1 Koningen 15
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1In het achttiende regeringsjaar van Jeroboam, den zoon van Nebat, werd Abias koning van Juda.
1ΚΑΙ ἐν τῷ ὀκτωκαιδεκάτῳ ἔτει βασιλεύοντος Ἱεροβοὰμ υἱοῦ Ναβάτ, βασιλεύει Ἀβιοὺ υἱὸς Ροβοὰμ ἐπὶ Ἰούδαν.
2Hij regeerde drie jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Maäka, en was de dochter van Oeriël uit Giba.
2καὶ τρία ἔτη ἐβασίλευσεν ἐπὶ Ἱερουσαλήμ, καὶ ὄνομα τῆς μητρὸς αὐτοῦ Μααχά, θυγάτηρ Ἀβεσσαλώμ,
3Hij bedreef al de zonden, die vroeger zijn vader gedaan had, en zijn hart behoorde niet onverdeeld aan Jahweh, zijn God, zoals het hart van zijn vader David.
3καὶ ἐπορεύθη ἐν ταῖς ἁμαρτίαις τοῦ πατρὸς αὐτοῦ, αἷς ἐποίησεν ἐνώπιον αὐτοῦ, καὶ οὐκ ἦν ἡ καρδία αὐτοῦ τελεία μετὰ Κυρίου Θεοῦ αὐτοῦ ὡς ἡ καρδία τοῦ πατρὸς αὐτοῦ.
4Maar terwille van David schonk Jahweh, zijn God, hem een licht te Jerusalem, door zijn zoon na hem aan te stellen en Jerusalem te laten voortbestaan.
4ὅτι διὰ Δαυὶδ ἔδωκεν αὐτῷ Κύριος κατάλειμμα, ἵνα στήσῃ τὰ τέκνα αὐτοῦ μετ᾿ αὐτὸν καὶ στήσῃ τὴν Ἱερουσαλήμ,
5Want David had steeds gedaan wat goed was in de ogen van Jahweh, en was zijn leven lang niet afgeweken van al zijn geboden.
5ὡς ἐποίησε Δαυὶδ τὸ εὐθὲς ἐνώπιον Κυρίου, οὐκ ἐξέκλινεν ἀπὸ πάντων, ὧν ἐνετείλατο αὐτῷ, πάσας τὰς ἡμέρας τῆς ζωῆς αὐτοῦ.
6-
no verse 6 in this text
7De verdere geschiedenis van Abias, met al wat hij deed, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda. Ook tussen Abias en Jeroboam werd oorlog gevoerd.
7καὶ τὰ λοιπὰ τῶν λόγων Ἀβιοὺ τὰ πάντα, ἃ ἐποίησεν, οὐκ ἰδοὺ ταῦτα γεγραμμένα ἐπὶ βιβλίῳ λόγων τῶν ἡμερῶν τοῖς βασιλεῦσιν Ἰούδα; καὶ πόλεμος ἦν ἀνὰ μέσον Ἀβιοὺ καὶ ἀνὰ μέσον Ἱεροβοάμ.
8Abias ging bij zijn vaderen te ruste, en werd in de Davidstad begraven. Zijn zoon Asa volgde hem op.
8καὶ ἐκοιμήθη Ἀβιοὺ μετὰ τῶν πατέρων αὐτοῦ ἐν τῷ εἰκοστῷ καὶ τετάρτῳ ἔτει τοῦ Ἱεροβοὰμ καὶ θάπτεται μετὰ τῶν πατέρων αὐτοῦ ἐν πόλει Δαυίδ, καὶ βασιλεύει Ἀσὰ υἱὸς αὐτοῦ ἀντ᾿ αὐτοῦ.
9In het twintigste jaar der regering van Jeroboam over Israël werd Asa koning van Juda5.
9Ἐν τῷ ἐνιαυτῷ τετάρτῳ καὶ εἰκοστῷ τοῦ Ἱεροβοὰμ βασιλέως Ἰσραὴλ βασιλεύει Ἀσὰ ἐπὶ Ἰούδαν
10Hij regeerde een en veertig jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Maäka, en was de dochter van Abisjalom.
10καὶ τεσσαράκοντα καὶ ἓν ἔτος ἐβασίλευσεν ἐν Ἱερουσαλήμ, καὶ ὄνομα τῆς μητρὸς αὐτοῦ Ἀνὰ θυγάτηρ Ἀβεσσαλώμ.
11Evenals zijn vader David deed Asa wat goed was in de ogen van Jahweh.
11καὶ ἐποίησεν Ἀσὰ τὸ εὐθὲς ἐνώπιον Κυρίου ὡς Δαυὶδ ὁ πατὴρ αὐτοῦ.
12Hij verdreef de verminkten uit het land en verwijderde al de schandgoden, die zijn vaderen gemaakt hadden.
12καὶ ἀφεῖλε τὰς τελετὰς ἀπὸ τῆς γῆς καὶ ἐξαπέστειλε πάντα τὰ ἐπιτηδεύματα, ἃ ἐποίησαν οἱ πατέρες αὐτοῦ.
13Ook zette hij zijn moeder Maäka als gebiedster af, omdat zij een schandbeeld van Asjera gemaakt had. Asa sloeg dit schandbeeld neer en verbrandde het in het Kedrondal.
13καὶ τὴν Ἀνὰ τὴν μητέρα ἑαυτοῦ μετέστησε τοῦ μὴ εἶναι ἡγουμένην, καθὼς ἐποίησε σύνοδον ἐν τῷ ἄλσει αὐτῆς, καὶ ἐξέκοψεν Ἀσὰ τὰς καταδύσεις αὐτῆς καὶ ἐνέπρησε πυρὶ ἐν τῷ χειμάρρῳ Κέδρων.
14En ofschoon de offerhoogten niet werden afgeschaft, bleef Asa toch zijn leven lang Jahweh onverdeeld trouw.
14τὰ δὲ ὑψηλὰ οὐκ ἐξῇρε· πλὴν ἡ καρδία Ἀσὰ ἦν τελεία μετὰ Κυρίου πάσας τὰς ἡμέρας αὐτοῦ.
15Met de wijgeschenken van zijn vader bracht hij ook zijn eigen wijgeschenken naar de tempel van Jahweh: zilver, goud en andere voorwerpen.
15καὶ εἰσήνεγκε τοὺς κίονας τοῦ πατρὸς αὐτοῦ καὶ τοὺς κίονας αὐτοῦ εἰσήνεγκεν εἰς τὸν οἶκον Κυρίου, ἀργυροῦς καὶ χρυσοῦς καὶ σκεύη.
16Er was voortdurend oorlog tussen Asa en Basja, den koning van Israël.
16καὶ πόλεμος ἦν ἀνὰ μέσον Ἀσὰ καὶ ἀνὰ μέσον Βαασὰ βασιλέως Ἰσραὴλ πάσας τὰς ἡμέρας αὐτῶν.
17Eens trok Basja, de koning van Israël, naar Juda op, en versterkte Rama, om te beletten, dat er nog iemand van Asa, den koning van Juda, het land in- of uitging.
17καὶ ἀνέβη Βαασὰ βασιλεὺς Ἰσραὴλ ἐπὶ Ἰούδαν καὶ ᾠκοδόμησε τὴν Ραμὰ τοῦ μὴ εἶναι ἐκπορευόμενον καὶ εἰσπορευόμενον τῷ Ἀσὰ βασιλεῖ Ἰούδα.
18Maar Asa nam al het zilver en het goud, dat nog in de schatkamers van de tempel van Jahweh en van het koninklijk paleis was overgebleven, en zond er zijn beambten mee naar Ben-Hadad, den zoon van Tabrimmon, den zoon van Chezjon, den koning van Aram, die te Damascus woonde. Hij liet hem zeggen:
18καὶ ἔλαβεν Ἀσὰ σύμπαν τὸ ἀργύριον καὶ τὸ χρυσίον τὸ εὑρεθὲν ἐν τοῖς θησαυροῖς οἴκου Κυρίου καὶ ἐν τοῖς θησαυροῖς τοῦ οἴκου τοῦ βασιλέως καὶ ἔδωκεν αὐτὰ εἰς χεῖρας παίδων αὐτοῦ, καὶ ἐξαπέστειλεν αὐτοὺς ὁ βασιλεὺς Ἀσὰ πρὸς υἱὸν Ἄδερ υἱὸν Ταβερεμμὰν υἱοῦ Ἀζὶν βασιλέως Συρίας τοῦ κατοικοῦντος ἐν Δαμασκῷ λέγων·
19Laat ons een verbond sluiten, zoals er een bestond tussen mijn vader en uw vader. Hierbij zend ik u een geschenk in zilver en goud. Verbreek dus uw verbond met Basja, den koning van Israël; dan zal hij wel van mij wegtrekken.
19διάθου διαθήκην ἀνὰ μέσον ἐμοῦ καὶ ἀνὰ μέσον σοῦ καὶ ἀνὰ μέσον τοῦ πατρός μου καὶ τοῦ πατρός σου· ἰδοὺ ἐξαπέσταλκά σοι δῶρα ἀργύριον καὶ χρυσίον, δεῦρο διασκέδασον τὴν διαθήκην σου τὴν πρὸς Βαασὰ βασιλέα Ἰσραήλ, καὶ ἀναβήσεται ἀπ᾿ ἐμοῦ.
20Ben-Hadad willigde het verzoek van koning Asa in; hij zond zijn legeroversten naar de steden van Israël, en overweldigde Ijjon, Dan, Abel-Bet-Maäka, heel Gennezaret met het hele land van Neftali.
20καὶ ἤκουσεν υἱὸς Ἄδερ τοῦ βασιλέως Ἀσὰ καὶ ἀπέστειλε τοὺς ἄρχοντας τῶν δυνάμεων αὐτοῦ ταῖς πόλεσι τοῦ Ἰσραὴλ καὶ ἐπάταξαν τὴν Ἀΐν, τὴν Δὰν καὶ τὴν Ἀβελμαὰ καὶ πᾶσαν τὴν Χεννερὲθ ἕως πάσης τῆς γῆς Νεφθαλί.
21Toen Basja dit hoorde, hield hij op Rama te versterken, en keerde naar Tirsa terug.
21καὶ ἐγένετο ὡς ἤκουσε Βαασά, καὶ διέλιπε τοῦ οἰκοδομεῖν τὴν Ραμὰ καὶ ἀνέστρεψεν εἰς Θερσά.
22Nu riep Asa heel Juda op; niemand werd vrijgesteld. Zij droegen de stenen en het hout, waar Basja mee aan het bouwen was geweest, van Rama weg, en koning Asja verstrekte daarmee Géba van Benjamin, en Mispa.
22καὶ ὁ βασιλεὺς Ἀσὰ παρήγγειλε παντὶ Ἰούδα εἰς Αἰνακίμ, καὶ αἴρουσι τοὺς λίθους τῆς Ραμὰ καὶ τὰ ξύλα αὐτῆς, ἃ ᾠκοδόμησε Βαασά, καὶ ᾠκοδόμησεν ἐν αὐτοῖς ὁ βασιλεὺς Ἀσὰ πᾶν βουνὸν Βενιαμὶν καὶ τὴν σκοπιάν.
23De verdere geschiedenis van Asa, met al zijn daden en krijgsverrichtingen, en de steden, die hij heeft gebouwd, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda. Op zijn oude dag kreeg hij een ziekte aan zijn voeten.
23καὶ τὰ λοιπὰ τῶν λόγων Ἀσὰ καὶ πᾶσα ἡ δυναστεία αὐτοῦ, ἣν ἐποίησε, καὶ τὰς πόλεις, ἃς ᾠκοδόμησεν, οὐκ ἰδοὺ ταῦτα γεγραμμένα ἐστὶν ἐπὶ βιβλίῳ λόγων τῶν ἡμερῶν τοῖς βασιλεῦσιν Ἰούδα; πλὴν ἐν τῷ καιρῷ τοῦ γήρως αὐτοῦ ἐπόνεσε τοὺς πόδας αὐτοῦ.
24Hij ging bij zijn vaderen te ruste, en werd in de stad van zijn vader David begraven. Zijn zoon Josafat volgde hem op.
24καὶ ἐκοιμήθη Ἀσὰ μετὰ τῶν πατέρων αὐτοῦ καὶ θάπτεται μετὰ τῶν πατέρων αὐτοῦ ἐν πόλει Δαυὶδ πατρὸς αὐτοῦ, καὶ βασιλεύει Ἰωσαφὰτ υἱὸς αὐτοῦ ἀντ᾿ αὐτοῦ.
25In het tweede jaar der regering van Asa over Juda werd Nadab, de zoon van Jeroboam, koning van Israël. Hij regeerde twee jaar over Israël.
25Καὶ Ναδὰβ υἱὸς Ἱεροβοὰμ βασιλεύει ἐπὶ Ἰσραήλ ἐν ἔτει δευτέρῳ τοῦ Ἀσὰ βασιλέως Ἰούδα καὶ ἐβασίλευσεν ἐν Ἰσραὴλ ἔτη δύο.
26Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh; hij volgde het wangedrag van zijn vader, en beging de zonden, waartoe deze Israël had verleid.
26καὶ ἐποίησε τὸ πονηρὸν ἐνώπιον Κυρίου καὶ ἐπορεύθη ἐν ὁδῷ τοῦ πατρὸς αὐτοῦ καὶ ἐν ταῖς ἁμαρτίαις αὐτοῦ, αἷς ἐξήμαρτε τὸν Ἰσραὴλ.
27Basja, de zoon van Achi-ja, uit het huis van Ossakar, smeedde een samenzwering tegen hem. Hij vermoordde Nadab bij Gibbeton, een filistijnse stad, terwijl Nadab met heel Israël Gibbeton belegerde.
27καὶ περιεκάθισεν αὐτὸν Βαασὰ υἱὸς Ἀχιὰ ἐπὶ τὸν οἶκον Βελαὰν καὶ ἐχάραξεν αὐτὸν ἐν Γαβαθὼν τῇ τῶν ἀλλοφύλων, καὶ Ναδὰβ καὶ πᾶς Ἰσραὴλ περιεκάθητο ἐπὶ Γαβαθών.
28Basja doodde hem in het derde jaar der regering van Asa over Juda, en werd koning in zijn plaats.
28καὶ ἐθανάτωσεν αὐτὸν Βαασὰ ἐν ἔτει τρίτῳ τοῦ Ἀσὰ υἱοῦ Ἀβιοὺ βασιλέως Ἰούδα καὶ ἐβασίλευσεν ἀντ᾿ αὐτοῦ.
29Zodra hij aan de regering kwam, moordde hij het hele huis van Jeroboam uit; hij vernietigde heel zijn geslacht, en liet er geen levend wezen van over. Dit geschiedde volgens het woord, dat Jahweh door zijn dienaar Achi-ja uit Sjilo gesproken had,
29καὶ ἐγένετο ὡς ἐβασίλευσε, καὶ ἐπάταξεν ὅλον τὸν οἶκον Ἱεροβοὰμ καὶ οὐχ ὑπελίπετο πᾶσαν πνοὴν τοῦ Ἱεροβοὰμ ἕως τοῦ ἐξολοθρεῦσαι αὐτὸν κατὰ τὸ ρῆμα Κυρίου, ὃ ἐλάλησεν ἐν χειρὶ δούλου αὐτοῦ Ἀχιὰ τοῦ Σηλωνίτου
30wegens de zonden, die Jeroboam had begaan, en waartoe hij Israël had verleid, om Jahweh, den God van Israël, te tergen.
30περὶ τῶν ἁμαρτιῶν Ἱεροβοάμ, ὡς ἐξήμαρτε τὸν Ἰσραήλ, καὶ ἐν τῷ παροργισμῷ αὐτοῦ, ᾧ παρώργισε τὸν Κύριον Θεὸν τοῦ Ἰσραήλ.
31De verdere geschiedenis van Nadab, met al zijn daden, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël.
31καὶ τὰ λοιπὰ τῶν λόγων Ναδὰβ καὶ πάντα, ἃ ἐποίησεν, οὐκ ἰδοὺ ταῦτα γεγραμμένα ἐστὶν ἐν βιβλίῳ λόγων τῶν ἡμερῶν τοῖς βασιλεῦσιν Ἰσραήλ;
32-
no verse 32 in this text
33In het derde jaar der regering van Asa over Juda, werd Basja, de zoon van Achi-ja, koning van Israël. Hij regeerde vier en twintig jaar te Tirsa.
33Καὶ ἐν τῷ ἔτει τῷ τρίτῳ τοῦ Ἀσὰ βασιλέως Ἰούδα βασιλεύει Βαασὰ υἱὸς Ἀχιὰ ἐπὶ Ἰσραὴλ ἐν Θερσὰ εἴκοσι καὶ τέσσαρα ἔτη.
34Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh; hij volgde het wangedrag van Jeroboam, en beging de zonde, waartoe deze Israël had verleid.
34καὶ ἐποίησε τὸ πονηρὸν ἐνώπιον Κυρίου καὶ ἐπορεύθη ἐν ὁδῷ Ἱεροβοὰμ υἱοῦ Ναβὰτ καὶ ἐν ταῖς ἁμαρτίαις αὐτοῦ, ὡς ἐξήμαρτε τὸν Ἰσραήλ.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.