτοῖς, ποίοις ἂν ἐχρήσαντο λόγοις; οὐχὶ τούτοις;
16Toen de Makkabeër dus zijn troepen ten getale van zesduizend man had verzameld, vermaande hij hen, niet bang te zijn voor den vijand, en de moed niet op te geven tegenover het grote aantal heidenen, die zonder schijn van recht tegen hen oprukten. Neen, zij moesten dapper strijden,
17ᾦ τάλανες ἡμεῖς καὶ λίαν ἀνόητοι· βασιλέως ἡμᾶς παρακαλοῦντος καὶ ἐπὶ εὐεργεσίᾳ φωνοῦντος, μὴ πεισθείημεν αὐτῷ,
17en er aan blijven denken, hoe goddeloos en brutaal de heidenen tegen de heilige plaats waren opgetreden, welke gruwelen zij in de geteisterde stad hadden bedreven, en hoe zij bovendien de eeuwenoude staatsinrichting hadden afgeschaft.
18εἰ βουλήμασι κενοῖς ἑαυτοὺς εὐφραίνομεν καὶ θανατηφόρον ἀπείθειαν τολμῶμεν;
18En hij vervolgde: Zij steunen op hun wapenen en hun waaghalzerij, maar wij vertrouwen op den almachtigen God, die niet alleen onze vijanden, maar zelfs de gehele aarde met één wenk kan vernietigen.
19οὐ φοβησόμεθα, ἄνδρες ἀδελφοί, τὰ βασανιστήρια καὶ λογιούμεθα τὰς τῶν βασάνων ἀπειλὰς καὶ φευξόμεθα τὴν κενοδοξίαν ταύτην καὶ ὀλεθροφόρον ἀλαζονείαν;
19Daarbij herinnerde hij hen aan de hulp, die hun vaderen hadden ondervonden: hoe onder Sinacherib honderd vijf en tachtigduizend man waren gevallen,
20ἐλεήσωμεν τὰς ἑαυτῶν ἡλικίας καὶ κατοικτείρωμεν τὸ τῆς μητρὸς γῆρας
20hoe in de slag tegen de Galaten in Babylonië, waarbij slechts achtduizend Joden en vierduizend Macedoniërs het veld in kwamen, die achtduizend man, toen de Macedoniërs in het nauw werden gedreven, honderd twintigduizend man wisten te verslaan en een rijke buit konden bemachtigen, dank zij de hulp van de Hemel!
21καὶ ἐνθυμηθῶμεν ὅτι ἀπειθοῦντες τεθνηξόμεθα.
21Zo moedigde hij hen aan; en nu waren zij bereid, voor de wet en het vaderland hun leven te geven. Daarna verdeelde hij het leger in vier afdelingen,
22συγγνώσεται δὲ ἡμῖν καὶ ἡ θεία δίκη δι' ἀνάγκην τὸν βασιλέα φοβηθεῖσιν.
22stelde over elke afdeling een van zijn broers aan, namelijk Sjimon, Johannes en Jonatan, en gaf aan ieder van hen het bevel over vijftienhonderd man.
23τί ἐξάγομεν ἑαυτοὺς τοῦ ἡδίστου βίου καὶ ἐπιστεροῦμεν ἑαυτοὺς τοῦ γλυκέος κόσμου;
23Vervolgens liet hij Elazar uit het heilige boek voorlezen, en gaf als parool: Met Gods hulp! Zelf stelde hij zich aan het hoofd van de eerste afdeling, en trok zo tegen Nikánor op.
24μὴ βιαζώμεθα τὴν ἀνάγκην μηδὲ φιλοδοξήσωμεν ἐπὶ τῇ ἑαυτῶν στρέβλῃ.
24En omdat de Almachtige hun bondgenoot was, sloegen ze negenduizend vijanden neer, verwondden en verminkten het grootste gedeelte van Nikánors leger, dwongen de rest de vlucht te nemen,
25οὐδὲ αὐτὸς ὁ νόμος ἀκουσίως ἡμᾶς θανατοῖ φοβηθέντας τὰ βασανιστήρια.
25en legden beslag op het geld van hen, die reeds waren toegesneld, om hen op te kopen. Daarna zetten ze hen een eind ver achterna, en keerden eerst terug, toen de tijd begon te nijpen;
26πόθεν ἡμῖν ἡ τοσαύτη ἐντέτηκε φιλονικία καὶ ἡ θανατηφόρος ἀρέσκει καρτερία, παρὸν μετὰ ἀταραξίας ζῆν τῷ βασιλεῖ πεισθέντας;
26het was namelijk daags voor de sabbat, en daarom konden zij hen niet verder vervolgen.
27ἀλλὰ τούτων οὐδὲν εἶπον οἱ νεανίαι βασανίζεσθαι μέλλοντες οὐδὲ ἐνεθυμήθησαν.
27En na zich meester te hebben gemaakt van de wapens en de buit van den vijand, vierden zij sabbat, en prezen en loo fden vol jubel den Heer, omdat Hij hen op die dag had geholpen, en weer was begonnen, zijn barmhartigheid te tonen.
28ἦσαν γὰρ περίφρονες τῶν παθῶν καὶ αὐτοκράτορες τῶν ἀλγηδόνων,
28Na de sabbat gaven zij een deel van de buit aan hen, die hadden geleden door de vervolging, en aan de weduwen en wezen; de rest verdeelden zij onder elkaar en hun kinderen.
29ὥστε ἅμα τῷ παύσασθαι τὸν τύραννον συμβουλεύοντα αὐτοῖς τοῦ μιαροφαγῆσαι, πάντες διὰ μιᾶς φωνῆς ὁμοῦ, ὥσπερ ἀπὸ τῆς αὐτῆς ψυχῆς εἶπον πρὸς αὐτόν.
29Toen ze dit hadden volbracht, baden zij gezamenlijk tot den barmhartigen God en smeekten Hem, dat Hij Zich met zijn dienaars geheel zou verzoenen.
no verse 30 in this text
30Zo werd Nikánor, de schurk, die al duizend slavenhandelaars had laten komen, om de Joden op te kopen,
no verse 31 in this text
31met Gods hulp juist door hen vernederd, die hij zo had veracht. Hij moest zijn prachtige uitrusting afleggen, vluchtte als een weggelopen slaaf door het land over eenzame wegen, en kwam in Antiochië als een gebroken man, omdat zijn leger verslagen was.
no verse 32 in this text
32Hij die beloofd had, de belastingen aan de Romeinen te betalen uit de opbrengst van de krijgsgevangenen uit Jerusalem, moest nu gaan melden, dat de Joden God tot bondgenoot hadden, en dat de Joden onkwetsbaar waren, omdat zij zich hielden aan de wetten, die God hun gegeven had.
no verse 33 in this text
33Daarna raakten zij slaags met de soldaten van Timóteus en Bakchides, doodden van hen meer dan twintigduizend man, en bezetten de hoogstgelegen vestingen. Zij verdeelden de rijke buit eerlijk onder elkaar en onder de misdeelden, wezen, weduwen en grijsaards;
no verse 34 in this text
34al hun buitgemaakte wapens brachten zij zorgvuldig op geschikte plaatsen bijeen, terwijl zij de rest van de buit meenamen naar Jerusalem.
no verse 35 in this text
35Ook doodden zij Fulárches, den wreedsten van Timóteus' soldaten, die de Joden op allerlei manieren had mishandeld.
no verse 36 in this text
36Bij de viering van het overwinningsfeest in hun vaderstad verbrandden zij Kallistenes, die de heilige poorten in brand had gestoken, en die nu in een woonhuis gevlucht was. Hij kreeg dus het verdiende loon voor zijn goddeloosheid.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.