1 Koningen 22
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Drie jaren bleef het nu rustig, en was er geen oorlog tussen Aram en Israël.
1ΚΑΙ ἐκάθισε τὰ τρία ἔτη, καὶ οὐκ ἦν πόλεμος ἀνὰ μέσον Συρίας καὶ ἀνὰ μέσον Ἰσραήλ.
2Maar toen in het derde jaar koning Josafat van Juda bij den koning van Israël op bezoek was,
2καὶ ἐγενήθη ἐν τῷ ἐνιαυτῷ τῷ τρίτῳ καὶ κατέβη Ἰωσαφὰτ βασιλεὺς Ἰούδα πρὸς βασιλέα Ἰσραήλ.
3sprak de koning van Israël tot zijn hof: Weet gij wel, dat Rama in Gilad van ons is? En wij blijven maar rustig zitten, in plaats van het den koning van Aram te ontnemen.
3καὶ εἶπε βασιλεὺς Ἰσραὴλ πρὸς τοὺς παῖδας αὐτοῦ· εἰ οἴδατε ὅτι ἡμῖν Ρεμμὰθ Γαλαάδ, καὶ ἡμεῖς σιωπῶμεν λαβεῖν αὐτὴν ἐκ χειρὸς βασιλέως Συρίας;
4En hij vroeg Josafat: Wilt gij met mij ten strijde trekken naar Rama in Gilad? En Josafat verzekerde den koning van Israël: Ik en gij zijn één; mijn volk is uw volk en mijn paarden zijn uw paarden!
4καὶ εἶπε βασιλεὺς Ἰσραὴλ πρὸς Ἰωσαφάτ· ἀναβήσῃ μεθ᾿ ἡμῶν εἰς Ρεμμὰθ Γαλαὰδ εἰς πόλεμον;
5Toch verzocht Josafat den koning van Israël: Vraag echter eerst, wat Jahweh zegt.
5καὶ εἶπεν Ἰωσαφάτ· καθὼς ἐγὼ καὶ σὺ οὕτως, καθὼς ὁ λαός μου ὁ λαός σου, καθὼς οἱ ἵπποι μου οἱ ἵπποι σου. καὶ εἶπεν Ἰωσαφὰτ βασιλεὺς Ἰούδα πρὸς βασιλέα Ἰσραήλ· ἐπερωτήσατε δὴ σήμερον τὸν Κύριον.
6Toen ontbood de koning van Israël de profeten, tezamen ongeveer vier honderd man. Hij vroeg hun: Zal ik tegen Rama in Gilad ten strijde trekken, of niet? Zij antwoordden: Trek op; Jahweh levert het aan den koning over.
6καὶ συνήθροισεν ὁ βασιλεὺς Ἰσραὴλ πάντας τοὺς προφήτας, ὡς τετρακοσίους ἄνδρας, καὶ εἶπεν αὐτοῖς ὁ βασιλεύς· εἰ πορευθῶ εἰς Ρεμμὰθ Γαλαὰδ εἰς πόλεμον ἢ ἐπίσχω; καὶ εἶπον· ἀνάβαινε, καὶ διδοὺς δώσει Κύριος εἰς χεῖρας τοῦ βασιλέως.
7Maar Josafat vroeg: Is hier geen profeet van Jahweh meer, dien we kunnen raadplegen?
7καὶ εἶπεν Ἰωσαφὰτ πρὸς βασιλέα Ἰσραήλ· οὐκ ἔστιν ὧδε προφήτης τοῦ Κυρίου καὶ ἐπερωτήσομεν τὸν Κύριον δι᾿ αὐτοῦ;
8De koning van Israël antwoordde: Er is nog één man, door wien wij Jahweh kunnen raadplegen. Maar ik heb een hekel aan hem; want hij voorspelt mij nooit iets goeds, altijd maar kwaad. Het is Mikájehoe, de zoon van Jimla. Maar Josafat zei: De koning moet zo iets niet zeggen.
8καὶ εἶπεν ὁ βασιλεὺς Ἰσραὴλ πρὸς Ἰωσαφάτ· εἷς ἐστιν ἀνὴρ εἰς τὸ ἐπερωτῆσαι δι᾿ αὐτοῦ τὸν Κύριον, καὶ ἐγὼ μεμίσηκα αὐτόν, ὅτι οὐ λαλεῖ περὶ ἐμοῦ καλά, ἀλλ᾿ ἢ κακά, Μιχαίας υἱὸς Ἰεμβλαά. καὶ εἶπεν Ἰωσαφὰτ βασιλεὺς Ἰούδα· μὴ λεγέτω ὁ βασιλεὺς οὕτως.
9Toen riep de koning van Israël een kamerdienaar en zei: Haal vlug Mikájehoe, den zoon van Jimla.
9καὶ ἐκάλεσεν ὁ βασιλεὺς Ἰσραὴλ εὐνοῦχον ἕνα καὶ εἶπε· τὸ τάχος Μιχαίαν υἱὸν Ἰεμβλαά.
10Intussen waren de koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, in ambtsgewaad op hun tronen gaan zitten, op de open plaats bij de poort van Samaria, en bleven al de profeten voor hen profeteren.
10καὶ ὁ βασιλεὺς Ἰσραὴλ καὶ Ἰωσαφὰτ βασιλεὺς Ἰούδα ἐκάθηντο ἀνὴρ ἐπὶ τοῦ θρόνου αὐτοῦ ἔνοπλοι ἐν ταῖς πύλαις Σαμαρείας, καὶ πάντες οἱ προφῆται ἐπροφήτευον ἐνώπιον αὐτῶν.
11Een zekere Sidki-ja, de zoon van Kenaäna, had zich ijzeren horens gemaakt, en zeide: Zo spreekt Jahweh! Hiermee zult gij de Arameën neerstoten tot verdelgens toe.
11καὶ ἐποίησεν ἑαυτῷ Σεδεκίας υἱὸς Χανανὰ κέρατα σιδηρᾶ καὶ εἶπε· τάδε λέγει Κύριος· ἐν τούτοις κερατιεῖς τὴν Συρίαν, ἕως συντελεσθῇ.
12Al de andere profeten profeteerden hetzelfde en riepen: Trek op naar Rama in Gilad! Gij zult zeker slagen; want Jahweh heeft het aan den koning overgeleverd.
12καὶ πάντες οἱ προφῆται ἐπροφήτευον οὕτως λέγοντες· ἀνάβαινε εἰς Ρεμμὰθ Γαλαάδ, καὶ εὐοδώσει καὶ δώσει Κύριος εἰς χεῖράς σου καὶ τὸν βασιλέα Συρίας.
13De bode, die Mikájehoe was gaan roepen, zeide tot hem: Zie eens; eenstemmig hebben de profeten den koning een gunstig antwoord gegeven; laat ook uw antwoord zijn als het hunne, en voorspel iets goeds.
13καὶ ὁ ἄγγελος ὁ πορευθεὶς καλέσαι τὸν Μιχαίαν ἐλάλησεν αὐτῷ λέγων· ἰδοὺ δὴ λαλοῦσι πάντες οἱ προφῆται ἐν στόματι ἑνὶ καλὰ περὶ τοῦ βασιλέως· γίνου δὴ καὶ σὺ εἰς τοὺς λόγους σου κατὰ τοὺς λόγους ἑνὸς τούτων καὶ λάλησον καλά.
14Maar Mikájehoe zeide: Zo waar Jahweh leeft; wat Jahweh mij zegt, zal ik spreken!
14καὶ εἶπε Μιχαίας· ζῇ Κύριος, ὅτι ἃ ἐὰν εἴπῃ Κύριος πρός με, ταῦτα λαλήσω.
15Toen hij nu bij den koning gekomen was, zeide deze tot hem: Mikájehoe, zullen wij naar Rama in Gilad ten strijde trekken of niet? Hij antwoordde hem: Trek op; ge zult zeker slagen; want Jahweh heeft het aan u overgeleverd.
15καὶ ἦλθε πρὸς τὸν βασιλέα καὶ εἶπεν αὐτῷ ὁ βασιλεύς· Μιχαία, εἰ ἀναβῶ εἰς Ρεμμὰθ Γαλαὰδ εἰς πόλεμον, ἢ ἐπίσχω; καὶ εἶπεν· ἀνάβαινε, καὶ εὐοδώσει Κύριος εἰς χεῖρας τοῦ βασιλέως.
16De koning snauwde hem toe: Hoe dikwijls moet ik u bezweren, mij in de naam van Jahweh niets dan de waarheid te zeggen?
16καὶ εἶπεν αὐτῷ ὁ βασιλεύς· ποσάκις ἐγὼ ὁρκίζω σε ὅπως λαλήσῃς πρός με ἀλήθειαν ἐν ὀνόματι Κυρίου;
17Maar nu sprak hij: Ik zag heel Israël over de bergen verstrooid als schapen zonder herder! En Jahweh sprak: Ze hebben geen heer; laat ze rustig naar huis terugkeren!
17καὶ εἶπε Μιχαίας· οὐχ οὕτως. ἑώρακα πάντα τὸν Ἰσραὴλ διεσπαρμένον ἐν τοῖς ὄρεσιν ὡς ποίμνιον, ᾧ οὐκ ἔστι ποιμήν, καὶ εἶπε Κύριος· οὐ κύριος τούτοις Θεός; ἕκαστος εἰς τὸν οἶκον αὐτοῦ ἐν εἰρήνῃ ἀναστρεφέτω.
18Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Heb ik het u niet gezegd? Hij voorspelt mij nooit iets goeds, altijd maar kwaad.
18καὶ εἶπε βασιλεὺς Ἰσραὴλ πρὸς Ἰωσαφὰτ βασιλέα Ἰούδα· οὐκ εἶπα πρός σε ὅτι οὐ προφητεύει οὗτός μοι καλά, διότι ἀλλ᾿ ἢ κακά;
19Maar Mikájehoe sprak: Dat is niet waar! Luister niettemin naar het woord van Jahweh! Ik zag Jahweh op zijn troon, met het hemelse heir rechts en links om Hem heen.
19καὶ εἶπε Μιχαίας· οὐχ οὕτως, οὐκ ἐγώ, ἄκουε ρῆμα Κυρίου, οὐχ οὕτως· εἶδον Θεὸν Ἰσραὴλ καθήμενον ἐπὶ θρόνου αὐτοῦ, καὶ πᾶσα ἡ στρατιὰ τοῦ οὐρανοῦ εἱστήκει περὶ αὐτὸν ἐκ δεξιῶν αὐτοῦ καὶ ἐξ εὐωνύμων.
20Jahweh vroeg: Wie wil Achab overhalen, naar Rama in Gilad op te trekken, om daar te sneuvelen? En de een zei zus, de ander zo.
20καὶ εἶπε Κύριος· τίς ἀπατήσει τὸν Ἀχαὰβ βασιλέα Ἰσραὴλ καὶ ἀναβήσεται καὶ πεσεῖται ἐν Ρεμμὰθ Γαλαάδ; καὶ εἶπεν οὗτος οὕτως καὶ οὗτος οὕτως.
21Toen trad er een geest naar voren, ging voor Jahweh staan en zeide: Ik wil hem overhalen. Jahweh vroeg hem: Hoe?
21καὶ ἐξῆλθε πνεῦμα καὶ ἔστη ἐνώπιον Κυρίου καὶ εἶπεν· ἐγὼ ἀπατήσω αὐτόν.
22Hij antwoordde: Ik ga een leugengeest worden in de mond van al zijn profeten. Toen sprak Jahweh: Ge moogt hem bewerken, en ge zult slagen ook; ga heen en doe het.
22καὶ εἶπε πρὸς αὐτὸν Κύριος· ἐν τίνι; καὶ εἶπεν· ἐξελεύσομαι καὶ ἔσομαι πνεῦμα ψευδὲς εἰς τὸ στόμα πάντων τῶν προφητῶν αὐτοῦ. καὶ εἶπεν· ἀπατήσεις καί γε δυνήσῃ, ἔξελθε καὶ ποίησον οὕτως.
23Welnu, thans heeft Jahweh een leugengeest in de mond van al uw profeten gelegd, omdat Jahweh uw verderf heeft besloten.
23καὶ νῦν ἰδοὺ ἔδωκε Κύριος πνεῦμα ψευδὲς ἐν στόματι πάντων τῶν προφητῶν σου τούτων, καὶ Κύριος ἐλάλησεν ἐπὶ σὲ κακά.
24Maar nu trad Sidki-jáhoe, de zoon van Kenaäna, vooruit, gaf Mikájehoe een slag in het gezicht, en zeide: Wat; zou de geest van Jahweh mij hebben verlaten, om te spreken tot u?
24καὶ προσῆλθε Σεδεκίας υἱὸς Χανανὰ καὶ ἐπάταξε τὸν Μιχαίαν ἐπὶ τὴν σιαγόνα καὶ εἶπε· ποῖον πνεῦμα Κυρίου τὸ λαλῆσαν ἐν σοί;
25Mikájehoe antwoordde: Dat zult ge gewaar worden, wanneer ge van huis tot huis zult vluchten, om u te verbergen.
25καὶ εἶπε Μιχαίας· ἰδοὺ σὺ ὄψῃ τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ, ὅταν εἰσέλθῃς ταμιεῖον τοῦ ταμιείου τοῦ κρυβῆναι ἐκεῖ.
26Nu sprak de koning van Israël: Neem Mikájehoe gevangen, en breng hem bij de stadsvoogd Amon en bij prins Joasj.
26καὶ εἶπεν ὁ βασιλεὺς Ἰσραήλ· λάβετε τὸν Μιχαίαν καὶ ἀποστρέψατε αὐτὸν πρὸς Σεμὴρ τὸν βασιλέα τῆς πόλεως· καὶ τῷ Ἰωὰς υἱῷ τοῦ βασιλέως
27Zeg hun: De koning beveelt, hem gevangen te houden en hem slecht eten en drinken te geven, tot hij ongedeerd terugkomt.
27εἰπὸν θέσθαι τοῦτον ἐν φυλακῇ καὶ ἐσθίειν αὐτὸν ἄρτον θλίψεως καὶ ὕδωρ θλίψεως ἕως τοῦ ἐπιστρέψαι με ἐν εἰρήνῃ.
28Maar Mikájehoe sprak: Als gij ongedeerd terugkomt, heeft Jahweh niet door mij gesproken.
28καὶ εἶπε Μιχαίας· ἐὰν ἐπιστρέφων ἐπιστρέψῃς ἐν εἰρήνῃ, οὐ λελάληκε Κύριος ἐν ἐμοί.
29Zo trok dus de koning van Israël, met koning Josafat van Juda, naar Rama in Gilad.
29καὶ ἀνέβη βασιλεὺς Ἰσραὴλ καὶ Ἰωσαφὰτ βασιλεὺς Ἰούδα μετ᾿ αὐτοῦ εἰς Ρεμμὰθ Γαλαάδ.
30Maar de koning van Israël zei tot Josafat: Ik wil verkleed de strijd ingaan, doch gij kunt uw eigen kleren wel aanhouden. Hierop verkleedde de koning van Israël zich, voor hij ten strijde trok.
30καὶ εἶπε βασιλεὺς Ἰσραὴλ πρὸς Ἰωσαφὰτ βασιλέα Ἰούδα· συγκαλύψομαι καὶ εἰσελεύσομαι εἰς τὸν πόλεμον, καὶ σὺ ἔνδυσαι τὸν ἱματισμόν μου· καὶ συνεκαλύψατο βασιλεὺς Ἰσραὴλ καὶ εἰσῆλθεν εἰς τὸν πόλεμον.
31Nu had de koning van Aram zijn twee en dertig bevelhebbers van de strijdwagens de opdracht gegeven: Valt niemand aan, wie het ook zij, maar alleen den koning van Israël.
31καὶ βασιλεὺς Συρίας ἐνετείλατο τοῖς ἄρχουσι τῶν ἁρμάτων αὐτοῦ τριάκοντα καὶ δυσὶ λέγων· μὴ πολεμεῖτε μικρὸν καὶ μέγαν, ἀλλ᾿ ἢ τὸν βασιλέα Ἰσραὴλ μονώτατον.
32Toen zij nu Josafat zagen, dachten ze: Dat is zeker de koning van Israël. En ze vielen op hem aan. Maar Josafat hief een krijgsgeschreeuw aan,
32καὶ ἐγένετο ὡς εἶδον οἱ ἄρχοντες τῶν ἁρμάτων τὸν Ἰωσαφὰτ βασιλέα Ἰούδα, καὶ αὐτοὶ εἶπαν· φαίνεται βασιλεὺς Ἰσραὴλ οὗτος· καὶ ἐκύκλωσαν αὐτὸν πολεμῆσαι, καὶ ἀνέκραξεν Ἰωσαφάτ.
33waardoor ze bemerkten, dat hij de koning van Israël niet was. Daarom lieten zij hem met rust.
33καὶ ἐγένετο ὡς εἶδον οἱ ἄρχοντες τῶν ἁρμάτων ὅτι οὐκ ἔστι βασιλεὺς Ἰσραὴλ οὗτος, καὶ ἀνέστρεψαν ἀπ᾿ αὐτοῦ.
34Intussen richtte iemand op goed geluk af zijn boog, en trof den koning van Israël tussen de voegen van het pantser. Deze beval toen zijn wagenmenner: Wend de teugels, en breng mij van het slagveld; want ik ben gewond.
34καὶ ἐπέτεινεν εἷς τὸ τόξον εὐστόχως καὶ ἐπάταξε τὸν βασιλέα Ἰσραὴλ ἀνὰ μέσον τοῦ πνεύμονος καὶ ἀνὰ μέσον τοῦ θώρακος. καὶ εἶπε τῷ ἡνιόχῳ αὐτοῦ· ἐπίστρεψον τὰς χεῖράς σου καὶ ἐξάγαγέ με ἐκ τοῦ πολέμου, ὅτι τέτρωμαι.
35Maar omdat de strijd toen juist op zijn hevigst was, moest de koning tegenover de Arameën rechtop in zijn wagen blijven staan, ofschoon het bloed uit zijn wonde in de bak van de wagen neersijpelde. Tegen de avond echter stierf hij.
35καὶ ἐτροπώθη ὁ πόλεμος ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ, καὶ ὁ βασιλεὺς ἦν ἑστηκὼς ἐπὶ τοῦ ἅρματος ἐξεναντίας Συρίας ἀπὸ πρωΐ ἕως ἑσπέρας καὶ ἐπέχυνε τὸ αἷμα ἀπὸ τῆς πληγῆς εἰς τὸν κόλπον τοῦ ἅρματος· καὶ ἀπέθανεν ἑσπέρας, καὶ ἐξεπορεύετο τὸ αἷμα τῆς τροπῆς ἕως τοῦ κόλπου τοῦ ἅρματος.
36En nog voor zonsondergang ging de kreet door het leger: Iedereen terug naar zijn stad, iedereen terug naar zijn land;
36καὶ ἔστη ὁ στρατοκήρυξ δύοντος τοῦ ἡλίου λέγων· ἕκαστος εἰς τὴν ἑαυτοῦ πόλιν καὶ εἰς τὴν ἑαυτοῦ γῆν,
37de koning is dood! In Samaria aangekomen, begroef men den koning;
37ὅτι τέθνηκεν ὁ βασιλεύς. καὶ ἦλθον εἰς Σαμάρειαν καὶ ἔθαψαν τὸν βασιλέα ἐν Σαμαρείᾳ.
38en toen men de wagen uitspoelde bij de vijver van Samaria, waar lichtekooien aan het baden waren, likten de honden zijn bloed op. Zo werd het woord vervuld, dat Jahweh gesproken had.
38καὶ ἀπένιψαν τὸ αἷμα ἐπὶ τὴν κρήνην Σαμαρείας, καὶ ἐξέλειξαν αἱ ὕες καὶ οἱ κύνες τὸ αἷμα, καὶ αἱ πόρναι ἐλούσαντο ἐν τῷ αἵματι κατὰ τὸ ρῆμα Κυρίου, ὃ ἐλάλησε.
39De verdere geschiedenis van Achab, met al wat hij deed, ook de bouw van het ivoren paleis en de versterking der steden, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël.
39καὶ τὰ λοιπὰ τῶν λόγων Ἀχαὰβ καὶ πάντα, ἃ ἐποίησε, καὶ οἶκον ἐλεφάντινον, ὃν ᾠκοδόμησε, καὶ πάσας τὰς πόλεις, ἃς ἐποίησεν, οὐκ ἰδοὺ ταῦτα γέγραπται ἐν βιβλίῳ λόγων τῶν ἡμερῶν τῶν βασιλέων Ἰσραήλ;
40Achab ging bij zijn vaderen te ruste, en zijn zoon Achazja volgde hem op.
40καὶ ἐκοιμήθη Ἀχαὰβ μετὰ τῶν πατέρων αὐτοῦ, καὶ ἐβασίλευσεν Ὀχοζίας υἱὸς αὐτοῦ ἀντ᾿ αὐτοῦ.
41In het vierde jaar der regering van Achab over Israël werd Josafat, de zoon van Asa, koning van Juda.
41Καὶ Ἰωσαφὰτ υἱὸς Ἀσὰ ἐβασίλευσεν ἐπὶ Ἰούδαν· ἐν ἔτει τετάρτῳ τοῦ Ἀχαὰβ βασιλέως Ἰσραὴλ ἐβασίλευσεν Ἰωσαφάτ.
42Josafat was vijf en dertig jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde vijf en twintig jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Azoeba, en was de dochter van Sjilchi.
42υἱὸς τριάκοντα καὶ πέντε ἐτῶν ἐν τῷ βασιλεύειν αὐτόν, καὶ εἴκοσι καὶ πέντε ἔτη ἐβασίλευσεν ἐν Ἱερουσαλήμ, καὶ ὄνομα τῇ μητρὶ αὐτοῦ Ἀζουβὰ θυγάτηρ Σαλαΐ.
43In alles volgde hij het voorbeeld van zijn vader Asa, zonder daarvan af te wijken; zo deed hij wat recht was in de ogen van Jahweh. Alleen werden de offerhoogten niet afgeschaft, zodat het volk er bleef offeren en wierook branden.
43καὶ ἐπορεύθη ἐν πάσῃ ὁδῷ Ἀσὰ τοῦ πατρὸς αὐτοῦ· οὐκ ἐξέκλινεν ἀπ᾿ αὐτῆς τοῦ ποιῆσαι τὸ εὐθὲς ἐν ὀφθαλμοῖς Κυρίου·
44Josafat leefde in vrede met den koning van Israël.
44πλὴν τῶν ὑψηλῶν οὐκ ἐξῇρεν, ἔτι ὁ λαὸς ἐθυσίαζε καὶ ἐθυμίων ἐν τοῖς ὑψηλοῖς.
45De verdere geschiedenis van Josafat, met de heldendaden, die hij verrichtte, en de oorlogen, die hij voerde, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda.
45καὶ εἰρήνευσεν Ἰωσαφὰτ μετὰ βασιλέως Ἰσραήλ.
46De verminkten, die tijdens de regering van zijn vader Asa nog waren overgebleven, verwijderde hij uit het land.
46καὶ τὰ λοιπὰ τῶν λόγων Ἰωσαφὰτ καὶ αἱ δυναστεῖαι αὐτοῦ, ὅσα ἐποίησεν οὐκ ἰδοὺ ταῦτα γεγραμμένα ἐν βιβλίῳ λόγων τῶν ἡμερῶν βασιλέων Ἰούδα; [47 Καὶ περισσὸν τοῦ ἐνδιηλλαγμένου, ὃ ὑπελείφθη ἐν ἡμέραις Ἀσὰ τοῦ πατρὸς αὐτοῦ, ἐπέλεξεν ἀπὸ τῆς γῆς.
47Er was toen geen koning in Edom, maar een stadhouder
no verse 47 in this text
48van koning Josafat. Deze bouwde een Tarsjisjvloot, om daarmee naar Ofir te varen om goud. Maar hij voer niet uit, daar de vloot schipbreuk leed bij Esjon-Géber.
48καὶ βασιλεὺς οὐκ ἦν ἐν Ἐδὲμ ἐστηλωμένος. καὶ ὁ βασιλεὺς
49Toen zei Achazja, de zoon van Achab, tot Josafat: Laat mijn volk met het uwe de schepen bemannen; maar Josafat weigerde.
49Ἰωσαφὰτ ἐποίησε νῆας εἰς Θαρσὶς τοῦ πορευθῆναι Ὠφέρδε εἰς χρυσίον, καὶ οὐκ ἐπορεύθησαν, ὅτι συνετρίβησαν νῆες ἐν Ἀσεὼν Γαβέρ.
50Josafat ging bij zijn vaderen te ruste, en werd in de stad van zijn vader David bij zijn vaderen begraven. Zijn zoon Joram volgde hem op.
50τότε εἶπε Ὀχοζίας υἱὸς Ἀχαὰβ πρὸς Ἰωσαφάτ· πορευθήτωσαν δοῦλοί μου μετὰ τῶν δούλων σου ταῖς ναυσί· καὶ οὐκ ἠθέλησεν Ἰωσαφάτ.]
51In het zeventiende jaar der regering van Josafat over Juda werd Achazja, de zoon van Achab, te Samaria koning van Israël. Twee jaar regeerde hij over Israël.
51καὶ ἐκοιμήθη Ἰωσαφὰτ μετὰ τῶν πατέρων αὐτοῦ καὶ ἐτάφη παρὰ τοῖς πατράσιν αὐτοῦ ἐν πόλει Δαυὶδ τοῦ πατρὸς αὐτοῦ· καὶ ἐβασίλευσεν Ἰωρὰμ υἱὸς αὐτοῦ ἀντ᾿ αὐτοῦ.
52Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh, en volgde het wangedrag na van zijn vader en moeder en dat van Jeroboam, den zoon van Nebat, die Israël tot zonde had verleid.
52Καὶ Ὀχοζίας υἱὸς Ἀχαὰβ ἐβασίλευεν ἐπὶ Ἰσραὴλ ἐν Σαμαρείᾳ ἐν ἔτει ἑπτακαιδεκάτῳ Ἰωσαφὰτ βασιλέως Ἰούδα· καὶ ἐβασίλευσεν ἐν Ἰσραὴλ ἐν Σαμαρείᾳ δύο ἔτη.
53Hij diende Báal en boog zich voor hem neer; zo tergde hij Jahweh, Israëls God, juist zoals zijn vaderen het hadden gedaan.
53καὶ ἐποίησε τὸ πονηρὸν ἐναντίον Κυρίου καὶ ἐπορεύθη ἐν ὁδῷ Ἀχαὰβ τοῦ πατρὸς αὐτοῦ καὶ ἐν ὁδῷ Ἰεζάβελ τῆς μητρὸς αὐτοῦ καὶ ἐν ταῖς ἁμαρτίαις οἴκου Ἱεροβοὰμ υἱοῦ Ναβάτ, ὃς ἐξήμαρτε τὸν Ἰσραήλ.
no verse 54 in this text
54καὶ ἐδούλευσε τοῖς Βααλὶμ καὶ προσεκύνησεν αὐτοῖς καὶ παρώργισε τὸν Κύριον Θεὸν Ἰσραήλ, κατὰ πάντα τὰ γενόμενα ἔμπροσθεν αὐτοῦ.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.