1 Koningen 19
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Toen Achab nu aan Izébel vertelde, wat Elias gedaan had, en hoe hij al de profeten met het zwaard had gedood,
1ΚΑΙ ἀνήγγειλεν Ἀχαὰβ τῇ Ἰεζάβελ γυναικὶ αὐτοῦ πάντα, ἃ ἐποίησεν Ἠλιού, καὶ ὡς ἀπέκτεινε τοὺς προφήτας ἐν ρομφαίᾳ.
2zond Izébel een bode naar Elias met de boodschap: Zo mogen de goden mij doen en nog erger, als ik u morgen niet vermoord, zoals gij hen.
2καὶ ἀπέστειλεν Ἰεζάβελ πρὸς Ἠλιοὺ καὶ εἶπεν· εἰ σὺ εἶ Ἠλιοὺ καὶ ἐγὼ Ἰεζάβελ, τάδε ποιήσαι μοι ὁ Θεὸς καὶ τάδε προσθείη, ὅτι ταύτην τὴν ὥραν αὔριον θήσομαι τὴν ψυχήν σου καθὼς ψυχὴν ἑνὸς ἐξ αὐτῶν.
3Toen werd hij bevreesd en ging haastig heen, om zijn leven te redden. Te Beër-Sjéba in Juda aangekomen, liet hij daar zijn knecht achter,
3καὶ ἐφοβήθη Ἠλιοὺ καὶ ἀνέστη καὶ ἀπῆλθε κατὰ τὴν ψυχὴν αὐτοῦ καὶ ἔρχεται εἰς Βηρσαβεὲ γῆν Ἰούδα καὶ ἀφῆκε τὸ παιδάριον αὐτοῦ ἐκεῖ·
4en trok zelf een dagreis ver de woestijn in. Hier zette hij zich onder een bremstruik neer, en bad om de dood. Hij verzuchtte: Nu is het genoeg, Jahweh! Neem mij het leven; want ik ben niet beter dan mijn vaderen.
4καὶ αὐτὸς ἐπορεύθη ἐν τῇ ἐρήμῳ ὁδὸν ἡμέρας καὶ ἦλθε καὶ ἐκάθισεν ὑποκάτω Ραθμὲν καὶ ᾐτήσατο τὴν ψυχὴν αὐτοῦ ἀποθανεῖν καὶ εἶπεν· ἱκανούσθω νῦν, λαβὲ δὴ τὴν ψυχή μου ἀπ᾿ ἐμοῦ, Κύριε, ὅτι οὐ κρείσσων ἐγώ εἰμι ὑπὲρ τοὺς πατέρας μου.
5En hij legde zich onder de bremstruik neer en sliep in. Maar opeens stiet een engel hem aan, en sprak tot hem: Sta op en eet.
5καὶ ἐκοιμήθη καὶ ὕπνωσεν ἐκεῖ ὑπὸ φυτόν, καὶ ἰδού τις ἥψατο αὐτοῦ καὶ εἶπεν αὐτῷ· ἀνάστηθι καὶ φάγε·
6Hij keek op, en daar stond aan zijn hoofdeinde een geroosterd brood en een kruik water! Hij at en dronk, en sliep weer in.
6καὶ ἐπέβλεψεν Ἠλιού, καὶ ἰδοὺ πρὸς κεφαλῆς αὐτοῦ ἐγκρυφίας ὀλυρίτης καὶ καψάκης ὕδατος· καὶ ἀνέστη καὶ ἔφαγε καὶ ἔπιε. καὶ ἐπιστρέψας ἐκοιμήθη.
7Maar opnieuw stiet de engel van Jahweh hem aan, en sprak: Sta op en eet; want anders is de reis u te lang.
7καὶ ἐπέστρεψεν ὁ ἄγγελος Κυρίου ἐκ δευτέρου καὶ ἥψατο αὐτοῦ καὶ εἶπεν αὐτῷ· ἀνάστα φάγε, ὅτι πολλὴ ἀπὸ σοῦ ἡ ὁδός.
8Nu stond hij op, at en dronk; en door de kracht van die spijs liep hij veertig dagen en veertig nachten, tot hij de godsberg Horeb bereikte.
8καὶ ἀνέστη καὶ ἔφαγε καὶ ἔπιε· καὶ ἐπορεύθη ἐν ἰσχύϊ τῆς βρώσεως ἐκείνης τεσσαράκοντα ἡμέρας καὶ τεσσαράκοντα νύκτας ἕως ὄρους Χωρήβ.
9Daar ging hij een grot binnen, om er te overnachten. Nu werd het woord van Jahweh tot hem gericht: Wat komt gij hier doen, Elias?
9καὶ εἰσῆλθεν ἐκεῖ εἰς τὸ σπήλαιον καὶ κατέλυσεν ἐκεῖ· καὶ ἰδοὺ ρῆμα Κυρίου πρὸς αὐτὸν καὶ εἶπε· τί σὺ ἐνταῦθα, Ἠλιού;
10Hij antwoordde: Ik heb vurig geijverd voor Jahweh, den God der heirscharen. Want de Israëlieten hebben U verlaten, uw altaren verwoest, en uw profeten met het zwaard gedood; ik alleen ben overgebleven, en nu willen ze ook mij het leven benemen.
10καὶ εἶπεν Ἠλιού· ζηλῶν ἐζήλωκα τῷ Κυρίῳ παντοκράτορι, ὅτι ἐγκατέλιπόν σε οἱ υἱοὶ Ἰσραήλ· τὰ θυσιαστήριά σου κατέσκαψαν καὶ τοὺς προφήτας σου ἀπέκτειναν ἐν ρομφαίᾳ, καὶ ὑπολέλειμμαι ἐγὼ μονώτατος, καὶ ζητοῦσι τὴν ψυχήν μου λαβεῖν αὐτήν.
11Maar Jahweh sprak: Kom naar buiten, en ga op de berg staan voor het aanschijn van Jahweh. En opeens ging Jahweh voorbij. Voor Hem uit ging een hevige storm, die bergen kraakte en rotsen verbrijzelde; maar in de storm was Jahweh niet. Op de storm volgde een aardbeving; ook in de aardbeving was Jahweh niet.
11καὶ εἶπεν· ἐξελεύσῃ αὔριον καὶ στήσῃ ἐνώπιον Κυρίου ἐν τῷ ὄρει· ἰδοὺ παρελεύσεται Κύριος, καὶ ἰδοὺ πνεῦμα μέγα κραταιὸν διαλῦον ὄρη καὶ συντρίβον πέτρας ἐνώπιον Κυρίου, οὐκ ἐν τῷ πνεύματι Κύριος· καὶ μετὰ τὸ πνεῦμα συσσεισμός, οὐκ ἐν τῷ συσσεισμῷ Κύριος·
12Op de aardbeving volgde de bliksem; ook in de bliksem was Jahweh niet. Maar na het bliksemen suisde er een zachte bries.
12καὶ μετὰ τὸν συσσειμὸν πῦρ, οὐκ ἐν τῷ πυρὶ Κύριος· καὶ μετὰ τὸ πῦρ φωνὴ αὔρας λεπτῆς, κἀκεῖ Κύριος.
13Zodra Elias dit hoorde, bedekte hij zijn gelaat met zijn mantel. En er klonk een stem hem tegen, die sprak: Wat komt ge hier doen Elias? (b) En hij ging naar buiten, en bleef staan aan de ingang van de grot.
13καὶ ἐγένετο ὡς ἤκουσεν Ἠλιού, καὶ ἐπεκάλυψε τὸ πρόσωπον αὐτοῦ ἐν τῇ μηλωτῇ αὐτοῦ καὶ ἐξῆλθε καὶ ἔστη ὑπὸ σπήλαιον· καὶ ἰδοὺ πρὸς αὐτὸν φωνὴ καὶ εἶπε· τί σὺ ἐνταῦθα Ἠλιού;
14Hij antwoordde: Ik heb vurig geijverd voor Jahweh, den God der heirscharen. Want de Israëlieten hebben U verlaten; zij hebben uw altaren verwoest en uw profeten met het zwaard gedood; ik alleen ben overgebleven, en nu willen ze ook mij het leven benemen.
14καὶ εἶπεν Ἠλιού· ζηλῶν ἐζήλωκα τῷ Κυρίῳ παντοκράτορι, ὅτι ἐγκατέλιπον τὴν διαθήκην σου οἱ υἱοὶ Ἰσραήλ· καὶ τὰ θυσιαστήριά σου καθεῖλαν καὶ τοὺς προφήτας σου ἀπέκτειναν ἐν ρομφαίᾳ, καὶ ὑπολέλειμμαι ἐγὼ μονώτατος, καὶ ζητοῦσι τὴν ψυχήν μου λαβεῖν αὐτήν.
15Nu sprak Jahweh tot hem: Keer op uw schreden terug, en ga Chazaël zalven tot koning van Aram.
15καὶ εἶπε Κύριος πρὸς αὐτόν· πορεύου, ἀνάστρεφε εἰς τὴν ὁδόν σου καὶ ἥξεις εἰς τὴν ὁδὸν ἐρήμου Δαμασκοῦ καὶ ἥξεις καὶ χρίσεις τὸν Ἀζαὴλ εἰς βασιλέα τῆς Συρίας·
16Dan moet ge Jehoe, den zoon van Nimsji, tot koning van Israël zalven, en daarna Eliseüs, den zoon van Sjafat uit Abel-Mechola, tot profeet in uw plaats.
16καὶ τὸν Ἰοὺ υἱὸν Ναμεσσὶ χρίσεις εἰς βασιλέα ἐπὶ Ἰσραήλ· καὶ τὸν Ἑλισαιὲ υἱὸν Σαφὰτ χρίσεις εἰς προφήτην ἀντὶ σοῦ.
17Wie dan aan het zwaard van Chazaël ontkomt, zal door Jehoe worden gedood; en wie aan het zwaard van Jehoe ontkomt, dien zal Eliseus doden.
17καὶ ἔσται τὸν σῳζόμενον ἐκ ρομφαίας Ἀζαήλ, θανατώσει Ἰού, καὶ τὸν σῳζόμενον ἐκ ρομφαίας Ἰοὺ θανατώσει Ἑλισαιέ.
18Maar zeven duizend man zal Ik in Israël sparen; allen die voor Báal hun knieën niet hebben gebogen, en hem met hun mond niet hebben gekust.
18καὶ καταλείψεις ἐν Ἰσραὴλ ἑπτὰ χιλιάδας ἀνδρῶν, πάντα γόνατα, ἃ οὐκ ὤκλασαν γόνυ τῷ Βάαλ, καὶ πᾶν στόμα, ὃ οὐ προσεκύνησεν αὐτῷ.
19Toen hij vandaar was vertrokken, trof hij Eliseus, den zoon van Sjafat, terwijl deze aan het ploegen was. Twaalf koppel ossen gingen voor hem uit; hij zelf bevond zich bij het twaalfde. En terwijl Elias hem voorbijging, wierp hij hem zijn mantel om.
19Καὶ ἀπῆλθεν ἐκεῖθεν καὶ εὑρίσκει τὸν Ἑλισαιὲ υἱὸν Σαφάτ, καὶ αὐτὸς ἠροτρία ἐν βουσὶ δώδεκα ζεύγη ἐνώπιον αὐτοῦ, καὶ αὐτὸς ἐν τοῖς δώδεκα καὶ ἀπῆλθεν ἐπ᾿ αὐτὸν καὶ ἐπέρριψε τὴν μηλωτὴν αὐτοῦ ἐπ᾿ αὐτόν.
20Terstond verliet Eliseus de ossen, liep Elias achterna, en sprak: Laat mij eerst mijn vader en moeder vaarwel kussen, dan zal ik u volgen. Hij antwoordde: Ga, maar keer onmiddellijk terug; ge weet, wat ik u heb gedaan.
20καὶ κατέλιπεν Ἑλισαιὲ τὰς βόας καὶ κατέδραμεν ὀπίσω Ἠλιοὺ καὶ εἶπε· καταφιλήσω τὸν πατέρα μου καὶ ἀκολουθήσω ὀπίσω σου· καὶ εἶπεν Ἠλιού· ἀνάστρεφε, ὅτι πεποίηκά σοι.
21Hierop liep hij terug, nam de koppel ossen, slachtte ze, kookte ze op het ploeghout, en gaf het vlees aan de knechten. Toen ze gegeten hadden, stond hij op, en volgde Elias, om hem te dienen.
21καὶ ἀνέστρεψεν ἐξόπισθεν αὐτοῦ καὶ ἔλαβε τὰ ζεύγη τῶν βοῶν καὶ ἔθυσε καὶ ἥψησεν αὐτὰ ἐν τοῖς σκεύεσι τῶν βοῶν καὶ ἔδωκε τῷ λαῷ, καὶ ἔφαγον· καὶ ἀνέστη καὶ ἐπορεύθη ὀπίσω Ἠλιοὺ καὶ ἐλειτούργει αὐτῷ.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.