1 Koningen
Chapter 20
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Daarna trok Ben-Hadad, de koning van Aram, heel zijn legermacht samen, terwijl twee en dertig koningen zich met hun paarden en strijdwagens bij hem aansloten. Zo rukte hij op, belegerde Samaria en bestormde het.
1Бенадад, царь Сирийський, зібрав усю військову силу свою; й з ним було трийцять і два князї з кіньми й колесницями; й пійшов, облїг Самарию й добував її.
2Toen zond hij gezanten naar de stad tot koning Achab van Israël,
2І послав посли в город до Ахаба, царя Ізраїлського,
3en liet hem zeggen: Zo spreekt Ben-Hadad! Uw zilver en uw goud behoren mij, maar uw vrouwen en kinderen moogt ge behouden.
3І повелїв сказати йому: Так говорить Бенадад: срібло твоє й золото твоє — воно моє, й твої молодицї й найлучші сини — мої.
4De koning van Israël antwoordde: Zoals ge zegt, mijn heer en koning; met al het mijne behoor ik u toe.
4І відповів царь Ізраїлський і сказав: Як кажеш, мій пане царю, я твій з усїм, що маю.
5Maar de gezanten keerden terug en zeiden: Zo spreekt Ben-Hadad! Niet alleen uw goud en uw zilver, maar ook uw vrouwen en kinderen moet ge mij geven;
5Посли прийшли однакже знов й казали: Так мовляє Бенадад: Я посилав сказати тобі, що срібло твоє й золото твоє, й молодицї твої й синів твоїх мусиш оддати менї;
6anders stuur ik morgen om deze tijd mijn volk, om uw paleis en de huizen uwer dienaren te doorzoeken; en dan grijpen ze alles, wat hun ogen begeren, en nemen het mee.
6Тим то завтра о сїй добі пришлю до тебе людей моїх, щоб вони обшарили твою господу й господи підданих твоїх, і все, що вподобають, позабірали як власне своє.
7Toen riep de koning van Israël al de oudsten bijeen en sprak: Thans ziet gij duidelijk, dat hij ons kwaad wil; want nu stuurt hij om mijn vrouwen en kinderen, terwijl ik hem toch mijn zilver en goud niet geweigerd heb.
7І скликав царь Ізраїлський всї громадські мужі в своїй землї та й каже їм: Бачите ясно, яке зло він задумав; він присилав до мене й зажадав моїх молодиць і дїтей, мого срібла й золота, та я не відказав йому.
8Al de oudsten en heel het volk antwoordden hem: Ga niet op het voorstel in en geef niet toe.
8І відповіли йому всї громадські мужі й увесь люд: Не слухай й не згоджуйся.
9Daarom sprak hij tot de gezanten van Ben-Hadad: Zegt aan mijn heer en koning: Al wat gij uw dienaar de eerste keer hebt laten bevelen, zal ik doen; maar dit kan ik niet. Daarop gingen de gezanten heen, en brachten het antwoord over.
9І каже він послам Бенададовим: Скажіте мойму панові, цареві: Все, про що ти присилав первим разом до слуги твого, вчиню; сього ж не можу вчинити. І пійшли посли й віднесли йому відповідь.
10Nu liet Ben-Hadad hem echter melden: Zo mogen de goden mij doen en nog erger, als het puin van Samaria voldoende zal zijn, om de holle hand te vullen van al het volk, dat ik onder mijn bevelen heb.
10І прислав до його Бенадад, сказати: Нехай боги заподїють менї те й те, й ще більш причинять, коли пороху Самарийського стане на те, щоб узяти по жменї всїм людям, що я їх веду.
11Maar de koning van Israël antwoordde: Er is een spreekwoord: “Iemand die aangespt moet niet juichen als iemand die losgespt.”
11Царь же Ізраїлський відповів: Скажіть йому: хто підперізується (зброєю), нехай не хвалиться так, як той, хто розперізується.
12Zodra Ben-Hadad, die juist met de koningen in de tenten zat te drinken, dit antwoord vernam, zeide hij tot zijn dienaren: In het gelid! En ze stelden zich in slagorde op tegen de stad.
12Почувши сю відповідь саме тодї, як попивав із князями в своїх холодних шатрах, повелїв людям своїм: Облягайте місто! І вони облягли місто.
13Maar toen kwam er een profeet bij Achab, den koning van Israël, en zeide: Zo spreekt Jahweh! Ziet gij heel deze grote menigte? Welnu, vandaag nog lever Ik ze aan u over. Zo zult ge weten, dat Ik Jahweh ben.
13І ось приступив один пророк до Ахаба, царя Ізраїлського, й рече: Тако глаголе Господь: Чи бачиш оцю велику купу? Я сьогоднї подам її тобі в руки, щоб ти зрозумів, що я Господь.
14Hierop vroeg Achab: Door wien? Hij antwoordde: Zo spreekt Jahweh! Door de manschappen van de landvoogden. Hij vroeg verder: Wie zal de strijd beginnen? Het antwoord luidde: Gij.
14І спитав Ахаб: Через кого? І відказав він: Так говорить Господь: Через людей, що під земськими начальниками. І спитав далїй: Хто розпічне битву? Відказав той: Ти.
15Nu monsterde hij de manschappen van de landvoogden; er waren er tweehonderd twee en dertig. Daarna monsterde hij heel het volk; in het geheel zeven duizend Israëlieten.
15І перелїчив він людей під земськими войтами, й найшлось їх двістї трийцять і два. Після їх же перелїчив увесь люд, усїх Ізрайлитян, сїм тисяч.
16‘s Middags, terwijl Ben-Hadad met de twee en dertig koningen, die hem te hulp gekomen waren, in de tenten beschonken aan tafel zat, deden zij een uitval;
16І вирушили вони о півднї, тим часом як Бенадад напивавсь до пяна в холоднику з трийцятьма й двома князями, що прийшли йому на підмогу.
17de manschappen van de landvoogden gingen voorop. Terstond liet men Ben-Hadad berichten, dat er mannen uit Samaria kwamen.
17Люде земських начальників вирушили перші. І вислав Бенадад, і сказали йому: Вирушили мужі з Самариї.
18Hij beval: Hetzij ze met vredelievende bedoelingen komen, hetzij om te strijden, grijpt ze levend.
18І повелїв він: Чи вийшли вони з мирним задумом, чи з боєвим, хапайте їх живцем.
19Intussen trok achter de manschappen van de landvoogden ook de tros van het leger de stad uit,
19Скоро ж вирушили з городу люде земських начальників і військо за ним, —
20en iedereen versloeg zijn man. De Arameën namen de vlucht, doch de Israëlieten zetten hen achterna. Maar Ben-Hadad, de koning van Aram, ontkwam te paard met enige ruiters.
20Ударив кожен з них на свого противника. І повтїкали Сирийцї, Ізрайлитяне ж погнались за ними. А Бенадад, царь Сирийський, втїк на конї з кіннотою своєю.
21Toen trok ook de koning van Israël uit, veroverde de paarden en de strijdwagens, en richtte onder de Arameën een grote slachting aan.
21Царь же Ізраїлський вирушив та й забрав конї й колесницї, й завдав Сирийцям великий побій.
22Nu kwam de profeet weer bij den koning van Israël en sprak tot hem: Maar u nu sterk en overleg goed, wat u te doen staat; want over een jaar trekt de koning van Aram weer tegen u op.
22І приступив пророк до царя Ізраїлського й рече йому: Держися мужно, міркуй й розваж, що тобі чинити, бо на той рік наступить знов на тебе царь Сирийський.
23Maar de hovelingen van den koning van Aram zeiden tot hem: Hun god is een berggod; daarom waren ze sterker dan wij. Wanneer we echter in de vlakte tegen hen strijden, zullen we zeker sterker zijn.
23Слуги ж царя Сирийського говорили йому: Бог їх — се бог гір, тим вони взяли над нами гору; коли б ми бились із ними на поділлї, так певно б ми їх переважили;
24Doe nu zo: Zet de koningen af en vervang ze door stadhouders;
24От же що зроби: відправ усїх царів із їх місць, а намість їх постав гетьманів;
25dan kunt gij een even groot leger monsteren als gij verloren hebt, met evenveel paarden en strijdwagens. En als we dan in de vlakte tegen hen strijden, zullen we zeker overwinnen. Hij luisterde naar hun raad en deed het.
25І назатягай собі стілько війська, скільки погибло в тебе, й коней й колесниць, скільки було коней й колесниць, та й битись мемо з ними на поділлї, так певно подужаємо їх. І послухав він їх ради й вчинив так.
26Het volgende jaar riep Ben-Hadad de Arameën weer op en trok naar Afek, om tegen Israël te strijden.
26На другий год зібрав Бенадад Сирийцїв та й двинув під Афек на війну проти Ізраїля.
27Ook de Israëlieten werden gemonsterd en van levensmiddelen voorzien, en trokken hun tegemoet. Maar toen de Israëlieten tegenover hen lagen, leken ze wel een paar troepjes geiten, terwijl de Arameën het land overstroomden.
27Зібрались і Ізрайлитяне, й набравши живностї, вирушили їм на зустріч. І отаборились Ізрайлитяне навпроти них, як дві невеличкі козині купки, тим часом як Сирийцї вкрили землю.
28Toen kwam de godsman weer bij den koning van Israël en zeide: Zo spreekt Jahweh! Omdat de Arameën gezegd hebben: “Jahweh is een berggod en geen dalgod”, dáárom zal Ik heel deze grote menigte aan u overleveren. Zo zult gij weten, dat Ik Jahweh ben!
28І прийшов Божий чоловік та й промовив до царя Ізраїлського: Тако глаголе Господь: За те, що Сирийцї мовляли: Господь є Богом нагірнїм, а не Богом подолянським, подам я тобі на поталу сю величезну купу, щоб ви зрозуміли, що я Господь.
29Nadat ze zeven dagen tegenover elkaar hadden gelegen, kwam het op de zevende dag tot een treffen, waarbij de Israëlieten op één dag honderdduizend man voetvolk van de Arameën neersloegen.
29І таборували вони один проти одного сїм день; на сьомий же день прийшло до бою, й вклали Ізрайлитяне одного дня Сирийцїв сто тисячей чоловіка піхоти.
30De overigen vluchtten naar Afek, de stad in; maar de stadsmuur stortte neer op de zeven en twintig duizend man, die waren overgebleven. Ook Ben-Hadad was naar de stad gekomen, en vluchtte van de ene schuilplaats naar de andere.
30Що ж позоставалось, повтїкали в город Афеку. Там же обваливсь мур на остальнїх двайцять і сїм тисячей чоловіка. Утїк же й Бенадад у місто та й бігав із однієї сьвітлицї в другу.
31Toen zeiden zijn hovelingen tot hem: We hebben gehoord, dat de koningen van het huis van Israël genadige koningen zijn. Laat ons daarom met een zak om de lenden en een touw om de hals naar den koning van Israël gaan. Misschien spaart hij uw leven.
31І кажуть йому слуги його: Ми зачували, що царі Ізраїлські милосердні; позволь же нам одягти чересла наші в вереттє, а на голови (шиї) взяти повороззя, та й пійти перед царя Ізраїлського; може, він зоставить тебе живим.
32Ze bonden dus een zak om de lenden en een touw om de hals, gingen naar den koning van Israël, en zeiden: Uw dienaar Ben-Hadad smeekt: Spaar toch mijn leven. Hij antwoordde: Leeft hij nog? Hij is mijn broeder!
32От і попідперізувались вереттєм, а на голови взяли повороззя, й подались до царя Ізраїлського та й промовили: Твій слуга Бенадад звелїв тобі сказати: Зостав мене з душею! Відказує той: А він ще жив? Він мій брат.
33De mannen beschouwden dit als een gunstig teken, gingen terstond op dit antwoord in, en zeiden: Ja, Ben-Hadad is uw broeder. Hij hernam: Gaat hem halen. En toen Ben-Hadad bij hem gekomen was, liet hij hem in zijn wagen stijgen.
33Люде сї взяли те за добрий знак і чимскорше підхопили слово з уст його та й промовили: Брат твій Бенадад. Він же каже: Йдїте й приведїть його. І вийшов до його Бенадад, і він посадив його на колесницю.
34Ben-Hadad stelde hem nu voor: De steden, die mijn vader van uw vader heeft afgenomen, geef ik u terug; ook moogt gij u in Damascus een eigen stadswijk aanleggen, zoals mijn vader in Samaria gedaan heeft. Achab antwoordde: Op die voorwaarde laat ik u vrij. Zo sloot hij een verbond met hem, en liet hem gaan.
34І сказав йому той: Городи, що позабірав отець мій у твого батька, я верну, й можна тобі мати в Дамаску базарі (про торги), як мій отець мав у Самариї; й я, вчинивши вмову, відїду собі. І вчинивши з ним умову, (Ахаб) відпустив його.
35Maar nu sprak een profetenzoon op last van Jahweh tot een anderen: Ransel mij af! En toen deze weigerde, hem te slaan
35Під той час один з пророчих мужів сказав, по наказу Господньому, свойму товаришові: Попобий мене! Той же затявсь бити його.
36sprak hij tot hem: Omdat ge niet naar het bevel van Jahweh hebt geluisterd, zult ge, zodra ge zijt heengegaan, door een leeuw worden gedood. En werkelijk, zodra hij bij hem vandaan was, ontmoette hij een leeuw, die hem doodde.
36І сказав він до його: За те, що не послухав єси слова Господнього, скоро пійдеш від мене, убє тебе лев. І як пійшов той від його, наскочив на його лев, та й убив його.
37Daarna trof hij een anderen, en sprak: Ransel mij af! En deze sloeg hem zo hevig, dat hij gewond werd.
37І зустрів він другого чоловіка та й каже: Попобий же мене! І попобив його другий до рани.
38Nu ging de profeet heen, om den koning onderweg op te wachten; maar hij had zijn hoofddoek over zijn ogen getrokken en zich zo onkenbaar gemaakt.
38Тодї пророк пійшов, зупинивсь на дорозї, де мусїв їхати царь, і зробив себе незнаним, повязавши повязю очі собі.
39Toen de koning voorbij kwam, riep hij hem jammerend toe en zeide: Toen uw dienaar het strijdgewoel had verlaten, kwam er een aanvoerder met een man naar mij toe, en zeide: “Bewaak dezen man; als hij vermist wordt, komt gij voor hem in de plaats, of ge betaalt een talent zilver.”
39Коли ж царь переїздив мимо, покликнув він до царя й сказав: Раб твій ходив на війну, аж ось хтось відійшов на бік і привів до мене чоловіка та й каже: Постережи сього чоловіка; коли ж не встережеш, так оддаси за його свою душу, або мусиш одважити талант срібла.
40Maar terwijl uw dienaar het een en ander te doen had, was hij opeens spoorloos verdwenen. De koning van Israël antwoordde hem: Dan krijgt ge ook volgens uw eigen woorden uw verdiende loon!
40Тим часом же, як твій раб робив то се, то те, той якось ізник. — Царь же Ізраїлський каже йому: Так говорить і твій вирок. Ти сам присудив його собі.
41Nu deed hij vlug de hoofddoek van zijn ogen weg, waardoor de koning van Israël hem als een profeet herkende.
41Він зняв хутенько повязь із очей, і царь впізнав його, що він із пророків.
42En hij zeide tot den koning: Zo spreekt Jahweh! Omdat gij den man hebt vrijgelaten, die onder mijn banvloek stond, komt ge voor hem in de plaats, en uw volk voor zijn volk.
42Той же сказав йому: Тако глаголе Господь: Ти випустив із твоїх рук чоловіка, що підпав під мій проклін; за те буде душа твоя за його душу й твій нарід за його нарід.
43Hierop ging de koning van Israël verdrietig en toornig naar huis; zo kwam hij in Samaria aan.
43І подавсь царь Ізраїлський додому сумний й сердитий та й прибув у Самарию.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.