1 Koningen
Chapter 2
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen Davids einde naderde, gaf hij zijn zoon Salomon deze vermaningen:
1Як же прийшла година, вмерти Давидові, заповів він синові свойму Соломонові, мовлячи:
2Ik ga de weg van al wat leeft. Wees sterk, en toon u een man!
2Я йду оце в ту дорогу, що нею ввесь сьвіт ійти мусить, ти ж кріпися й покажи себе мужем.
3Let op uw plichten jegens Jahweh, uw God; bewandel zijn wegen en onderhoud zijn wetten, geboden, verordeningen en voorschriften, zoals die in de wet van Moses beschreven staan, opdat Hij u voorspoed schenke bij al wat ge doet en waarheen ge ook gaat.
3І пильнуй того, що вимагає Господь, Бог твій, від тебе: ходи путьми його й держи його встанови, заповідї, права і сьвідчення, як се написано в Мойсейовому законї, щоб бути тобі розважливим у всьому, що чинити меш, і всюди, куди обернешся;
4Dan zal Jahweh het woord gestand doen, dat Hij tot mij gesproken heeft, toen Hij zeide: Wanneer uw zonen acht geven op hun gedrag, en getrouw voor mijn aanschijn wandelen met geheel hun hart en geheel hun ziel, dan zal op Israëls troon nooit een afstammeling van u ontbreken.
4Щоб Господь справдив слово своє, що прорік про мене, а воно таке: коли сини твої будуть вважати на свою путь, щоб ходити передо мною в правдї від усього серця й від усієї душі, то не перестануть потомки твої седїти на престолї Ізрайлевому.
5Overigens weet gij zelf, wat Joab, de zoon van Seroeja, mij heeft aangedaan, toen hij de beide veldheren van Israël, Abner, den zoon van Ner, en Amasa, den zoon van Jéter, vermoordde, om oorlogsbloed te wreken in vredestijd, en daardoor de gordel om mijn lenden en de schoenen aan mijn voeten met onschuldig bloed bevlekte.
5Далїй же: знаєш сам, що вкоїв менї Йоаб Саруєнко, що він заподїяв двом гетьманам Ізрайлевим, Абенирові Ниренкові та Амессї Етеренкові, повбивавши їх серед миру, як би на війнї, та проливши, як на війнї, кров на пояс, що був на череслах у його, й на обуву, що мав на ногах своїх.
6Handel naar uw wijsheid en laat zijn grijze haren niet in vrede ten grave dalen.
6Оце ж чини по свойму розуму й не дай йому зїйти в землю на той сьвіт із волосом сивим.
7Voor de zonen van Barzillai uit Gilad moet ge goed zijn. Laat ze tot uw disgenoten behoren; ze hebben ook mij geholpen, toen ik voor uw broer Absalom vluchtte.
7Синам же Галаадїя Берзеллїя яви ласку, щоб вони за твоїм столом їли, вони бо стали менї в пригодї, як я втїкав од брата твого Абессалома.
8Dan hebt ge nog den Benjamiet Sjimi, den zoon van Gera uit Bachoerim. Hij heeft mij op onbeschaamde wijze vervloekt, toen ik naar Machanáim ging. Toen hij mij bij de Jordaan tegemoet kwam, heb ik hem bij Jahweh gezworen, dat ik hem niet met het zwaard zou doden,
8Далїй, маєш ще при собі Семея Геренка, Беняминїя з Бахуриму: сей проклинав мене тяжко, як ійшов я в Маханаїм, та він вийшов зустріч мене на Йордань, і я заприсяг Господом, кажучи: Я не страчу тебе!
9maar gij moogt hem niet onbestraft laten. Want ge zijt een wijs man en zult dus wel weten, wat u te doen staat, om zijn grijze haren bebloed naar het dodenrijk te zenden.
9Ти ж не зостав його без кари, бо ти чоловік мудрий, так знати меш добре, що йому заподїяти, щоб він пійшов на той сьвіт із сивим волосом скривавленим.
10Toen ging David te ruste bij zijn vaderen en werd in de Davidstad begraven.
10І почив Давид із отцями своїми, й поховано його в Давидовому городї.
11De tijd, die David over Israël geregeerd heeft, bedroeg veertig jaren; zeven jaren regeerde hij te Hebron, en drie en dertig te Jerusalem.
11Царювання ж Давидового над Ізраїлем було сорок год: в Гебронї він правив сїм год, в Ерусалимі ж трийцять і три годи.
12En Salomon besteeg de troon van zijn vader David, en zijn koningschap bleef onbetwist.
12І сїв Соломон на престолї батька свого Давида, а потуга його все кріпшала та й кріпшала.
13Eens kwam Adoni-ja, de zoon van Chaggit, bij Bat-Sjéba, de moeder van Salomon. Zij vroeg hem: Komt ge als vriend? Hij antwoordde: Ja.
13І прийшов Адонїя, син Аггитин, до Бетсаби, матері Соломонової. І спитала вона: А мирний же приход твій? І відказав їй: Мирний.
14En hij vervolgde: Ik zou u wel eens willen spreken. Ze zeide: Spreek.
14І почав: Треба менї поговорити з тобою. Каже вона: Говори.
15En hij sprak: Gij weet, dat het koningschap mij toekwam, en dat heel Israël mij als den toekomstigen koning beschouwde; maar het koningschap is buiten verwachting mijn broer ten deel gevallen, omdat Jahweh het voor hem had bestemd.
15Тодї каже він: Знаєш сама, що царство було моє й що ввесь Ізраїль ждав, що царем буду я. Та воно пійшло инакше й припало царство мойму братові, бо Господь йому так призначив.
16Nu heb ik u echter een verzoek te doen; wijs mij niet af. Ze antwoordde hem: Spreek.
16Тепер в мене одна тільки просьба до тебе: не відмов менї. І каже вона йому: Говори.
17En hij sprak: Zeg aan koning Salomon, dat hij mij Abisjag van Sjoenem tot vrouw geeft; u zal hij dat niet weigeren.
17І промовив він: Попроси царя Соломона — бо він тобі не відмовить — нехай оддасть за мене Абисагу з Сунаму.
18En Bat-Sjéba zei: Goed; ik zal voor u met den koning spreken.
18І каже Бетсаба: Добре, я перемовлюсь із царем про тебе.
19Toen nu Bat-Sjéba bij koning Salomon kwam, om hem over Adoni-ja te spreken. stond de koning op, liep haar tegemoet en wierp zich voor haar neer; daarna ging hij op zijn troon zitten, en liet voor de koningin-moeder een zetel plaatsen; deze zette zich aan zijn rechterhand.
19Як же ввійшла Бетсаба до царя Соломона, щоб із ним перемовитись про Адонїю, царь піднявся, вклонивсь перед нею та й сїв на свойму престолї. Поставлено престол і про цареву панїматку, й вона сїла з правого боку його.
20Nu sprak zij: Ik heb u een klein verzoek te doen; wijs me niet af. De koning antwoordde: Vraag maar moeder, want u weiger ik niets.
20І каже вона: Є в мене просьба невеличка до тебе, не відмов менї її. І відказав їй царь: Скажи тілько, панїматко, я певно тобі не відмовлю.
21Toen sprak zij: Geef Abisjag van Sjoenem aan uw broer Adoni-ja tot vrouw.
21І промовила вона: Що, коли б Абисагу з Сунаму оддали за твого брата Адонїю?
22Maar koning Salomon antwoordde zijn moeder: Hoe kunt ge Abisjag van Sjoenem voor Adoni-ja vragen? Vraag liever het koningschap voor hem; hij is toch mijn oudere broer, en de priester Ebjatar en Joab, de zoon van Seroeja, houden het met hem.
22І відказав царь Соломон матері: О, чому ти просиш тільки Абисагу з Сунаму про Адонїя? Лучше проси вже йому й царства. Він же бо мій старший брат, до того ж має за собою сьвященника Абіятара та Йоаба Саруєнка.
23En koning Salomon zwoer bij Jahweh: Zo mag God met mij doen en nog erger, als Adoni-ja dit niet met de dood bekoopt.
23І поклявсь царь Соломон Господом так: Нехай менї те й те вдїє Бог, коли Адонїя виявив се бажаннє не про те, щоб наложити головою!
24Zo waar Jahweh leeft, die mij aangesteld en op de troon van mijn vader David geplaatst heeft, en mij een huis heeft gesticht, zoals Hij beloofd had; vandaag nog zal Adoni-jáhoe sterven.
24Так певно, як живе Господь, що укріпив мене й посадив мене на престолї батька мого Давида, та по своїй обіцянцї устроїв менї дом: сьогоднї буде страчений Адонїя!
25Daarop beval koning Salomon Benajáhoe, den zoon van Jehojada, hem neer te stoten. Zo stierf hij.
25І дав царь Соломон наказ Банеї Йодаєнкові, й вбив його той, і вмер він.
26Tot den priester Ebjatar zei de koning: Ga naar uw landgoed te Anatot; want al zijt ge de dood schuldig, toch zal ik u thans nog niet doen sterven, omdat gij de ark van Jahweh voor mijn vader David gedragen en al het leed van mijn vader gedeeld hebt.
26Сьвященникові ж Абіятарові повелїв царь: Ійди ув Анатот у твій хутор, бо й ти заробив смерть. Та сьогоднї тебе не страчу, бо ти носив скриню Господню перед моїм отцем Давидом, і все, що витерпів отець мій, терпів і ти з ним.
27Zo verdreef Salomon Ebjatar uit Jahweh’s priesterschap, opdat vervuld zou worden, wat Jahweh te Sjilo over het huis van Heli gezegd had.
27Так видалив Соломон Абіятара, щоб він більш не був сьвященником Господнїм; і справдилось Господнє слово, що сказав був про дом Ілїя в Силомі.
28Toen Joab dit alles hoorde, vluchtte hij naar de tent van Jahweh en greep de hoornen van het altaar; want Joab had partij gekozen voor Adoni-ja, hoewel hij het voor Absalom niet had gedaan.
28Як дойшла ж про се чутка до Йоаба — Йоаб же тягнув руку за Адонїєю, а до Соломона не прихилявся — то він втїк у намет Господень та й ухопився за роги жертівника.
29Nu berichtte men aan koning Salomon, dat Joab naar de tent van Jahweh was gevlucht, en bij het altaar stond. Daarom zond Salomon Benajáhoe, den zoon van Jehojada, er heen met de opdracht: Ga en stoot hem neer.
29Як же зʼясовано цареві Соломонові: Йоаб утїк у намет Господень і стоїть коло жертівника, послав Соломон Банею Йодаєнка з наказом: ійди, вбий його.
30Benajáhoe kwam bij de tent van Jahweh en zei tot Joab: De koning beveelt u, naar buiten te komen. Maar deze antwoordde: Neen, want hier wil ik sterven. Benajáhoe bracht dit antwoord aan den koning over en zeide: Zo en zo heeft Joab gesproken en mij geantwoord.
30Як же прийшов Банея до намету Господнього, сказав йому: Такий царський наказ: Ходи сюди! той же відказує: Нї, тут хочу вмерти. І принїс Банея відповідь і каже: Так говорив Йоаб і так він менї відказав.
31Toen beval hem de koning: Doe zoals hij gezegd heeft; sla hem neer en begraaf hem. Zo zult ge het onschuldige bloed, dat Joab vergoten heeft, van mij en het huis mijns vaders wegnemen,
31І рече йому царь: Зроби так, як він промовив; убий його й поховай, щоб зняти з мене й з моєї родини кров, що Йоаб пролив безвинно.
32en zal Jahweh zijn bloed op zijn eigen hoofd doen neerkomen, omdat hij twee mannen, eerlijker en beter dan hij, heeft neergeslagen en buiten weten van mijn vader David met het zwaard heeft vermoord: Abner, den zoon van Ner, den legeroverste van Israël, en Amasa, den zoon van Jéter, den legeroverste van Juda.
32І нехай Господь оберне кров його на його голову, бо він убив двох таких, що були безвинні й лучші його, а мій отець Давид і не знав про те, Абенира Ниренка, гетьмана Ізрайлевого та Амессу Етеренка, гетьмана Юдиного.
33Zo zal hun bloed voor altijd neerkomen op het hoofd van Joab en zijn nakomelingen; maar met David en zijn nakomelingen, zijn huis en zijn troon, zal het heil van Jahweh in eeuwigheid zijn!
33Оце ж нехай кров їх навіки впаде на голову Йоабові й потомків його, а Давидові й потомкам його, й домові його, й престолові його по всї вічні часи нехай посилає Господь щасну долю!
34Toen ging Benajáhoe, de zoon van Jehojáda, heen, sloeg Joab neer en doodde hem; hij werd in zijn huis in de woestijn begraven.
34І пійшов Банея Йодаєнко та й убив Йоаба, й поховано його в домівцї його в степу.
35En de koning stelde Benajáhoe, den zoon van Jehojada, in Joabs plaats over het leger aan, en den priester Sadok in de plaats van Ebjatar.
35І поставив царь Соломон Банею Йодаєнка намість його над військом, а сьвященника Садока поставив царь намість Абіятара.
36Nu ontbood de koning Sjimi, en zeide hem: Bouw u een huis te Jerusalem en vestig u daar; gij moogt de stad volstrekt niet uitgaan, waarheen dan ook.
36І послав царь і повелїв кликнути Семея й сказав йому: Збудуй собі будинок у Ерусалимі й зоставайсь тут жити, не виходячи нїкуди звідси.
37Want wanneer gij de stad verlaat, al was het maar even over het Kedrondal, dan kunt ge er zeker van zijn, dat ge sterven zult, en dan komt uw bloed op uw eigen hoofd neer.
37Коли ж ізвідси вийдеш, хоч би поза потік Кидрон, так зараз — знай се — мусиш умерти; кров же твоя впаде на твою голову.
38Sjimi zei tot den koning: Goed; wat mijn heer en koning bevolen heeft, zal uw dienaar doen. En Sjimi bleef geruime tijd te Jerusalem wonen.
38І відказав Семей цареві: Добре! як мій добродїй й царь повелїв, так і чинити ме раб твій. От і жив Семей у Ерусалимі довго.
39Maar na verloop van drie jaar vluchtten eens twee slaven van Sjimi naar Akisj, den zoon van Maäka, den koning van Gat. Toen Sjimi het bericht ontving, dat zijn slaven zich in Gat bevonden,
39Аж ось лучилось у три роки, що два раби Семеєві втекли до Анхуса Маашенка, царя Гетського. І переказано Семеєві: Раби твої в Гетї:
40stond hij op, zadelde zijn ezel en begaf zich naar Akisj te Gat, om zijn slaven te halen; daarna verliet Sjimi Gat en bracht zijn slaven naar huis terug.
40І зібрався Семей, осїдлав осла свого та й пустивсь у дорогу в Гет до Анхуса шукати рабів своїх. І вернувся Семей й привів раби свої з Гета.
41Maar toen Salomon vernomen had, dat Sjimi uit Jerusalem naar Gat gegaan en weer teruggekeerd was,
41От і зʼясовано Соломонові, що Семей виходив з Ерусалиму в Гет і вернувсь назад.
42ontbood hij hem en zeide: Heb ik niet bij Jahweh gezworen en u uitdrukkelijk gewaarschuwd: Wanneer ge Jerusalem verlaat, waarheen dan ook, dan kunt ge er zeker van zijn, dat ge sterven zult? Toen hebt gij gezegd: Goed; ik heb het gehoord.
42І післав царь закликати Семея, та й каже йому: Чи ж я не поклявся тобі Господом і не завірив тебе: скоро ти звідсї пійдеш куди небудь, мусиш — знай се — вмерти? Ти ж відказав менї: добре! чую!
43Waarom hebt ge u dan niet gestoord aan de eed bij Jahweh en aan het gebod, dat ik u gegeven heb?
43Чом же ти не вважив на виречену перед Господом божбу й на повелїннє тобі дане?
44En de koning vervolgde tot Sjimi: Gij kent zelf al het kwaad, dat uw geweten u ten aanzien van mijn vader David verwijt. Jahweh doet uw boosheid op uw eigen hoofd neerkomen;
44І рече царь надто Семеєві: Сам ти знаєш і серце твоє знає все те зло, яке ти заподїяв отцеві мойму Давидові. Нехай же Господь оберне твою злість на твою голову,
45maar koning Salomon zal gezegend zijn, en Davids troon vast staan voor Jahweh’s aanschijn in eeuwigheid!
45Царь же Соломон нехай буде благословен, і Давидів престол нехай буде непорушен перед Господом по вічні часи!
46Daarop beval de koning Benajáhoe, den zoon van Jehojada, hem buiten neer te slaan. Zo stierf hij. Nadat de koninklijke macht in de hand van Salomon verzekerd was,
46І повелїв царь Банеї Йодаєнкові; він вийшов і стратив його, й той вмер.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.