1 Koningen
Chapter 20
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Daarna trok Ben-Hadad, de koning van Aram, heel zijn legermacht samen, terwijl twee en dertig koningen zich met hun paarden en strijdwagens bij hem aansloten. Zo rukte hij op, belegerde Samaria en bestormde het.
1ΚΑΙ ἀμπελὼν εἷς ἦν τῷ Ναβουθαὶ τῷ Ἰεζραηλίτῃ παρὰ τῇ ἅλῳ Ἀχαὰβ βασιλέως Σαμαρείας.
2Toen zond hij gezanten naar de stad tot koning Achab van Israël,
2καὶ ἐλάλησεν Ἀχαὰβ πρὸς Ναβουθαὶ λέγων· δός μοι τὸν ἀμπελῶνά σου καὶ ἔσται μοι εἰς κῆπον λαχάνων, ὅτι ἐγγίζων οὗτος τῷ οἴκῳ μου, καὶ δώσω σοι ἀμπελῶνα ἄλλον ἀγαθὸν ὑπὲρ αὐτόν· εἰ δὲ ἀρέσκει ἐνώπιόν σου, δώσω σοι ἀργύριον ἄλλαγμα ἀμπελῶνός σου τούτου, καὶ ἔσται μοι εἰς κῆπον λαχάνων.
3en liet hem zeggen: Zo spreekt Ben-Hadad! Uw zilver en uw goud behoren mij, maar uw vrouwen en kinderen moogt ge behouden.
3καὶ εἶπε Ναβουθαὶ πρὸς Ἀχαάβ· μὴ γένοιτό μοι παρὰ Θεοῦ μου δοῦναι κληρονομίαν πατέρων μου σοί.
4De koning van Israël antwoordde: Zoals ge zegt, mijn heer en koning; met al het mijne behoor ik u toe.
4καὶ ἐγένετο τὸ πνεῦμα Ἀχαὰβ τεταραγμένον, καὶ ἐκοιμήθη ἐπὶ τῆς κλίνης αὐτοῦ καὶ συνεκάλυψε τὸ πρόσωπον αὐτοῦ καὶ οὐκ ἔφαγεν ἄρτον.
5Maar de gezanten keerden terug en zeiden: Zo spreekt Ben-Hadad! Niet alleen uw goud en uw zilver, maar ook uw vrouwen en kinderen moet ge mij geven;
5καὶ εἰσῆλθεν Ἰεζάβελ ἡ γυνὴ αὐτοῦ πρὸς αὐτὸν καὶ ἐλάλησε πρὸς αὐτόν· τί τὸ πνεῦμά σου τεταραγμένον καὶ οὐκ εἶ σὺ ἐσθίων ἄρτον;
6anders stuur ik morgen om deze tijd mijn volk, om uw paleis en de huizen uwer dienaren te doorzoeken; en dan grijpen ze alles, wat hun ogen begeren, en nemen het mee.
6καὶ εἶπε πρὸς αὐτήν, ὅτι ἐλάλησα πρὸς Ναβουθαὶ τὸν Ἰεζραηλίτην λέγων· δός μοι τὸν ἀμπελῶνά σου ἀργυρίου· εἰ δὲ βούλῃ, δώσω σοι ἀμπελῶνα ἄλλον ἀντ᾿ αὐτοῦ· καὶ εἶπεν· οὐ δώσω σοι κληρονομίαν πατέρων μου.
7Toen riep de koning van Israël al de oudsten bijeen en sprak: Thans ziet gij duidelijk, dat hij ons kwaad wil; want nu stuurt hij om mijn vrouwen en kinderen, terwijl ik hem toch mijn zilver en goud niet geweigerd heb.
7καὶ εἶπε πρὸς αὐτὸν Ἰεζάβελ ἡ γυνὴ αὐτοῦ· σὺ νῦν οὕτω ποιεῖς βασιλέα ἐπὶ Ἰσραήλ; ἀνάστηθι καὶ φάγε ἄρτον καὶ σαυτοῦ γενοῦ, ἐγὼ δὲ δώσω σοι τὸν ἀμπελῶνα Ναβουθαὶ τοῦ Ἰεζραηλίτου.
8Al de oudsten en heel het volk antwoordden hem: Ga niet op het voorstel in en geef niet toe.
8καὶ ἔγραψε βιβλίον ἐπὶ τῷ ὀνόματι Ἀχαὰβ καὶ ἐσφραγίσατο τῇ σφραγίδι αὐτοῦ καὶ ἀπέστειλε τὸ βιβλίον πρὸς τοὺς πρεσβυτέρους καὶ τοὺς ἐλευθέρους τοὺς κατοικοῦντας μετὰ Ναβουθαί.
9Daarom sprak hij tot de gezanten van Ben-Hadad: Zegt aan mijn heer en koning: Al wat gij uw dienaar de eerste keer hebt laten bevelen, zal ik doen; maar dit kan ik niet. Daarop gingen de gezanten heen, en brachten het antwoord over.
9καὶ ἐγέγραπτο ἐν τοῖς βιβλίοις λέγων· νηστεύσατε νηστείαν καὶ καθίσατε τὸν Ναβουθαὶ ἐν ἀρχῇ τοῦ λαοῦ·
10Nu liet Ben-Hadad hem echter melden: Zo mogen de goden mij doen en nog erger, als het puin van Samaria voldoende zal zijn, om de holle hand te vullen van al het volk, dat ik onder mijn bevelen heb.
10καὶ ἐγκαθίσατε δύο ἄνδρας υἱοὺς παρανόμων ἐξεναντίας αὐτοῦ, καὶ καταμαρτυρησάτωσαν αὐτοῦ λέγοντες· ηὐλόγησε Θεὸν καὶ βασιλέα· καὶ ἐξαγαγέτωσαν αὐτὸν καὶ λιθοβολησάτωσαν αὐτόν, καὶ ἀποθανέτω.
11Maar de koning van Israël antwoordde: Er is een spreekwoord: “Iemand die aangespt moet niet juichen als iemand die losgespt.”
11καὶ ἐποίησαν οἱ ἄνδρες τῆς πόλεως αὐτοῦ οἱ πρεσβύτεροι καὶ οἱ ἐλεύθεροι οἱ κατοικοῆντες ἐν τῇ πόλει αὐτοῦ, καθὼς ἀπέστειλε πρὸς αὐτοὺς Ἰεζάβελ καὶ καθὰ ἐγέγραπτο ἐν τοῖς βιβλίοις, οἷς ἀπέστειλε πρὸς αὐτούς.
12Zodra Ben-Hadad, die juist met de koningen in de tenten zat te drinken, dit antwoord vernam, zeide hij tot zijn dienaren: In het gelid! En ze stelden zich in slagorde op tegen de stad.
12καὶ ἐκάλεσαν νηστείαν καὶ ἐκάθισαν τὸν Ναβουθαὶ ἐν ἀρχῇ τοῦ λαοῦ,
13Maar toen kwam er een profeet bij Achab, den koning van Israël, en zeide: Zo spreekt Jahweh! Ziet gij heel deze grote menigte? Welnu, vandaag nog lever Ik ze aan u over. Zo zult ge weten, dat Ik Jahweh ben.
13καὶ εἰσῆλθον δύο ἄνδρες υἱοὶ παρανόμων καὶ ἐκάθισαν ἐξεναντίας αὐτοῦ καὶ κατεμαρτύρησαν αὐτοῦ λέγοντες· ηὐλόγηκας Θεὸν καὶ βασιλέα· καὶ ἐξήγαγον αὐτὸν ἔξω τῆς πόλεως καὶ ἐλιθοβόλησαν αὐτὸν ἐν λίθοις, καὶ ἀπέθανε.
14Hierop vroeg Achab: Door wien? Hij antwoordde: Zo spreekt Jahweh! Door de manschappen van de landvoogden. Hij vroeg verder: Wie zal de strijd beginnen? Het antwoord luidde: Gij.
14καὶ ἀπέστειλαν πρὸς Ἰεζάβελ λέγοντες· λελιθοβόληται Ναβουθαὶ καὶ τέθνηκε.
15Nu monsterde hij de manschappen van de landvoogden; er waren er tweehonderd twee en dertig. Daarna monsterde hij heel het volk; in het geheel zeven duizend Israëlieten.
15καὶ ἐγένετο ὡς ἤκουσεν Ἰεζάβελ, καὶ εἶπε πρὸς Ἀχαάβ· ἀνάστα, κληρονόμει τὸν ἀμπελῶνα Ναβουθαὶ τοῦ Ἰεζραηλίτου, ὃς οὐκ ἔδωκέ σοι ἀργυρίου, ὅτι οὐκ ἔστι Ναβουθαὶ ζῶν, ὅτι τέθνηκε.
16‘s Middags, terwijl Ben-Hadad met de twee en dertig koningen, die hem te hulp gekomen waren, in de tenten beschonken aan tafel zat, deden zij een uitval;
16καὶ ἐγένετο ὡς ἤκουσεν Ἀχαὰβ ὅτι τέθνηκε Ναβουθαὶ ὁ Ἰεζραηλίτης, καὶ διέρρηξε τὰ ἱμάτια αὐτοῦ καὶ περιεβάλετο σάκκον· καὶ ἐγένετο μετὰ ταῦτα καὶ ἀνέστη καὶ κατέβη Ἀχαὰβ εἰς τὸν ἀμπελῶνα Ναβουθαὶ τοῦ Ἰεζραηλίτου κληρονομῆσαι αὐτόν.
17de manschappen van de landvoogden gingen voorop. Terstond liet men Ben-Hadad berichten, dat er mannen uit Samaria kwamen.
17Καὶ εἶπεν Κύριος πρὸς Ἠλιοὺ τὸν Θεσβίτην λέγων·
18Hij beval: Hetzij ze met vredelievende bedoelingen komen, hetzij om te strijden, grijpt ze levend.
18ἀνάστηθι καὶ κατάβηθι εἰς ἀπαντὴν Ἀχαὰβ βασιλέως Ἰσραὴλ τοῦ ἐν Σαμαρείᾳ, ὅτι οὗτος ἐν ἀμπελῶνι Ναβουθαί, ὅτι καταβέβηκεν ἐκεῖ κληρονομῆσαι αὐτόν.
19Intussen trok achter de manschappen van de landvoogden ook de tros van het leger de stad uit,
19καὶ λαλήσεις πρὸς αὐτὸν λέγων· τάδε λέγει Κύριος· ὡς σὺ ἐφόνευσας καὶ ἐκληρονόμησας, διὰ τοῦτο τάδε λέγει Κύριος· ἐν παντὶ τόπῳ, ᾧ ἔλειξαν αἱ ὕες καὶ οἱ κύνες τὸ αἷμα Ναβουθαί, ἐκεῖ λείξουσιν οἱ κύνες τὸ αἷμα σου, καὶ αἱ πόρναι λούσονται ἐν τῷ αἵματί σου.
20en iedereen versloeg zijn man. De Arameën namen de vlucht, doch de Israëlieten zetten hen achterna. Maar Ben-Hadad, de koning van Aram, ontkwam te paard met enige ruiters.
20καὶ εἶπεν Ἀχαὰβ πρὸς Ἠλιού· εἰ εὕρηκάς με, ὁ ἐχθρός μου; καὶ εἶπεν· εὕρηκα, διότι μάτην πέπρασαι ποιῆσαι τὸ πονηρὸν ἐνώπιον Κυρίου παροργίσαι αὐτόν.
21Toen trok ook de koning van Israël uit, veroverde de paarden en de strijdwagens, en richtte onder de Arameën een grote slachting aan.
21ἰδοὺ ἐγὼ ἐπάγω ἐπὶ σὲ κακὰ καὶ ἐκκαύσω ὀπίσω σου καὶ ἐξολοθρεύσω τοῦ Ἀχαὰβ οὐροῦντα πρὸς τοῖχον καὶ συνεχόμενον καὶ ἐγκαταλελειμμένον ἐν Ἰσραήλ·
22Nu kwam de profeet weer bij den koning van Israël en sprak tot hem: Maar u nu sterk en overleg goed, wat u te doen staat; want over een jaar trekt de koning van Aram weer tegen u op.
22καὶ δώσω τὸν οἶκόν σου ὡς τὸν οἶκον Ἱεροβοὰμ υἱοῦ Ναβὰτ καὶ ὡς τὸν οἶκον Βαασὰ υἱοῦ Ἀχιὰ περὶ τῶν παροργισμάτων, ὧν παρώργισας καὶ ἐξήμαρτες τὸν Ἰσραήλ.
23Maar de hovelingen van den koning van Aram zeiden tot hem: Hun god is een berggod; daarom waren ze sterker dan wij. Wanneer we echter in de vlakte tegen hen strijden, zullen we zeker sterker zijn.
23καὶ τῇ Ἰεζάβελ ἐλάλησε Κύριος λέγων· οἱ κύνες καταφάγονται αὐτὴν ἐν τῷ προτειχίσματι Ἰεζράελ.
24Doe nu zo: Zet de koningen af en vervang ze door stadhouders;
24τὸν τεθνηκότα τοῦ Ἀχαὰβ ἐν τῇ πόλει φάγονται οἱ κύνες καὶ τὸν τεθνηκότα αὐτοῦ ἐν τῷ πεδίῳ φάγονται τὰ πετεινὰ τοῦ οὐρανοῦ.
25dan kunt gij een even groot leger monsteren als gij verloren hebt, met evenveel paarden en strijdwagens. En als we dan in de vlakte tegen hen strijden, zullen we zeker overwinnen. Hij luisterde naar hun raad en deed het.
25πλὴν ματαίως Ἀχαάβ, ὃς ἐπράθη ποιῆσαι τὸ πονηρὸν ἐνώπιον Κυρίου, ὡς μετέθηκεν αὐτὸν Ἰεζάβελ ἡ γυνὴ αὐτοῦ·
26Het volgende jaar riep Ben-Hadad de Arameën weer op en trok naar Afek, om tegen Israël te strijden.
26καὶ ἐβδελύχθη σφόδρα πορεύεσθαι ὀπίσω τῶν βδελυγμάτων κατὰ πάντα, ἃ ἐποίησεν ὁ Ἀμορραῖος, ὃν ἐξωλόθρευσε Κύριος ἀπὸ προσώπου υἱῶν Ἰσραήλ.
27Ook de Israëlieten werden gemonsterd en van levensmiddelen voorzien, en trokken hun tegemoet. Maar toen de Israëlieten tegenover hen lagen, leken ze wel een paar troepjes geiten, terwijl de Arameën het land overstroomden.
27καὶ ὑπὲρ τοῦ λόγου, ὡς κατενύγη Ἀχαὰβ ἀπὸ προσώπου τοῦ Κυρίου καὶ ἐπορεύετο κλαίων καὶ διέρρηξε τὸν χιτῶνα αὐτοῦ καὶ ἐζώσατο σάκκον ἐπὶ τὸ σῶμα αὐτοῦ καὶ ἐνήστευσε καὶ περιεβάλετο σάκκον ἐν τῇ ἡμέρᾳ, ᾗ ἐπάταξε Ναβουθαὶ τὸν Ἰεζραηλίτην, καὶ ἐπορεύθη,
28Toen kwam de godsman weer bij den koning van Israël en zeide: Zo spreekt Jahweh! Omdat de Arameën gezegd hebben: “Jahweh is een berggod en geen dalgod”, dáárom zal Ik heel deze grote menigte aan u overleveren. Zo zult gij weten, dat Ik Jahweh ben!
28καὶ ἐγένετο ρῆμα Κυρίου ἐν χειρὶ δούλου αὐτοῦ Ἠλιοὺ περὶ Ἀχαάβ, καὶ εἶπε Κύριος·
29Nadat ze zeven dagen tegenover elkaar hadden gelegen, kwam het op de zevende dag tot een treffen, waarbij de Israëlieten op één dag honderdduizend man voetvolk van de Arameën neersloegen.
29ἑώρακας ὡς κατενύγη Ἀχαὰβ ἀπὸ προσώπου μου; οὐκ ἐπάξω τὴν κακίαν ἐν ταῖς ἡμέραις αὐτοῦ, ἀλλ᾿ ἐν ταῖς ἡμέραις τοῦ υἱοῦ αὐτοῦ ἐπάξω τὴν κακίαν.
30De overigen vluchtten naar Afek, de stad in; maar de stadsmuur stortte neer op de zeven en twintig duizend man, die waren overgebleven. Ook Ben-Hadad was naar de stad gekomen, en vluchtte van de ene schuilplaats naar de andere.
no verse 30 in this text
31Toen zeiden zijn hovelingen tot hem: We hebben gehoord, dat de koningen van het huis van Israël genadige koningen zijn. Laat ons daarom met een zak om de lenden en een touw om de hals naar den koning van Israël gaan. Misschien spaart hij uw leven.
no verse 31 in this text
32Ze bonden dus een zak om de lenden en een touw om de hals, gingen naar den koning van Israël, en zeiden: Uw dienaar Ben-Hadad smeekt: Spaar toch mijn leven. Hij antwoordde: Leeft hij nog? Hij is mijn broeder!
no verse 32 in this text
33De mannen beschouwden dit als een gunstig teken, gingen terstond op dit antwoord in, en zeiden: Ja, Ben-Hadad is uw broeder. Hij hernam: Gaat hem halen. En toen Ben-Hadad bij hem gekomen was, liet hij hem in zijn wagen stijgen.
no verse 33 in this text
34Ben-Hadad stelde hem nu voor: De steden, die mijn vader van uw vader heeft afgenomen, geef ik u terug; ook moogt gij u in Damascus een eigen stadswijk aanleggen, zoals mijn vader in Samaria gedaan heeft. Achab antwoordde: Op die voorwaarde laat ik u vrij. Zo sloot hij een verbond met hem, en liet hem gaan.
no verse 34 in this text
35Maar nu sprak een profetenzoon op last van Jahweh tot een anderen: Ransel mij af! En toen deze weigerde, hem te slaan
no verse 35 in this text
36sprak hij tot hem: Omdat ge niet naar het bevel van Jahweh hebt geluisterd, zult ge, zodra ge zijt heengegaan, door een leeuw worden gedood. En werkelijk, zodra hij bij hem vandaan was, ontmoette hij een leeuw, die hem doodde.
no verse 36 in this text
37Daarna trof hij een anderen, en sprak: Ransel mij af! En deze sloeg hem zo hevig, dat hij gewond werd.
no verse 37 in this text
38Nu ging de profeet heen, om den koning onderweg op te wachten; maar hij had zijn hoofddoek over zijn ogen getrokken en zich zo onkenbaar gemaakt.
no verse 38 in this text
39Toen de koning voorbij kwam, riep hij hem jammerend toe en zeide: Toen uw dienaar het strijdgewoel had verlaten, kwam er een aanvoerder met een man naar mij toe, en zeide: “Bewaak dezen man; als hij vermist wordt, komt gij voor hem in de plaats, of ge betaalt een talent zilver.”
no verse 39 in this text
40Maar terwijl uw dienaar het een en ander te doen had, was hij opeens spoorloos verdwenen. De koning van Israël antwoordde hem: Dan krijgt ge ook volgens uw eigen woorden uw verdiende loon!
no verse 40 in this text
41Nu deed hij vlug de hoofddoek van zijn ogen weg, waardoor de koning van Israël hem als een profeet herkende.
no verse 41 in this text
42En hij zeide tot den koning: Zo spreekt Jahweh! Omdat gij den man hebt vrijgelaten, die onder mijn banvloek stond, komt ge voor hem in de plaats, en uw volk voor zijn volk.
no verse 42 in this text
43Hierop ging de koning van Israël verdrietig en toornig naar huis; zo kwam hij in Samaria aan.
no verse 43 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.