1 Koningen
Chapter 22
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Berean Standard Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Berean Standard Bible
1Drie jaren bleef het nu rustig, en was er geen oorlog tussen Aram en Israël.
1Then three years passed without war between Aram and Israel.
2Maar toen in het derde jaar koning Josafat van Juda bij den koning van Israël op bezoek was,
2However, in the third year, Jehoshaphat king of Judah went down to visit the king of Israel,
3sprak de koning van Israël tot zijn hof: Weet gij wel, dat Rama in Gilad van ons is? En wij blijven maar rustig zitten, in plaats van het den koning van Aram te ontnemen.
3who said to his servants, “Do you not know that Ramoth-gilead is ours, but we have failed to take it from the hand of the king of Aram?”
4En hij vroeg Josafat: Wilt gij met mij ten strijde trekken naar Rama in Gilad? En Josafat verzekerde den koning van Israël: Ik en gij zijn één; mijn volk is uw volk en mijn paarden zijn uw paarden!
4So he asked Jehoshaphat, “Will you go with me to fight against Ramoth-gilead?” Jehoshaphat answered the king of Israel, “I am like you, my people are your people, and my horses are your horses.”
5Toch verzocht Josafat den koning van Israël: Vraag echter eerst, wat Jahweh zegt.
5But Jehoshaphat also said to the king of Israel, “Please inquire first for the word of the LORD.”
6Toen ontbood de koning van Israël de profeten, tezamen ongeveer vier honderd man. Hij vroeg hun: Zal ik tegen Rama in Gilad ten strijde trekken, of niet? Zij antwoordden: Trek op; Jahweh levert het aan den koning over.
6So the king of Israel assembled the prophets, about four hundred men, and asked them, “Should I go to war against Ramoth-gilead, or should I refrain?” “Go up,” they replied, “and the Lord will deliver it into the hand of the king.”
7Maar Josafat vroeg: Is hier geen profeet van Jahweh meer, dien we kunnen raadplegen?
7But Jehoshaphat asked, “Is there not still a prophet of the LORD here of whom we can inquire?”
8De koning van Israël antwoordde: Er is nog één man, door wien wij Jahweh kunnen raadplegen. Maar ik heb een hekel aan hem; want hij voorspelt mij nooit iets goeds, altijd maar kwaad. Het is Mikájehoe, de zoon van Jimla. Maar Josafat zei: De koning moet zo iets niet zeggen.
8The king of Israel answered, “There is still one man who can ask the LORD, but I hate him because he never prophesies anything good for me, but only bad. He is Micaiah son of Imlah.” “The king should not say that!” Jehoshaphat replied.
9Toen riep de koning van Israël een kamerdienaar en zei: Haal vlug Mikájehoe, den zoon van Jimla.
9So the king of Israel called one of his officials and said, “Bring Micaiah son of Imlah at once.”
10Intussen waren de koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, in ambtsgewaad op hun tronen gaan zitten, op de open plaats bij de poort van Samaria, en bleven al de profeten voor hen profeteren.
10Dressed in royal attire, the king of Israel and Jehoshaphat king of Judah were sitting on their thrones at the threshing floor by the entrance of the gate of Samaria, with all the prophets prophesying before them.
11Een zekere Sidki-ja, de zoon van Kenaäna, had zich ijzeren horens gemaakt, en zeide: Zo spreekt Jahweh! Hiermee zult gij de Arameën neerstoten tot verdelgens toe.
11Now Zedekiah son of Chenaanah had made for himself iron horns and declared, “This is what the LORD says: ‘With these you shall gore the Arameans until they are finished off.’”
12Al de andere profeten profeteerden hetzelfde en riepen: Trek op naar Rama in Gilad! Gij zult zeker slagen; want Jahweh heeft het aan den koning overgeleverd.
12And all the prophets were prophesying the same, saying, “Go up to Ramoth-gilead and prosper, for the LORD will deliver it into the hand of the king.”
13De bode, die Mikájehoe was gaan roepen, zeide tot hem: Zie eens; eenstemmig hebben de profeten den koning een gunstig antwoord gegeven; laat ook uw antwoord zijn als het hunne, en voorspel iets goeds.
13Then the messenger who had gone to call Micaiah instructed him, “Behold now, with one accord the words of the prophets are favorable to the king. So please let your words be like theirs, and speak favorably.”
14Maar Mikájehoe zeide: Zo waar Jahweh leeft; wat Jahweh mij zegt, zal ik spreken!
14But Micaiah said, “As surely as the LORD lives, I will speak whatever the LORD tells me.”
15Toen hij nu bij den koning gekomen was, zeide deze tot hem: Mikájehoe, zullen wij naar Rama in Gilad ten strijde trekken of niet? Hij antwoordde hem: Trek op; ge zult zeker slagen; want Jahweh heeft het aan u overgeleverd.
15When Micaiah arrived, the king asked him, “Micaiah, should we go to war against Ramoth-gilead, or should we refrain?” “Go up and triumph,” Micaiah replied, “for the LORD will give it into the hand of the king.”
16De koning snauwde hem toe: Hoe dikwijls moet ik u bezweren, mij in de naam van Jahweh niets dan de waarheid te zeggen?
16But the king said to him, “How many times must I make you swear not to tell me anything but the truth in the name of the LORD?”
17Maar nu sprak hij: Ik zag heel Israël over de bergen verstrooid als schapen zonder herder! En Jahweh sprak: Ze hebben geen heer; laat ze rustig naar huis terugkeren!
17So Micaiah declared: “I saw all Israel scattered on the hills like sheep without a shepherd. And the LORD said, ‘These people have no master; let each one return home in peace.’”
18Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Heb ik het u niet gezegd? Hij voorspelt mij nooit iets goeds, altijd maar kwaad.
18Then the king of Israel said to Jehoshaphat, “Did I not tell you that he never prophesies good for me, but only bad?”
19Maar Mikájehoe sprak: Dat is niet waar! Luister niettemin naar het woord van Jahweh! Ik zag Jahweh op zijn troon, met het hemelse heir rechts en links om Hem heen.
19Micaiah continued, “Therefore hear the word of the LORD: I saw the LORD sitting on His throne, and all the host of heaven standing by Him on His right and on His left.
20Jahweh vroeg: Wie wil Achab overhalen, naar Rama in Gilad op te trekken, om daar te sneuvelen? En de een zei zus, de ander zo.
20And the LORD said, ‘Who will entice Ahab to march up and fall at Ramoth-gilead?’ And one suggested this, and another that.
21Toen trad er een geest naar voren, ging voor Jahweh staan en zeide: Ik wil hem overhalen. Jahweh vroeg hem: Hoe?
21Then a spirit came forward, stood before the LORD, and said, ‘I will entice him.’ ‘By what means?’ asked the LORD.
22Hij antwoordde: Ik ga een leugengeest worden in de mond van al zijn profeten. Toen sprak Jahweh: Ge moogt hem bewerken, en ge zult slagen ook; ga heen en doe het.
22And he replied, ‘I will go out and be a lying spirit in the mouths of all his prophets.’ ‘You will surely entice him and prevail,’ said the LORD. ‘Go and do it.’
23Welnu, thans heeft Jahweh een leugengeest in de mond van al uw profeten gelegd, omdat Jahweh uw verderf heeft besloten.
23So you see, the LORD has put a lying spirit in the mouths of all these prophets of yours, and the LORD has pronounced disaster against you.”
24Maar nu trad Sidki-jáhoe, de zoon van Kenaäna, vooruit, gaf Mikájehoe een slag in het gezicht, en zeide: Wat; zou de geest van Jahweh mij hebben verlaten, om te spreken tot u?
24Then Zedekiah son of Chenaanah went up, struck Micaiah in the face, and demanded, “Which way did the Spirit of the LORD go when He departed from me to speak with you?”
25Mikájehoe antwoordde: Dat zult ge gewaar worden, wanneer ge van huis tot huis zult vluchten, om u te verbergen.
25Micaiah replied, “You will soon see, on that day when you go and hide in an inner room.”
26Nu sprak de koning van Israël: Neem Mikájehoe gevangen, en breng hem bij de stadsvoogd Amon en bij prins Joasj.
26And the king of Israel declared, “Take Micaiah and return him to Amon the governor of the city and to Joash the king’s son,
27Zeg hun: De koning beveelt, hem gevangen te houden en hem slecht eten en drinken te geven, tot hij ongedeerd terugkomt.
27and tell them that this is what the king says: ‘Put this man in prison and feed him only bread and water until I return safely.’”
28Maar Mikájehoe sprak: Als gij ongedeerd terugkomt, heeft Jahweh niet door mij gesproken.
28But Micaiah replied, “If you ever return safely, the LORD has not spoken through me.” Then he added, “Take heed, all you people!”
29Zo trok dus de koning van Israël, met koning Josafat van Juda, naar Rama in Gilad.
29So the king of Israel and Jehoshaphat king of Judah went up to Ramoth-gilead.
30Maar de koning van Israël zei tot Josafat: Ik wil verkleed de strijd ingaan, doch gij kunt uw eigen kleren wel aanhouden. Hierop verkleedde de koning van Israël zich, voor hij ten strijde trok.
30And the king of Israel said to Jehoshaphat, “I will disguise myself and go into battle, but you wear your royal robes.” So the king of Israel disguised himself and went into battle.
31Nu had de koning van Aram zijn twee en dertig bevelhebbers van de strijdwagens de opdracht gegeven: Valt niemand aan, wie het ook zij, maar alleen den koning van Israël.
31Now the king of Aram had ordered his thirty-two chariot commanders, “Do not fight with anyone, small or great, except the king of Israel.”
32Toen zij nu Josafat zagen, dachten ze: Dat is zeker de koning van Israël. En ze vielen op hem aan. Maar Josafat hief een krijgsgeschreeuw aan,
32When the chariot commanders saw Jehoshaphat, they said, “Surely this is the king of Israel!” So they turned to fight against him, but Jehoshaphat cried out.
33waardoor ze bemerkten, dat hij de koning van Israël niet was. Daarom lieten zij hem met rust.
33And when the chariot commanders saw that he was not the king of Israel, they turned back from pursuing him.
34Intussen richtte iemand op goed geluk af zijn boog, en trof den koning van Israël tussen de voegen van het pantser. Deze beval toen zijn wagenmenner: Wend de teugels, en breng mij van het slagveld; want ik ben gewond.
34However, a certain man drew his bow without taking special aim, and he struck the king of Israel between the joints of his armor. So the king said to his charioteer, “Turn around and take me out of the battle, for I am badly wounded!”
35Maar omdat de strijd toen juist op zijn hevigst was, moest de koning tegenover de Arameën rechtop in zijn wagen blijven staan, ofschoon het bloed uit zijn wonde in de bak van de wagen neersijpelde. Tegen de avond echter stierf hij.
35The battle raged throughout that day, and the king was propped up in his chariot facing the Arameans. And the blood from his wound ran out onto the floor of the chariot, and that evening he died.
36En nog voor zonsondergang ging de kreet door het leger: Iedereen terug naar zijn stad, iedereen terug naar zijn land;
36As the sun was setting, the cry rang out in the army: “Every man to his own city, and every man to his own land!”
37de koning is dood! In Samaria aangekomen, begroef men den koning;
37So the king died and was brought to Samaria, where they buried him.
38en toen men de wagen uitspoelde bij de vijver van Samaria, waar lichtekooien aan het baden waren, likten de honden zijn bloed op. Zo werd het woord vervuld, dat Jahweh gesproken had.
38And the chariot was washed at the pool of Samaria where the prostitutes bathed, and the dogs licked up Ahab’s blood, according to the word that the LORD had spoken.
39De verdere geschiedenis van Achab, met al wat hij deed, ook de bouw van het ivoren paleis en de versterking der steden, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël.
39As for the rest of the acts of Ahab, along with all his accomplishments and the ivory palace and all the cities he built, are they not written in the Book of the Chronicles of the Kings of Israel?
40Achab ging bij zijn vaderen te ruste, en zijn zoon Achazja volgde hem op.
40And Ahab rested with his fathers, and his son Ahaziah reigned in his place.
41In het vierde jaar der regering van Achab over Israël werd Josafat, de zoon van Asa, koning van Juda.
41In the fourth year of Ahab’s reign over Israel, Jehoshaphat son of Asa became king of Judah.
42Josafat was vijf en dertig jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde vijf en twintig jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Azoeba, en was de dochter van Sjilchi.
42Jehoshaphat was thirty-five years old when he became king, and he reigned in Jerusalem twenty-five years. His mother’s name was Azubah daughter of Shilhi.
43In alles volgde hij het voorbeeld van zijn vader Asa, zonder daarvan af te wijken; zo deed hij wat recht was in de ogen van Jahweh. Alleen werden de offerhoogten niet afgeschaft, zodat het volk er bleef offeren en wierook branden.
43And Jehoshaphat walked in all the ways of his father Asa; he did not turn away from them, but did what was right in the eyes of the LORD. The high places, however, were not removed; the people still sacrificed and burned incense on the high places.
44Josafat leefde in vrede met den koning van Israël.
44Jehoshaphat also made peace with the king of Israel.
45De verdere geschiedenis van Josafat, met de heldendaden, die hij verrichtte, en de oorlogen, die hij voerde, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda.
45As for the rest of the acts of Jehoshaphat, along with the might he exercised and how he waged war, are they not written in the Book of the Chronicles of the Kings of Judah?
46De verminkten, die tijdens de regering van zijn vader Asa nog waren overgebleven, verwijderde hij uit het land.
46He banished from the land the male shrine prostitutes who remained from the days of his father Asa.
47Er was toen geen koning in Edom, maar een stadhouder
47And there was no king in Edom; a deputy served as king.
48van koning Josafat. Deze bouwde een Tarsjisjvloot, om daarmee naar Ofir te varen om goud. Maar hij voer niet uit, daar de vloot schipbreuk leed bij Esjon-Géber.
48Jehoshaphat built ships of Tarshish to go to Ophir for gold, but they never set sail, because they were wrecked at Ezion-geber.
49Toen zei Achazja, de zoon van Achab, tot Josafat: Laat mijn volk met het uwe de schepen bemannen; maar Josafat weigerde.
49At that time Ahaziah son of Ahab said to Jehoshaphat, “Let my servants sail with your servants,” but Jehoshaphat refused.
50Josafat ging bij zijn vaderen te ruste, en werd in de stad van zijn vader David bij zijn vaderen begraven. Zijn zoon Joram volgde hem op.
50And Jehoshaphat rested with his fathers and was buried with them in the city of his father David. And his son Jehoram reigned in his place.
51In het zeventiende jaar der regering van Josafat over Juda werd Achazja, de zoon van Achab, te Samaria koning van Israël. Twee jaar regeerde hij over Israël.
51In the seventeenth year of Jehoshaphat’s reign over Judah, Ahaziah son of Ahab became king of Israel, and he reigned in Samaria two years.
52Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh, en volgde het wangedrag na van zijn vader en moeder en dat van Jeroboam, den zoon van Nebat, die Israël tot zonde had verleid.
52And he did evil in the sight of the LORD and walked in the ways of his father and mother and of Jeroboam son of Nebat, who had caused Israel to sin.
53Hij diende Báal en boog zich voor hem neer; zo tergde hij Jahweh, Israëls God, juist zoals zijn vaderen het hadden gedaan.
53Ahaziah served and worshiped Baal, provoking the LORD, the God of Israel, to anger, just as his father had done.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.