1 Koningen
Chapter 8
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Nu riep koning Salomon de oudsten van Israël en alle stamhoofden en familievorsten der Israëlieten bij zich naar Jerusalem, om de verbondsark van Jahweh uit de Davidstad, of de Sion, naar haar plaats te brengen.
1ΚΑΙ ἐγένετο ὡς συνετέλεσε Σαλωμὼν τοῦ οἰκοδομῆσαι τὸν οἶκον Κυρίου καὶ τὸν οἶκον αὐτοῦ μετὰ εἴκοσιν ἔτη, τότε ἐξεκκλησίασεν ὁ βασιλεὺς Σαλωμὼν πάντας τοὺς πρεσβυτέρους Ἰσραὴλ ἐν Σιὼν τοῦ ἀνενεγκεῖν τὴν κιβωτὸν διαθήκης Κυρίου ἐκ πόλεως Δαυὶδ (αὕτη ἐστὶ Σιὼν)
2Zo trokken alle mannen van Israël naar koning Salomon op voor het feest, dat in de maand Etanim, de zevende maand, werd gevierd.
2ἐν μηνὶ Ἀθανίν.
3Toen nu al de oudsten van Israël gekomen waren, namen de priesters de ark op,
3καὶ ᾖραν οἱ ἱερεῖς τὴν κιβωτὸν
4en brachten haar met de openbaringstent en al de heilige voorwerpen, die in de tent waren, naar boven; de levieten droegen met de priesters mee.
4καὶ τὸ σκήνωμα τοῦ μαρτυρίου καὶ τὰ σκεύη τὰ ἅγια τὰ ἐν τῷ σκηνώματι τοῦ μαρτυρίου,
5Koning Salomon zelf ging met al de Israëlieten, die zich bij hem hadden gevoegd, voor de ark uit, en offerde zoveel schapen en runderen, dat ze niet meer te tellen of te berekenen waren.
5καὶ ὁ βασιλεὺς καὶ πᾶς Ἰσραὴλ ἔμπροσθεν τῆς κιβωτοῦ θύοντες πρόβατα καὶ βόας ἀναρίθμητα.
6Daarop brachten de priesters de verbondsark van Jahweh naar haar plaats in het binnenste van de tempel, in het Allerheiligste, en zetten haar onder de vleugels der cherubs.
6καὶ εἰσφέρουσιν οἱ ἱερεῖς τὴν κιβωτὸν εἰς τὸν τόπον αὐτῆς εἰς τὸ δαβὶρ τοῦ οἴκου, εἰς τὰ ἅγια τῶν ἁγίων ὑπὸ τὰς πτέρυγας τῶν Χερουβίμ·
7De cherubs spreidden dus hun vleugels over de ark uit, en overschaduwden de ark en haar draagstangen.
7ὅτι τὰ Χερουβὶμ διαπεπετασμένα ταῖς πτέρυξιν ἐπὶ τὸν τόπον τῆς κιβωτοῦ, καὶ περιεκάλυπτον τὰ Χερουβὶμ ἐπὶ τὴν κιβωτὸν καὶ ἐπὶ τὰ ἅγια αὐτῆς ἐπάνωθεν,
8Deze waren zo lang, dat men de uiteinden ervan in het Heilige, dat voor het Allerheiligste lag, kon zien, maar daarbuiten niet meer; ze zijn daar gebleven tot op deze dag.
8καὶ ὑπερεῖχον τὰ ἡγιασμένα, καὶ ἐνεβλέποντο αἱ κεφαλαὶ τῶν ἡγιασμένων ἐκ τῶν ἁγίων εἰς πρόσωπον τοῦ δαβὶρ καὶ οὐκ ὠπτάνοντο ἔξω.
9In de ark was niets dan de twee stenen tafelen, die Moses op de berg Horeb erin had gelegd; het waren de tafelen van het Verbond, dat Jahweh bij de uittocht uit Egypte met de Israëlieten gesloten had.
9οὐκ ἦν ἐν τῇ κιβωτῷ πλὴν δύο πλάκες λίθιναι, πλάκες τῆς διαθήκης, ἃς ἔθηκεν ἐκεῖ Μωυσῆς ἐν Χωρήβ, ἃς διέθετο Κύριος μετὰ τῶν υἱῶν Ἰσραὴλ ἐν τῷ ἐκπορεύεσθαι αὐτοὺς ἐκ γῆς Αἰγύπτου.
10Zodra de priesters het Heilige hadden verlaten, vervulde een wolk het huis van Jahweh.
10καὶ ἐγένετο ὡς ἐξῆλθον οἱ ἱερεῖς ἐκ τοῦ ἁγίου, καὶ ἡ νεφέλη ἔπλησε τὸν οἶκον·
11Door die wolk konden de priesters niet blijven staan, om hun dienstwerk te verrichten; want de glorie van Jahweh vervulde de tempel van Jahweh.
11καὶ οὐκ ἠδύναντο οἱ ἱερεῖς στήκειν λειτουργεῖν ἀπὸ προσώπου τῆς νεφέλης, ὅτι ἔπλησε δόξα Κυρίου τὸν οἶκον.
12Nu sprak Salomon: De zon heeft Jahweh aan de hemel geplaatst, Maar zelf besloot Hij, in een wolk te vertoeven.
no verse 12 in this text
13Zo kon ik het wagen, U een tempel te bouwen. Een huis, waar Gij eeuwig zult wonen! (Het staat in het Liederenboek.)
no verse 13 in this text
14Hierop keerde de koning zich om, en zegende heel de gemeenschap van Israël. En terwijl allen overeind gingen staan,
14Καὶ ἀπέστρεψεν ὁ βασιλεὺς τὸ πρόσωπον αὐτοῦ, καὶ εὐλόγησεν ὁ βασιλεὺς πάντα Ἰσραήλ, καὶ πᾶσα ἐκκλησία Ἰσραὴλ εἱστήκει·
15sprak hij: Geprezen zij Jahweh, Israëls God, wiens hand heeft volbracht, wat zijn mond tot mijn vader David heeft gesproken:
15καὶ εἶπεν· εὐλογητὸς Κύριος ὁ Θεὸς Ἰσραὴλ σήμερον, ὃς ἐλάλησεν ἐν τῷ στόματι αὐτοῦ περὶ Δαυὶδ τοῦ πατρός μου καὶ ἐν ταῖς χερσὶν αὐτοῦ ἐπλήρωσε λέγων·
16“Sinds de dag, dat Ik mijn volk Israël uit Egypte heb geleid, heb Ik geen enkele stad van al de stammen van Israël uitverkoren, om Mij daar een tempel te bouwen, waarin mijn Naam zou wonen. Maar Jerusalem heb Ik uitverkoren, om daar mijn Naam te doen wonen; en David heb Ik uitgekozen, om over mijn volk te heersen!”
16ἀφ᾿ ἧς ἡμέρας ἐξήγαγον τὸν λαόν μου τὸν Ἰσραὴλ ἐξ Αἰγύπτου, οὐκ ἐξελεξάμην ἐν πόλει ἐν ἑνὶ σκήπτρῳ Ἰσραὴλ τοῦ οἰκοδομῆσαι οἶκον τοῦ εἶναι τὸ ὄνομά μου ἐκεῖ. καὶ ἐξελεξάμην ἐν Ἱερουσαλὴμ εἶναι τὸ ὄνομά μου ἐκεῖ· καὶ ἐξελεξάμην τὸν Δαυὶδ τοῦ εἶναι ἐπὶ τὸν λαόν μου τὸν Ἰσραήλ.
17Daarom wilde mijn vader David een tempel bouwen voor de Naam van Jahweh, Israëls God.
17καὶ ἐγένετο ἐπὶ τῆς καρδίας τοῦ πατρός μου οἰκοδομῆσαι οἶκον τῷ ὀνόματι Κυρίου Θεοῦ Ἰσραήλ.
18Maar Jahweh sprak tot mijn vader David: “Het was goed van U, het plan op te vatten, om een tempel te bouwen voor mijn Naam.
18καὶ εἶπε Κύριος πρὸς Δαυὶδ τὸν πατέρα μου· ἀνθ᾿ ὧν ἦλθεν ἐπὶ τὴν καρδίαν σου τοῦ οἰκοδομῆσαι οἶκον τῷ ὀνόματί μου, καλῶς ἐποίησας ὅτι ἐγενήθη ἐπὶ τὴν καρδίαν σου·
19Maar niet gij zult de tempel bouwen; doch uw zoon, die uit uw lenden voortkomt, zal een tempel bouw voor mijn Naam.”
19πλὴν σὺ οὐκ οἰκοδομήσεις τὸν οἶκον, ἀλλ᾿ ἢ ὁ υἱός σου ὁ ἐξελθὼν ἐκ τῶν πλευρῶν σου, οὗτος οἰκοδομήσει τὸν οἶκον τῷ ὀνόματί μου.
20En Jahweh heeft zijn belofte vervuld. Want ik ben mijn vader David opgevolgd en heb mij neergezet op de troon van Israël, zoals Jahweh gezegd had. En nu heb ik voor Jahweh, Israëls God, een tempel gebouwd,
20καὶ ἀνέστησε Κύριος τὸ ρῆμα αὐτοῦ, ὃ ἐλάλησε, καὶ ἀνέστην ἀντὶ Δαυὶδ τοῦ πατρός μου καὶ ἐκάθισα ἐπὶ τοῦ θρόνου Ἰσραήλ, καθὼς ἐλάλησε Κύριος, καὶ ᾠκοδόμησα τὸν οἶκον τῷ ὀνόματι Κυρίου Θεοῦ Ἰσραήλ.
21en daarin een plaats bereid voor de ark, waar het Verbond berust, dat Jahweh met onze vaderen gesloten heeft, toen Hij hen uit Egypteland leidde.
21καὶ ἐθέμην ἐκεῖ τόπον τῇ κιβωτῷ, ἐν ᾗ ἐστιν ἐκεῖ διαθήκη Κυρίου, ἣν διέθετο Κύριος μετὰ τῶν πατέρων ἡμῶν ἐν τῷ ἐξαγαγεῖν αὐτὸν αὐτοὺς ἐκ γῆς Αἰγύπτου.
22Toen ging Salomon ten aanschouwen van heel de gemeenschap van Israël voor het altaar van Jahweh staan, strekte zijn handen naar de hemel uit,
22Καὶ ἀνέστη Σαλωμὼν κατὰ πρόσωπον τοῦ θυσιαστηρίου Κυρίου ἐνώπιον πάσης ἐκκλησίας Ἰσραὴλ καὶ διεπέτασε τὰς χεῖρας αὐτοῦ εἰς τὸν οὐρανόν,
23en sprak: Jahweh, God van Israël! Geen god boven in de hemel of beneden op aarde is gelijk aan U; want in goedertierenheid houdt Gij U aan het verbond met uw dienaren, die met geheel hun hart voor uw aanschijn wandelen.
23καὶ εἶπε· Κύριε ὁ Θεὸς Ἰσραήλ, οὐκ ἔστιν ὡς σὺ Θεὸς ἐν τῷ οὐρανῷ ἄνω καὶ ἐπὶ τῆς γῆς κάτω, φυλάσσων διαθήκην καὶ ἔλεος τῷ δούλῳ σου τῷ πορευομένῳ ἐνώπιόν σου ἐν ὅλῃ τῇ καρδίᾳ αὐτοῦ,
24Ook aan uw dienaar David, mijn vader, hebt Gij vervuld wat Gij hem hebt gezegd. Wat uw mond beloofde, heeft uw hand volbracht, zoals blijkt op deze dag.
24ἃ ἐφύλαξας τῷ δούλῳ σου Δαυὶδ τῷ πατρί μου· καὶ γὰρ ἐλάλησας ἐν τῷ στόματί σου καὶ ἐν χερσί σου ἐπλήρωσας ὡς ἡ ἡμέρα αὕτη.
25Welnu dan, Jahweh, Israëls God, vervul aan uw dienaar David, mijn vader, ook de belofte, die Gij hem deedt: “Nooit zal het U aan een man ontbreken, die voor mijn aanschijn op Israëls troon is gezeten, indien uw zonen slechts op hun gedrag willen letten en voor mijn aanschijn wandelen, zoals gij voor mijn aanschijn gewandeld hebt.”
25καὶ νῦν, Κύριε ὁ Θεὸς Ἰσραήλ, φύλαξον τῷ δούλῳ σου Δαυὶδ τῷ πατρί μου ἃ ἐλάλησας αὐτῷ λέγων· οὐκ ἐξαρθήσεταί σου ἀνὴρ ἐκ προσώπου μου καθήμενος ἐπὶ θρόνου Ἰσραήλ, πλὴν ἐὰν φυλάξωνται τὰ τέκνα σου τὰς ὁδοὺς αὐτῶν τοῦ πορεύεσθαι ἐνώπιόν μου, καθὼς ἐπορεύθης ἐνώπιον ἐμοῦ.
26Jahweh, God van Israël, moge ook deze belofte, die Gij mijn vader David, uw dienaar, gedaan hebt, toch worden vervuld!
26καὶ νῦν, Κύριε ὁ Θεὸς Ἰσραήλ, πιστωθήτω δὴ τὸ ρῆμά σου τῷ Δαυὶδ τῷ πατρί μου.
27Maar zou God dan werkelijk op aarde wonen? Zie de hemel, zelfs de hemel der hemelen, kan U niet bevatten; hoe dan dit huis, dat ik heb gebouwd!
27ὅτι εἰ ἀληθῶς κατοικήσει ὁ Θεὸς μετὰ ἀνθρώπων ἐπὶ τῆς γῆς; εἰ ὁ οὐρανὸς καὶ ὁ οὐρανὸς τοῦ οὐρανοῦ οὐκ ἀρκέσουσί σοι, πλὴν καὶ ὁ οἶκος οὗτος, ὃν ᾠκοδόμησα τῷ ὀνόματί σου;
28Jahweh, mijn God, luister naar het bidden en smeken van uw dienaar, en hoor het geroep en het gebed, dat uw dienaar vandaag tot U richt.
28καὶ ἐπιβλέψῃ ἐπὶ τὴν δέησίν μου, Κύριε ὁ Θεὸς Ἰσραήλ, ἀκούειν τῆς προσευχῆς, ἧς ὁ δοῦλός σου προσεύχεται ἐνώπιόν σου πρός σε σήμερον,
29Moge uw ogen dag en nacht over dit huis blijven waken, over de plaats, waarvan Gij gezegd hebt: “Mijn Naam zal daar wonen!” Hoor het gebed, dat uw dienaar op deze plaats tot U opzendt;
29τοῦ εἶναι τοὺς ὀφθαλμούς σου ἠνεῳγμένους εἰς τὸν οἶκον τοῦτον ἡμέρας καὶ νυκτός, εἰς τὸν τόπον, ὃν εἶπας· ἔσται τὸ ὄνομά μου ἐκεῖ, τοῦ εἰσακούειν τῆς προσευχῆς, ἧς προσεύχεται ὁ δοῦλός σου εἰς τὸν τόπον τοῦτον ἡμέρας καὶ νυκτός.
30luister naar de smeekbede, die uw dienaar en Israël, uw volk, op deze plaats tot U richten. En wanneer Gij ze hoort, in de hemel, uw woonstede, verhoor ze dan ook, en schenk vergiffenis.
30καὶ εἰσακούσῃ τῆς δεήσεως τοῦ δούλου σου καὶ τοῦ λαοῦ σου Ἰσραήλ, ἃ ἂν προσεύξωνται εἰς τὸν τόπον τοῦτον, καὶ σὺ εἰσακούσῃ ἐν τῷ τόπῳ τῆς κατοικήσεώς σου ἐν οὐρανῷ καὶ ποιήσεις καὶ ἵλεως ἔσῃ.
31Wanneer iemand tegen zijn naaste misdoet, en deze hem een eed oplegt als bewijs voor zijn onschuld, en hij voor die eed in dit huis verschijnt voor uw altaar:
31ὅσα ἂν ἁμάρτῃ ἕκαστος τῷ πλησίον αὐτοῦ, καὶ ἐὰν λάβῃ ἐπ᾿ αὐτὸν ἀρὰν τοῦ ἀράσασθαι αὐτόν, καὶ ἔλθῃ καὶ ἐξαγορεύσῃ κατὰ πρόσωπον τοῦ θυσιαστηρίου σου ἐν τῷ οἴκῳ τούτῳ,
32luister dan in de hemel, en richt uw dienaren; veroordeel den schuldige, door zijn daad op zijn hoofd te doen neerkomen. maar stel den onschuldige in het gelijk, door hem voor zijn onschuld te belonen.
32καὶ σὺ εἰσακούσῃ ἐκ τοῦ οὐρανοῦ καὶ ποιήσεις καὶ κρινεῖς τὸν λαόν σου Ἰσραὴλ ἀνομηθῆναι ἄνομον, δοῦναι τὴν ὁδὸν αὐτοῦ εἰς κεφαλὴν αὐτοῦ καὶ τοῦ δικαιῶσαι δίκαιον, δοῦναι αὐτῷ κατὰ τὴν δικαιοσύνην αὐτοῦ.
33Wanneer Israël, uw volk, omdat het tegen U heeft gezondigd, door zijn vijand wordt verslagen, maar het bekeert zich tot U, prijst uw Naam en bidt en smeekt tot U in dit huis:
33ἐν τῷ πταῖσαι τὸν λαόν σου Ἰσραὴλ ἐνώπιον ἐχθρῶν, ὅτι ἁμαρτήσονταί σοι, καὶ ἐπιστρέψουσι καὶ ἐξομολογήσονται τῷ ὀνόματί σου καὶ προσεύξονται καὶ δεηθήσονται ἐν τῷ οἴκῳ τούτω,
34luister dan in de hemel, vergeef de zonden van Israël, uw volk, en laat het terugkeren naar het land, dat Gij aan zijn vaderen hebt geschonken.
34καὶ σὺ εἰσακούσῃ ἐκ τοῦ οὐρανοῦ καὶ ἵλεως ἔσῃ ταῖς ἁμαρτίαις τοῦ λαοῦ σου Ἰσραὴλ καὶ ἐπιστρέψεις αὐτοὺς εἰς τὴν γῆν, ἣν ἔδωκας τοῖς πατράσιν αὐτῶν.
35Wanneer de hemel gesloten blijft en er geen regen valt, omdat ze tegen U zondigen, maar ze bidden dan op deze plaats, prijzen uw Naam en bekeren zich van hun zonden, omdat Gij ze vernedert:
35ἐν τῷ συσχεθῆναι τὸν οὐρανὸν καὶ μὴ γενέσθαι ὑετόν, ὅτι ἁμαρτήσονταί σοι, καὶ προσεύξονται εἰς τὸν τόπον τοῦτον καὶ ἐξομολογήσονται τῷ ὀνόματί σου καὶ ἀπὸ τῶν ἁμαρτιῶν αὐτῶν ἀποστρέψουσιν, ὅταν ταπεινώσῃς αὐτούς,
36luister dan in de hemel, vergeef de zonden van uw dienaar en van Israël, uw volk; wijs het de goede weg, die het bewandelen moet, en geef weer regen op uw land, dat Gij aan uw volk hebt geschonken als erfdeel.
36καὶ εἰσακούσῃ ἐκ τοῦ οὐρανοῦ καὶ ἵλεως ἔσῃ ταῖς ἁμαρτίαις τοῦ δούλου σου καὶ τοῦ λαοῦ σου Ἰσραήλ· ὅτι δηλώσεις αὐτοῖς τὴν ὁδὸν τὴν ἀγαθὴν πορεύεσθαι ἐν αὐτῇ καὶ δώσεις ὑετὸν ἐπὶ τὴν γῆν, ἣν ἔδωκας τῷ λαῷ σου ἐν κληρονομίᾳ.
37Wanneer het land wordt geteisterd door hongersnood of pest, door korenbrand of verdorring, door sprinkhaan of knaagbek; wanneer het volk in een van zijn poorten door den vijand wordt benauwd, of bezocht wordt door plagen en ziekten;
37λιμὸς ἐὰν γένηται, θάνατος ἐὰν γένηται, ὅτι ἔσται ἐμπυρισμός, βροῦχος, ἐρυσίβη ἐὰν γένηται, καὶ ἐὰν θλίψῃ αὐτὸν ὁ ἐχθρὸς αὐτοῦ ἐν μιᾷ τῷν πόλεων αὐτοῦ, πᾶν συνάντημα, πάντα πόνον,
38wanneer iemand van uw volk Israël, in het bijzonder, in droefheid of leed komt bidden en smeken, en zijn handen uitstrekt naar dit huis:
38πᾶσαν προσευχήν, πᾶσαν δέησιν, ἐὰν γένηται παντὶ ἀνθρώπῳ ὡς ἂν γνῶσιν ἕκαστος ἁφὴν καρδίας αὐτοῦ καὶ διαπετάσῃ τὰς χεῖρας αὐτοῦ εἰς τὸν οἶκον τοῦτον,
39luister dan in de hemel, uw woonstede, en schenk vergiffenis; grijp in en vergeld eenieder zijn werken. Want Gij kent de harten; Gij alleen kent het hart aller mensen.
39καὶ σὺ εἰσακούσῃ ἐκ τοῦ οὐρανοῦ ἐξ ἑτοίμου κατοικητηρίου σου καὶ ἵλεως ἔσῃ καὶ ποιήσεις καὶ δώσεις ἀνδρὶ κατὰ τὰς ὁδοὺς αὐτοῦ, καθὼς ἂν γνῷς τὴν καρδίαν αὐτοῦ, ὅτι σὺ μονώτατος οἶδας τὴν καρδίαν πάντων υἱῶν ἀνθρώπων,
40Dan zullen zij U vrezen heel hun leven in het land, dat Gij aan onze vaderen hebt geschonken.
40ὅπως φοβῶνταί σε πάσας τὰς ἡμέρας, ὅσας αὐτοὶ ζῶσιν ἐπὶ τῆς γῆς, ἧς ἔδωκας τοῖς πατράσιν ἡμῶν.
41Zelfs wanneer een vreemdeling, die niet tot uw volk Israël behoort, terwille van uw Naam uit een ver land zal komen, en in dit huis verschijnt, om te bidden,
41καὶ τῷ ἀλλοτρίῳ, ὃς οὐκ ἔστιν ἀπὸ λαοῦ σου οὗτος,
42omdat hij van uw grote Naam, uw sterke hand en uw gespierde arm heeft gehoord:
42καὶ ἥξουσι καὶ προσεύξονται εἰς τὸν τόπον τοῦτον,
43luister dan in de hemel, uw woonstede, en doe wat deze vreemdeling U vraagt; opdat alle volkeren der aarde uw naam mogen kennen, U vrezen als Israël, uw volk, en mogen ondervinden, dat de tempel, die ik voor U heb gebouwd, uw Naam draagt.
43καὶ σὺ εἰσακούσῃ ἐκ τοῦ οὐρανοῦ ἐξ ἑτοίμου κατοικητηρίου σου καὶ ποιήσεις κατὰ πάντα, ὅσα ἂν ἐπικαλέσηταί σε ὁ ἀλλότριος, ὅπως γνῶσι πάντες οἱ λαοὶ τὸ ὄνομά σου, καὶ φοβῶνταί σε, καθὼς ὁ λαός σου Ἰσραήλ, καὶ γνῶσιν ὅτι τὸ ὄνομά σου ἐπικέκληται ἐπὶ τὸν οἶκον τοῦτον, ὃν ᾠκοδόμησα.
44Wanneer uw volk op uw bevel tegen den vijand ten strijde trekt, en zij bidden tot Jahweh in de richting van de stad, die Gij hebt uitverkoren, en van het huis, dat ik voor uw Naam heb gebouwd:
44ὅτι ἐξελεύσεται ὁ λαός σου εἰς πόλεμον ἐπὶ τοὺς ἐχθροὺς αὐτοῦ ἐν ὁδῷ, ᾗ ἐπιστρέψεις αὐτούς, καὶ προσεύξονται ἐν ὀνόματι Κυρίου ὁδὸν τῆς πόλεως, ἧς ἐξελέξω ἐν αὐτῇ, καὶ τοῦ οἴκου, οὗ ᾠκοδόμησα τῷ ὀνόματί σου,
45luister dan in de hemel naar hun bidden en smeken, en verschaf hun recht.
45καὶ σὺ εἰσακούσῃ ἐκ τοῦ οὐρανοῦ τῆς δεήσεως αὐτῶν καὶ τῆς προσευχῆς αὐτῶν καὶ ποιήσεις τὸ δικαίωμα αὐτοῖς.
46Wanneer ze tegen U zondigen—want er is niemand, die niet zondigt—en Gij levert ze in uw toorn aan een vijand over, zodat ze gevangen worden weggevoerd naar het land van dien vijand, veraf of dichtbij;
46ὅτι ἁμαρτήσονταί σοι ὅτι οὐκ ἔστιν ἄνθρωπος, ὃς οὐχ ἁμαρτήσεται καὶ ἐπάξεις αὐτοὺς καὶ παραδώσεις αὐτοὺς ἐνώπιον ἐχθρῶν καὶ αἰχμαλωτιοῦσιν οἱ αἰχμαλωτίζοντες εἰς γῆν μακρὰν καὶ ἐγγύς,
47wanneer ze dan in het land hunner ballingschap tot nadenken komen, zich bekeren en in het land van hen, die ze wegvoerden, smekend tot U zeggen: “We hebben gezondigd, en slecht en goddeloos gehandeld”;
47καὶ ἐπιστρέψουσι καρδίας αὐτῶν ἐν τῇ γῇ, οὗ μετήχθησαν ἐκεῖ, καὶ ἐπιστρέψουσιν ἐν γῇ μετοικίας αὐτῶν καὶ δεηθῶσί σου λέγοντες· ἡμάρτομεν, ἠδικήσαμεν, ἠνομήσαμεν,
48wanneer ze zich met geheel hun hart en geheel hun ziel tot U bekeren in het land hunner vijanden, die hen hebben weggevoerd, en ze bidden tot U in de richting van het land, dat Gij aan hun vaderen hebt geschonken, in de richting van de stad, die Gij hebt uitverkoren, en van het huis, dat ik voor uw Naam heb gebouwd:
48καὶ ἐπιστρέψωσι πρός σε ἐν ὅλῃ καρδίᾳ αὐτῶν καὶ ἐν ὅλῃ ψυχῇ αὐτῶν ἐν τῇ γῇ ἐχθρῶν αὐτῶν, οὗ μετήγαγες αὐτούς, καὶ προσεύξονται πρός σε, ὁδὸν γῆς αὐτῶν, ἧς ἔδωκας τοῖς πατράσιν αὐτῶν, καὶ τῆς πόλεως, ἧς ἐξελέξω, καὶ τοῦ οἴκου, οὗ ᾠκοδόμηκα τῷ ὀνόματί σου,
49luister dan in de hemel, uw woonstede, naar hun bidden en smeken, en verschaf hun recht.
49καὶ εἰσακούσῃ ἐκ τοῦ οὐρανοῦ ἐξ ἑτοίμου κατοικητηρίου σου
50Schenk vergiffenis aan het volk, dat tegen U misdeed, en vergeef hun al de zonden, die ze tegen U bedreven; laat ze genade vinden bij hun ontvoerders, opdat dezen zich over hen ontfermen.
50καὶ ἵλεως ἔσῃ ταῖς ἀδικίαις αὐτῶν, αἷς ἥμαρτόν σοι, καὶ κατὰ πάντα τὰ ἀθετήματα αὐτῶν, ἃ ἠθέτησάν σοι, καὶ δώσεις αὐτοὺς εἰς οἰκτιρμοὺς ἐνώπιον αἰχμαλωτευόντων αὐτούς, καὶ οἰκτειρήσουσιν αὐτούς·
51Want ze zijn uw volk en uw erfdeel; Gij hebt ze uit die smeltoven, uit Egypte, geleid!
51ὅτι λαός σου καὶ κληρονομία σου, οὓς ἐξήγαγες ἐκ γῆς Αἰγύπτου ἐκ μέσου χωνευτηρίου σιδήρου.
52Houd dus uw ogen open voor het gebed van uw dienaar en van Israël, uw volk, en verhoor hen steeds, wanneer ze tot U smeken.
52καὶ ἔστρωσαν οἱ ὀφθαλμοί σου καὶ τὰ ὦτά σου ᾐνεῳγμένα εἰς τὴν δέησιν τοῦ δούλου σου καὶ εἰς τὴν δέησιν τοῦ λαοῦ σου Ἰσραὴλ εἰσακούειν αὐτῶν ἐν πᾶσιν, οἷς ἂν ἐπικαλέσωνταί σε,
53Want uit alle volkeren der aarde hebt Gij ze tot uw erfdeel verkoren, zoals Gij door uw dienaar Moses gezegd hebt, toen Gij onze vaderen uit Egypte hebt geleid, o Jahweh, mijn Heer!
53ὅτι σὺ διέστειλας αὐτοὺς σεαυτῷ εἰς κληρονομίαν ἐκ πάντων τῶν λαῶν τῆς γῆς, καθὼς ἐλάλησας ἐν χειρὶ δούλου σου Μωυσῆ ἐν τῷ ἐξαγαγεῖν σε τοὺς πατέρας ἡμῶν ἐκ γῆς Αἰγύπτου, Κύριε Κύριε. α Τότε ἐλάλησε Σαλωμὼν ὑπὲρ τοῦ οἴκου, ὡς συνετέλεσε τοῦ οἰκοδομῆσαι αὐτόν, Ἣλιον ἐγνώρισεν ἐν οὐρανῷ Κύριος, εἶπε τοῦ κατοικεῖν ἐν γνόφῳ· οἰκοδόμησον οἶκόν μου, οἶκον εὐπρεπῆ σεαυτῷ, τοῦ κατοικεῖν ἐπὶ καινότητος. οὐκ ἰδοὺ αὕτη γέγραπται ἐν βιβλίῳ τῆς ᾠδῆς;
54Toen Salomon heel dit smeekgebed tot Jahweh had opgezonden, stond hij op van Jahweh’s altaar, waarvoor hij geknield had gelegen, de handen naar de hemel uitgestrekt.
54Καὶ ἐγένετο ὡς συνετέλεσε Σαλωμὼν προσευχόμενος πρὸς Κύριον ὅλην τὴν προσευχὴν καὶ τὴν δέησιν ταύτην, καὶ ἀνέστη ἀπὸ προσώπου τοῦ θυσιαστηρίου Κυρίου ὀκλακὼς ἐπὶ τὰ γόνατα αὐτοῦ καὶ αἱ χεῖρες αὐτοῦ διαπεπετασμέναι εἰς τὸν οὐρανόν.
55En rechtovereind sprak hij met luider stem deze zegen over heel de gemeenschap van Israël uit:
55καὶ ἔστη καὶ εὐλόγησε πᾶσαν ἐκκλησίαν Ἰσραὴλ φωνῇ μεγάλῃ λέγων·
56Gezegend zij Jahweh, die, zijn belofte getrouw, zijn volk Israël rust heeft gegeven. Niet één woord van al de beloften, die Hij door zijn dienaar Moses gedaan heeft, is onvervuld gebleven.
56εὐλογητὸς Κύριος σήμερον, ὃς ἔδωκε κατάπαυσιν τῷ λαῷ αὐτοῦ Ἰσραὴλ κατὰ πάντα, ὅσα ἐλάλησεν· οὐ διεφώνησε λόγος εἷς ἐν πᾶσι τοῖς λόγοις αὐτοῦ τοῖς ἀγαθοῖς, οἷς ἐλάλησεν ἐν χειρὶ δούλου αὐτοῦ Μωυσῆ.
57Moge Jahweh, onze God, met ons zijn, zoals Hij met onze vaderen geweest is, en ons nooit verlaten, ons nooit verwerpen.
57γένοιτο Κύριος ὁ Θεὸς ἡμῶν μεθ᾿ ἡμῶν, καθὼς ἦν μετὰ τῶν πατέρων ἡμῶν· μὴ ἐγκαταλίποιτο ἡμᾶς μηδὲ ἀποστρέψοιτο ἡμᾶς,
58Moge Hij onze harten tot Zich neigen, opdat wij al zijn wegen bewandelen, en zijn geboden, wetten en voorschriften onderhouden, die Hij aan onze vaderen heeft gegeven.
58ἐπικλῖναι καρδίας ἡμῶν ἐπ᾿ αὐτὸν τοῦ πορεύεσθαι ἐν πάσαις ὁδοῖς αὐτοῦ καὶ φυλάσσειν πάσας ἐντολὰς αὐτοῦ καὶ τὰ προστάγματα αὐτοῦ, ἃ ἐνετείλατο τοῖς πατράσιν ἡμῶν.
59Moge de bede, die ik smekend tot Jahweh, onzen God, heb gericht, dag en nacht voor zijn aanschijn blijven, opdat Hij zijn dienaar en Israël, zijn volk, dagelijks geve wat zij behoeven,
59καὶ ἔστρωσαν οἱ λόγοι οὗτοι, ὡς δεδέημαι ἐνώπιον Κυρίου Θεοῦ ἡμῶν, ἐγγίζοντες πρὸς Κύριον Θεὸν ἡμῶν ἡμέρας καὶ νυκτός, τοῦ ποιεῖν τὸ δικαίωμα τοῦ δούλου σου καὶ τὸ δικαίωμα λαοῦ Ἰσραὴλ ρῆμα ἡμέρας ἐν ἡμέρᾳ ἐνιαυτοῦ,
60en alle volkeren der aarde weten, dat Jahweh God is en anders geen.
60ὅπως γνῶσιν πάντες οἱ λαοὶ τῆς γῆς, ὅτι Κύριος ὁ Θεός, αὐτὸς Θεὸς καὶ οὐκ ἔστιν ἔτι.
61Mogen uw harten steeds onverdeeld aan Jahweh, onzen God, toebehoren, zodat gij volgens zijn wetten blijft leven, en evenals nu zijn geboden onderhoudt.
61καὶ ἔστρωσαν οἱ καρδίαι ἡμῶν τέλειαι πρὸς Κύριον Θεὸν ἡμῶν καὶ ὁσίως πορεύεσθαι ἐν τοῖς προστάγμασιν αὐτοῦ καὶ φυλάσσειν ἐντολὰς αὐτοῦ ὡς ἡ ἡμέρα αὕτη.
62Nu bracht de koning met heel Israël offers aan Jahweh;
62Καὶ ὁ βασιλεὺς καὶ πάντες οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ ἔθυσαν θυσίαν ἐνώπιον Κυρίου.
63twee en twintig duizend runderen en honderd twintig duizend schapen droeg Salomon als vredeoffer aan Jahweh op. Zo wijdde de koning met al de Israëlieten de tempel van Jahweh in.
63καὶ ἔθυσεν ὁ βασιλεὺς Σαλωμὼν τὰς θυσίας τῶν εἰρηνικῶν, ἃς ἔθυσε τῷ Κυρίῳ, βοῶν δύο καὶ εἴκοσι χιλιάδας καὶ προβάτων ἑκατὸν καὶ εἴκοσι χιλιάδας· καὶ ἐνεκαίνισε τὸν οἶκον Κυρίου ὁ βασιλεὺς καὶ πάντες οἱ υἱοὶ Ἰσραήλ.
64Bij die gelegenheid wijdde de koning het middelste gedeelte van de voorhof voor de tempel van Jahweh, omdat men ook daar brandoffers, spijsoffers en het vet van de vredeoffers moest opdragen. Want op het bronzen altaar voor het aanschijn van Jahweh was geen plaats genoeg voor al die brand- en spijsoffers en voor het vet van al die vredeoffers.
64τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ ἡγίασεν ὁ βασιλεὺς τὸ μέσον τῆς αὐλῆς τὸ κατὰ πρόσωπον τοῦ οἴκου Κυρίου· ὅτι ἐποίησεν ἐκεῖ τὴν ὁλοκαύτωσιν καὶ τὰς θυσίας καὶ τὰ στέατα τῶν εἰρηνικῶν, ὅτι τὸ θυσιαστήριον τὸ χαλκοῦν τὸ ἐνώπιον Κυρίου μικρόν· τοῦ μὴ δύνασθαι τὴν ὁλοκαύτωσιν καὶ τὰς θυσίας τῶν εἰρηνικῶν ὑπενεγκεῖν.
65Daarna vierde Salomon met al de Israëlieten, die van de weg naar Chamat af tot aan de beek van Egypte in grote menigte tezamen waren gekomen, zeven dagen lang het feest voor het aanschijn van Jahweh, onzen God.
65καὶ ἐποίησε Σαλωμὼν τὴν ἑορτὴν ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ, καὶ πᾶς Ἰσραὴλ μετ᾿ αὐτοῦ, ἐκκλησία μεγάλη ἀπὸ τῆς εἰσόδου Ἡμὰθ ἕως ποταμοῦ Αἰγύπτου, ἐνώπιον Κυρίου Θεοῦ ἡμῶν ἐν τῷ οἴκῳ, ᾧ ᾠκοδόμησεν, ἐσθίων καὶ πίνων καὶ εὐφραινόμενος ἐνώπιον Κυρίου Θεοῦ ἡμῶν ἑπτὰ ἡμέρας.
66Op de achtste dag liet hij het volk gaan. Zij namen afscheid van den koning, en gingen met opgewekt hart naar huis, blij als ze waren over al het goede, dat Jahweh voor David, zijn dienaar, en voor Israël, zijn volk, had gedaan.
66καὶ ἐν τῇ ἡμέρᾳ τῇ ὀγδόῃ ἐξαπέστειλε τὸν λαὸν καὶ εὐλόγησαν τὸν βασιλέα, καὶ ἀπῆλθεν ἕκαστος εἰς τὰ σκηνώματα αὐτοῦ χαίροντες καὶ ἀγαθῇ καρδίᾳ ἐπὶ τοῖς ἀγαθοῖς, οἷς ἐποίησε Κύριος τῷ Δαυὶδ δούλῳ αὐτοῦ καὶ τῷ Ἰσραὴλ λαῷ αὐτοῦ.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.