1 Koningen
Chapter 18
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Geruime tijd later, in het derde jaar, werd het woord van Jahweh tot Elias gericht: Ga en verschijn voor Achab; Ik wil weer regen geven over de aarde.
1По довгому часї прийшло слово Господнє до Ілиї, таке: Йди, покажись Ахабові, а дам дощ на землю.
2Elias vertrok dus, om voor Achab te verschijnen. Intussen was de hongersnood in Samaria zeer hevig geworden.
2І пійшов Ілия, щоб показатись Ахабові. Панувала ж велика голоднеча в Самариї.
3Daarom ontbood Achab zijn hofmeester Obadjáhoe. Deze Obadjáhoe was een ijverig dienaar van Jahweh;
3І покликав Ахаб Абдію, начальника дворецького. Абдій ж був вельми богобоязливий.
4en toen Izébel de profeten van Jahweh uitroeide, had hij honderd profeten onder zijn bescherming genomen, ze in twee groepen van vijftig in spelonken verborgen, en van spijs en drank voorzien.
4І як Езабеля викореняла пророків Господнїх, то Абдій взяв сто пророків і ховав їх по півсотнї чоловіка по печерах та й обмисляв хлїбом і водою.
5Achab nu zei tot Obadjáhoe: Kom, laat ons het land doortrekken, naar alle waterbronnen en beken; misschien vinden we gras, om de paarden en muildieren in het leven te houden, zodat we niet al onze beesten verliezen.
5І сказав Ахаб Абдієві: Пійди по царству по всїх криничинах і по всїх байрачних бурчаках, а може знайдеш де траву, щоб рятувати конї й мули, та щоб не повиздихала вся скотина.
6Ze verdeelden dus het land onder elkaar, om het te doorkruisen. Achab ging de ene kant uit, en Obadjáhoe de andere.
6І подїлили вони між себе землю, щоб її скрізь обійти. Ахаб пійшов в один бік, а Абдій двинув у другий бік.
7Terwijl Obadjáhoe op weg was, ontmoette hij opeens Elias. Hij herkende hem, viel voor hem neer, en zei: Zijt gij het, heer Elias?
7Як же Абдій ійшов дорогою, зустрів його несподївано Ілия. Впізнавши його, припав Абдій лицем до землї й промовив: Чи справдї се ти, добродїю мій, Ілиє?
8Hij antwoordde hem: Ja; ga dus maar aan uw meester zeggen, dat Elias er is.
8Той відказує: Се я. Йди та скажи твойму панові: Ілия тут!
9Maar Obadjáhoe zeide: Wat heb ik misdaan, dat gij mij, uw dienaar, aan Achab overlevert, om mij te doden?
9Він же каже: Чим провинив я тобі, що хочеш мене, раба твого, видати Ахабові, щоб убив мене?
10Zo waar Jahweh, uw God leeft; er is geen volk of koninkrijk, of Achab heeft er u laten zoeken. En wanneer men verzekerde, dat gij er niet waart, dan liet hij dat koninkrijk of dat volk zweren, dat het u niet vinden kon.
10Так певно, як живе Господь, Бог твій, нема нї народу, нї царства, куди б не посилав мій пан, тебе шукати. Як же йому казали: нема тут його, він брав клятву з царства й люду, що тебе не зустріли.
11En nu zegt gij: “Ga aan uw meester zeggen, dat Elias er is.”
11А тепер ти кажеш: Ійди, скажи панові твойму: Ілия тутеньки!
12Weet ge, hoe het zal gaan? Wanneer ik hier weg ben, neemt de geest van Jahweh u op, wie weet waarheen. En als ik dat bericht aan Achab heb gebracht, en hij vindt u niet, dan vermoordt hij mij. Ik, uw dienaar, ben toch een vereerder van Jahweh van mijn jeugd af.
12Коли ж я пійду від тебе, то дух Господень занесе тебе, хто знає, куди; а як я пійду звістити Ахабові, а він тебе не знайде, так він убє мене; раб же твій з молодощів боявся Господа.
13Heeft men u, mijn heer, dan niet verteld, wat ik gedaan heb, toen Izébel de profeten van Jahweh vermoordde; dat ik toen honderd profeten van Jahweh in twee groepen van vijftig in een grot heb verborgen, en ze van spijs en drank heb voorzien?
13Хиба мойму добродїєві не переказано, що я вчинив, як Езабель вбивала пророки Господнї, як я сто чоловіка з пророків Господнїх скривав по півсотнї чоловіка в печерах і обмисляв їх хлїбом та водою?
14En nu zegt gij: “Ga aan uw meester zeggen, dat Elias er is.” Hij vermoordt mij zeker.
14А ти тепереньки кажеш: Ійди, скажи панові твойму: Ілия тут! він убє мене.
15Maar Elias verzekerde: Zo waar Jahweh der heirscharen leeft, voor wiens aanschijn ik sta: ik verschijn vandaag nog voor Achab.
15Ілия ж рече: Так певно, як жив Господь Саваот, що я на службі в його стою: ще сьогоднї покажусь йому.
16Nu ging Obadjáhoe naar Achab, om het hem te berichten. En Achab begaf zich op weg naar Elias.
16І пійшов Абдій, зустрічати Ахаба, й сповістів його про се. І пійшов Ахаб зустріч Ілиєві.
17Zodra hij hem zag, riep hij hem toe: Zijt gij daar eindelijk, onheilstichter in Israël?
17Побачивши ж Ахаб Ілию, промовив до його: То се ти, що трівожиш Ізраїля?
18Maar hij antwoordde: Niet ik heb onheil over Israël gebracht, maar gij en het huis van uw vader; want gij hebt Jahweh verlaten, om de Báals te dienen.
18Він же відказує: Не я трівожу Ізраїля, а ти й твоя родина, що знехтували заповідї Господнї й ходите слїдом за Баалами.
19Maar laat heel Israël op de berg Karmel bijeen roepen, tegelijk met de vierhonderd vijftig profeten van Báal, die aan de tafel van Izébel eten.
19Тепер же посилай та поскликай до мене всього Ізраїляа на Кармель-гору та й тих чотириста й пятьдесять пророків Баалових із чотирма стами пророків дубровних, що годуються зі столу Езабелиного.
20Achab liet toen heel Israël met al de profeten op de berg Karmel bijeenroepen.
20І послав Ахаб по всього Ізраїля та й поскликав пророки на Кармель-гору.
21Nu verscheen Elias voor het verzamelde volk en sprak: Hoe lang blijft ge nog op twee gedachten hinken? Als Jahweh God is, dien Hem dan; is het Báal, dan moet ge Báal dienen. Het volk wist er niets op te antwoorden.
21І наближивсь Ілия до всього народу й промовив: Доки ще кульгати мете на оба боки? Коли Господь є Богом, так ходїте слїдом за ним; коли ж се Баал, так слїдом за ним ходїте. І не відказав йому люд нїчого.
22Toen sprak Elias tot het volk: Ik sta hier alleen als de enig overgebleven profeet van Jahweh; de profeten van Báal zijn vierhonderd vijftig man sterk.
22І каже Ілия до люду: Я зіставсь один пророк Господень, а пророків Баалових чотириста й пятьдесять чоловіка.
23Geef ons nu twee stieren; laat hen er een uitkiezen, hem in stukken houwen en op het hout leggen, maar zonder vuur aan te steken; dan zal ik den anderen stier gereed maken en op het hout leggen, ook zonder vuur aan te steken.
23Дайте ж нам два бики, і нехай виберуть вони собі одного бика, і розітнуть його на шматки й покладуть на дрова, але не підпалюють, я ж оправлю другого телця й положу на дрова, однак не підпалю;
24Roept gij dan uw god aan; en ik zal Jahweh aanroepen. Hij, die antwoordt door het vuur, die is God! Heel het volk riep: Dat is goed!
24Тодї взивайте ви ймя бога вашого, я ж призову ймя Господа, Бога мого. Которий Бог відповість поломєм, той буде Богом. І відказав увесь люд і промовив: Добре!
25Nu sprak Elias tot de Báalsprofeten: Kiest gij nu het eerst een stier uit, en maakt hem gereed; want gij zijt het talrijkst. Roept dan uw god aan, maar zonder vuur aan te steken.
25Промовив тодї Ілия до пророків Баалових: Вибірайте одного бика та й оправте як слїд, бо вас більше, й взивайте ймя бога вашого, огню ж не підкладайте.
26Zij namen dus een stier, maakten hem gereed en riepen Báal aan van de morgen tot de middag. Ze schreeuwden: Geef ons antwoord; Báal, geef ons antwoord! Maar er kwam geen geluid en geen antwoord, hoe ze ook sprongen om het altaar, dat ze hadden gebouwd.
26І взяли вони телця, що їм дано, й оправили, й кликали ймя Баалове з ранку та й до полудня, промовляючи: Баале, почуй нас! Та не було нї голосу, нї відповідї. І скакали вони круг жертівника, що построїли.
27Toen het middag geworden was, begon Elias de spot met hen te drijven en zei: Roept toch wat harder; hij is immers een god. Hij zal in gedachten verzonken zijn, of aan het werk, of wel op reis; misschien slaapt hij wel en moet hij gewekt worden!
27Як було ж о півднї, почав Ілия насьміватись із них і каже: Кличте голоснїщ, бо він бог; може він задумався, або чим занятий, або в дорозї, або може й спить, то прокинеться.
28Intussen bleven ze schreeuwen, en kerfden ze zich naar gewoonte met zwaarden en lansen, zodat het bloed langs hen afdroop.
28І кликали вони ще голоснїйше, та робили своїм звичаєм нарізки ножиками та списиками, що аж кров текла по них.
29Zo ging de middag voorbij; en nog bleven ze razen tot aan de tijd voor het avondoffer; maar er kwam geen geluid en geen antwoord, geen teken van leven.
29Минуло й полуднє, а вони все ще біснувались, (та й біснувались) аж до тієї години, коли час було приносити вечірню жертву; однакже не було нї голосу, нї відповідї, нї послуху.
30Nu sprak Elias tot het verzamelde volk: Komt dichterbij. En heel het volk kwam naar hem toe. Toen richtte hij het altaar van Jahweh weer op, dat men vernield had.
30І сказав Ілия до всього народу: Приступіте до мене! І приступив до його ввесь люд. І поставив він знов зруйнованого жертівника Господнього,
31Hij nam twaalf stenen volgens het getal van de stammen der kinderen van Jakob, tot wien Jahweh gesproken had: Ge zult Israël heten.
31І взяв Ілия дванайцять каменів по лїчбі синів Якова, що Господь сказав був йому: Ізраїль буде ймя твоє!
32Van die stenen bouwde hij een altaar voor Jahweh. Daarna maakte hij rondom het altaar een groeve, waarin ruimte genoeg was voor twee maten zaaikoren.
32І построїв із того каміння жертівника в імя Господнє, та й обвів жертівника округи ровом завбільшки зо дві борозди зерна;
33Vervolgens stapelde hij het hout op, hakte den stier in stukken en legde hem op het hout.
33І уложив дрова, розтяв бика та й положив на дрова;
34Nu beval hij: Vult vier kruiken met water, en giet die over het brandoffer uit en over het hout. Toen ze dit gedaan hadden, zeide hij: Nog eens. Daarna: Nu voor de derde keer. En ze deden het tot driemaal toe,
34І повелїв: Наберіте чотири цебри води та й вилийте на всепаленнє й на дрова. (І зробили так.) І повелїв: Зробіте се вдруге. І зробили вдруге. Тодї повелїв: Зробіть і втретє. І зробили втретє.
35zodat het water langs alle kanten van het altaar stroomde. Toen liet hij ook nog de groeve met water vullen.
35І текла вода навкруги жертівника, так що в каналї було повно води.
36Nu trad de profeet Elias vooruit en sprak: Jahweh, God van Abraham, Isaäk en Israël; toon heden, dat Gij God zijt in Israël, en dat ik uw dienaar ben, die dit alles op uw bevel heb gedaan.
36А коли вже був час приносити вечірню жертву, приступив Ілия й промовив: Господи, Боже Авраамів, Ізааків і Ізрайлїв! Покажи сьогоднї, що ти один Бог ув Ізраїлї, а я слуга твій, й що я се все вчинив по твойму велїнню.
37Geef mij antwoord; Jahweh, geef mij antwoord, opdat dit volk wete, dat Gij God zijt, o Jahweh, en dat Gij weer hun hart tot u trekt!
37Почуй мене, Господи, почуй мене, щоб сей люд зрозумів, що ти, Господи, справдешнїй Бог, і що ти навернеш серця їх.
38En het vuur van Jahweh sloeg neer, verteerde het brandoffer met het hout, de stenen en het stof, en slurpte zelfs het water weg, dat in de groeve stond.
38І спав огонь Господень та й пожер всепаленнє, дрова, каміння й насипану землю, ба й воду вилизав, що була в рові.
39Toen de Israëlieten dit zagen, vielen ze aanbiddend neer, en riepen: Jahweh is God; Jahweh is God!
39Як побачив се нарід, то й припав лицем до землї, та й промовив: Господь є Богом, Господь є Богом!
40Nu gaf Elias bevel: Grijpt de profeten van Báal, en laat niemand van hen ontsnappen. Ze grepen hen, en Elias liet ze naar de beek Kisjon brengen, waar hij ze doodde.
40Ілия ж повелїв їм: Хапайте пророки Баалові! не дайте нї одному з них утекти! І похапали їх, і повїв їх Ілия до потока Кисона та й повбивав там.
41Daarna sprak Elias tot Achab: Ga nu eten en drinken; want ik hoor reeds het ruisen van regen.
41І сказав Ілия Ахабові: Йди, їж і пий, бо чути дощовий шелест.
42Terwijl Achab heenging, om te eten en te drinken, beklom Elias de top van de Karmel, boog zich ter aarde en legde zijn aangezicht tussen de knieën.
42І пійшов Ахаб їсти й пити, Ілия ж вийшов на верх Кармеля, припав до землї й похилив лице своє аж між колїна свої.
43Vervolgens sprak hij tot zijn knecht: Ga nog wat hoger, en kijk in de richting van de zee. Hij ging hogerop kijken, maar kwam zeggen, dat er niets te zien was. Maar Elias beval hem tot zevenmaal toe, te gaan kijken.
43І сказав слузї свойму: Йди, подивись проти моря. Той пійшов, подививсь та й каже: Нема нїчого. Каже ж йди знов. І ходив той сїм разів.
44En de zevende maal zei de knecht: Ik zie een wolkje uit zee opkomen, niet groter dan een mensenhand. Nu beval hij, aan Achab te gaan zeggen: Span in en rijd weg, anders zal de regen het u nog beletten.
44За семим же разом каже: Встає саме з моря хмарка, завбільшки на чоловічу долоню. І сказав: Їйди ж, скажи Ахабові: Запрягай та їдь, щоб не захопив тебе дощ.
45En terwijl Achab in zijn wagen steeg en naar Jizreël reed, werd de hemel opeens met jagende wolken bedekt en begon het hevig te regenen. Achab steeg in zijn wagen en reed naar Jizreël.
45Тимчасом потемнїло небо від хмари й вітру та й линув страшенний ливень. Ахаб же сїв та й поїхав у Езреель.
46Maar toen kwam de hand van Jahweh op Elias; deze omgordde zijn lenden, en liep voor de wagen van Achab uit, tot hij Jizreël bereikte.
46На Ілию ж сталася рука Господня й він, оперезавши свої чересла, біг поперед Ахабом до Езрееля.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.