1 Koningen
Chapter 2
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Old Persian Versio…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Old Persian Version (ترجمه قدیم)
1Toen Davids einde naderde, gaf hij zijn zoon Salomon deze vermaningen:
1و چون ایام وفات داود نزدیک شد، پسرخود سلیمان را وصیت فرموده، گفت:
2Ik ga de weg van al wat leeft. Wees sterk, en toon u een man!
2«من به راه تمامی اهل زمین می‌روم. پس تو قوی و دلیر باش.
3Let op uw plichten jegens Jahweh, uw God; bewandel zijn wegen en onderhoud zijn wetten, geboden, verordeningen en voorschriften, zoals die in de wet van Moses beschreven staan, opdat Hij u voorspoed schenke bij al wat ge doet en waarheen ge ook gaat.
3وصایای یهوه، خدای خود را نگاه داشته، به طریق های وی سلوک نما، و فرایض واوامر و احکام و شهادات وی را به نوعی که درتورات موسی مکتوب است، محافظت نما تا درهر کاری که کنی و به هر جایی که توجه نمایی، برخوردار باشی.
4Dan zal Jahweh het woord gestand doen, dat Hij tot mij gesproken heeft, toen Hij zeide: Wanneer uw zonen acht geven op hun gedrag, en getrouw voor mijn aanschijn wandelen met geheel hun hart en geheel hun ziel, dan zal op Israëls troon nooit een afstammeling van u ontbreken.
4و تا آنکه خداوند، کلامی را که درباره من فرموده و گفته است، برقرار دارد که اگرپسران تو راه خویش را حفظ نموده، به تمامی دل و به تمامی جان خود در حضور من به راستی سلوک نمایند، یقین که از تو کسی‌که بر کرسی اسرائیل بنشیند، مفقود نخواهد شد.
5Overigens weet gij zelf, wat Joab, de zoon van Seroeja, mij heeft aangedaan, toen hij de beide veldheren van Israël, Abner, den zoon van Ner, en Amasa, den zoon van Jéter, vermoordde, om oorlogsbloed te wreken in vredestijd, en daardoor de gordel om mijn lenden en de schoenen aan mijn voeten met onschuldig bloed bevlekte.
5و دیگر تو آنچه را که یوآب بن صرویه به من کرد می‌دانی، یعنی آنچه را با دو سردار لشکراسرائیل ابنیر بن نیر و عماسا ابن یتر کرد و ایشان را کشت و خون جنگ را در حین صلح ریخته، خون جنگ را بر کمربندی که به کمر خود داشت و بر نعلینی که به پایهایش بود، پاشید.
6Handel naar uw wijsheid en laat zijn grijze haren niet in vrede ten grave dalen.
6پس موافق حکمت خود عمل نما و مباد که موی سفید او به سلامتی به قبر فرو رود.
7Voor de zonen van Barzillai uit Gilad moet ge goed zijn. Laat ze tot uw disgenoten behoren; ze hebben ook mij geholpen, toen ik voor uw broer Absalom vluchtte.
7و اما با پسران برزلای جلعادی احسان نما و ایشان از‌جمله خورندگان بر سفره تو باشند، زیرا که ایشان هنگامی که از برادر تو ابشالوم فرار می‌کردم، نزدمن چنین آمدند.
8Dan hebt ge nog den Benjamiet Sjimi, den zoon van Gera uit Bachoerim. Hij heeft mij op onbeschaamde wijze vervloekt, toen ik naar Machanáim ging. Toen hij mij bij de Jordaan tegemoet kwam, heb ik hem bij Jahweh gezworen, dat ik hem niet met het zwaard zou doden,
8و اینک شمعی ابن جیرای بنیامینی از بحوریم نزد توست و او مرا در روزی که به محنایم رسیدم به لعنت سخت لعن کرد، لیکن چون به استقبال من به اردن آمد برای او به خداوند قسم خورده، گفتم که تو را با شمشیرنخواهم کشت.
9maar gij moogt hem niet onbestraft laten. Want ge zijt een wijs man en zult dus wel weten, wat u te doen staat, om zijn grijze haren bebloed naar het dodenrijk te zenden.
9پس الان او را بی‌گناه مشمارزیرا که مرد حکیم هستی و آنچه را که با او بایدکرد، می‌دانی. پس مویهای سفید او را به قبر باخون فرود آور.»
10Toen ging David te ruste bij zijn vaderen en werd in de Davidstad begraven.
10پس داود با پدران خود خوابید و در شهرداود دفن شد.
11De tijd, die David over Israël geregeerd heeft, bedroeg veertig jaren; zeven jaren regeerde hij te Hebron, en drie en dertig te Jerusalem.
11و ایامی که داود بر اسرائیل سلطنت می‌نمود، چهل سال بود. هفت سال درحبرون سلطنت کرد و در اورشلیم سی و سه سال سلطنت نمود.
12En Salomon besteeg de troon van zijn vader David, en zijn koningschap bleef onbetwist.
12و سلیمان بر کرسی پدر خودداود نشست و سلطنت او بسیار استوار گردید.
13Eens kwam Adoni-ja, de zoon van Chaggit, bij Bat-Sjéba, de moeder van Salomon. Zij vroeg hem: Komt ge als vriend? Hij antwoordde: Ja.
13و ادنیا پسر حجیت نزد بتشبع، مادر سلیمان آمد و او گفت: «آیا به سلامتی آمدی؟» او جواب داد: «به سلامتی.»
14En hij vervolgde: Ik zou u wel eens willen spreken. Ze zeide: Spreek.
14پس گفت: «با تو حرفی دارم.» او گفت: «بگو.»
15En hij sprak: Gij weet, dat het koningschap mij toekwam, en dat heel Israël mij als den toekomstigen koning beschouwde; maar het koningschap is buiten verwachting mijn broer ten deel gevallen, omdat Jahweh het voor hem had bestemd.
15گفت: «تو می‌دانی که سلطنت با من شده بود و تمامی اسرائیل روی خود را به من مایل کرده بودند تا سلطنت نمایم، اما سلطنت منتقل شده، از آن برادرم گردید زیراکه از جانب خداوند از آن او بود.
16Nu heb ik u echter een verzoek te doen; wijs mij niet af. Ze antwoordde hem: Spreek.
16و الان خواهشی از تو دارم؛ مسالت مرا رد مکن.» او وی را گفت: «بگو.»
17En hij sprak: Zeg aan koning Salomon, dat hij mij Abisjag van Sjoenem tot vrouw geeft; u zal hij dat niet weigeren.
17گفت: «تمنا این که به سلیمان پادشاه بگویی زیرا خواهش تو را رد نخواهد کردتا ابیشک شونمیه را به من به زنی بدهد.»
18En Bat-Sjéba zei: Goed; ik zal voor u met den koning spreken.
18بتشبع گفت: «خوب، من نزد پادشاه برای تو خواهم گفت.»
19Toen nu Bat-Sjéba bij koning Salomon kwam, om hem over Adoni-ja te spreken. stond de koning op, liep haar tegemoet en wierp zich voor haar neer; daarna ging hij op zijn troon zitten, en liet voor de koningin-moeder een zetel plaatsen; deze zette zich aan zijn rechterhand.
19پس بتشبع نزد سلیمان پادشاه داخل شد تابا او درباره ادنیا سخن گوید. و پادشاه به استقبالش برخاسته، او را تعظیم نمود و بر کرسی خودنشست و فرمود تا به جهت مادر پادشاه کرسی بیاورند و او به‌دست راستش بنشست.
20Nu sprak zij: Ik heb u een klein verzoek te doen; wijs me niet af. De koning antwoordde: Vraag maar moeder, want u weiger ik niets.
20و اوعرض کرد: «یک مطلب جزئی دارم که از تو سوال نمایم. مسالت مرا رد منما.» پادشاه گفت: «ای مادرم بگو زیرا که مسالت تو را رد نخواهم کرد.»
21Toen sprak zij: Geef Abisjag van Sjoenem aan uw broer Adoni-ja tot vrouw.
21و او گفت: «ابیشک شونمیه به برادرت ادنیا به زنی داده شود.»
22Maar koning Salomon antwoordde zijn moeder: Hoe kunt ge Abisjag van Sjoenem voor Adoni-ja vragen? Vraag liever het koningschap voor hem; hij is toch mijn oudere broer, en de priester Ebjatar en Joab, de zoon van Seroeja, houden het met hem.
22سلیمان پادشاه، مادر خود راجواب داده، گفت: «چرا ابیشک شونمیه را به جهت ادنیا طلبیدی؟ سلطنت را نیز برای وی طلب کن چونکه او برادر بزرگ من است، هم به جهت او و هم به جهت ابیاتار کاهن و هم به جهت یوآب بن صرویه.»
23En koning Salomon zwoer bij Jahweh: Zo mag God met mij doen en nog erger, als Adoni-ja dit niet met de dood bekoopt.
23و سلیمان پادشاه به خداوند قسم خورده، گفت: «خدا به من مثل این بلکه زیاده از این عمل نماید اگر ادنیا این سخن رابه ضرر جان خود نگفته باشد.
24Zo waar Jahweh leeft, die mij aangesteld en op de troon van mijn vader David geplaatst heeft, en mij een huis heeft gesticht, zoals Hij beloofd had; vandaag nog zal Adoni-jáhoe sterven.
24و الان قسم به حیات خداوند که مرا استوار نموده، و مرا برکرسی پدرم، داود نشانیده، و خانه‌ای برایم به طوری که وعده نموده بود، برپا کرده است که ادنیا امروز خواهد مرد.»
25Daarop beval koning Salomon Benajáhoe, den zoon van Jehojada, hem neer te stoten. Zo stierf hij.
25پس سلیمان پادشاه به‌دست بنایاهو ابن یهویاداع فرستاد و او وی را زدکه مرد.
26Tot den priester Ebjatar zei de koning: Ga naar uw landgoed te Anatot; want al zijt ge de dood schuldig, toch zal ik u thans nog niet doen sterven, omdat gij de ark van Jahweh voor mijn vader David gedragen en al het leed van mijn vader gedeeld hebt.
26و پادشاه به ابیاتار کاهن گفت: «به مزرعه خود به عناتوت برو زیرا که تو مستوجب قتل هستی، لیکن امروز تو را نخواهم کشت، چونکه تابوت خداوند، یهوه را در حضور پدرم داودبرمی داشتی، و در تمامی مصیبت های پدرم مصیبت کشیدی.»
27Zo verdreef Salomon Ebjatar uit Jahweh’s priesterschap, opdat vervuld zou worden, wat Jahweh te Sjilo over het huis van Heli gezegd had.
27پس سلیمان، ابیاتار را ازکهانت خداوند اخراج نمود تا کلام خداوند را که درباره خاندان عیلی در شیلوه گفته بود، کامل گرداند.
28Toen Joab dit alles hoorde, vluchtte hij naar de tent van Jahweh en greep de hoornen van het altaar; want Joab had partij gekozen voor Adoni-ja, hoewel hij het voor Absalom niet had gedaan.
28و چون خبر به یوآب رسید، یوآب به خیمه خداوند فرار کرده، شاخهای مذبح را گرفت زیراکه یوآب، ادنیا را متابعت کرده، هرچند ابشالوم رامتابعت ننموده بود.
29Nu berichtte men aan koning Salomon, dat Joab naar de tent van Jahweh was gevlucht, en bij het altaar stond. Daarom zond Salomon Benajáhoe, den zoon van Jehojada, er heen met de opdracht: Ga en stoot hem neer.
29و سلیمان پادشاه را خبردادند که یوآب به خیمه خداوند فرار کرده، واینک به پهلوی مذبح است. پس سلیمان، بنایاهوابن یهویاداع را فرستاده، گفت: «برو و او را بکش.»
30Benajáhoe kwam bij de tent van Jahweh en zei tot Joab: De koning beveelt u, naar buiten te komen. Maar deze antwoordde: Neen, want hier wil ik sterven. Benajáhoe bracht dit antwoord aan den koning over en zeide: Zo en zo heeft Joab gesproken en mij geantwoord.
30و بنایاهو به خیمه خداوند داخل شده، او راگفت: «پادشاه چنین می‌فرماید که بیرون بیا.» اوگفت: «نی، بلکه اینجا می‌میرم.» و بنایاهو به پادشاه خبر رسانیده، گفت که «یوآب چنین گفته، و چنین به من جواب داده است.»
31Toen beval hem de koning: Doe zoals hij gezegd heeft; sla hem neer en begraaf hem. Zo zult ge het onschuldige bloed, dat Joab vergoten heeft, van mij en het huis mijns vaders wegnemen,
31پادشاه وی را فرمود: «موافق سخنش عمل نما و او را کشته، دفن کن تا خون بی‌گناهی را که یوآب ریخته بود از من و از خاندان پدرم دورنمایی.
32en zal Jahweh zijn bloed op zijn eigen hoofd doen neerkomen, omdat hij twee mannen, eerlijker en beter dan hij, heeft neergeslagen en buiten weten van mijn vader David met het zwaard heeft vermoord: Abner, den zoon van Ner, den legeroverste van Israël, en Amasa, den zoon van Jéter, den legeroverste van Juda.
32و خداوند خونش را بر سر خودش ردخواهد گردانید به‌سبب اینکه بر دو مرد که از اوعادلتر و نیکوتر بودند هجوم آورده، ایشان را با شمشیر کشت و پدرم، داود اطلاع نداشت، یعنی ابنیر بن نیر، سردار لشکر اسرائیل و عماسا ابن یتر، سردار لشکر یهودا.
33Zo zal hun bloed voor altijd neerkomen op het hoofd van Joab en zijn nakomelingen; maar met David en zijn nakomelingen, zijn huis en zijn troon, zal het heil van Jahweh in eeuwigheid zijn!
33پس خون ایشان برسر یوآب و بر سر ذریتش تا به ابد برخواهد گشت و برای داود و ذریتش و خاندانش و کرسی‌اش سلامتی از جانب خداوند تا ابدالاباد خواهد بود.»
34Toen ging Benajáhoe, de zoon van Jehojáda, heen, sloeg Joab neer en doodde hem; hij werd in zijn huis in de woestijn begraven.
34پس بنایاهو ابن یهویاداع رفته، او را زد و کشت و او را در خانه‌اش که در صحرا بود، دفن کردند.
35En de koning stelde Benajáhoe, den zoon van Jehojada, in Joabs plaats over het leger aan, en den priester Sadok in de plaats van Ebjatar.
35و پادشاه بنایاهو ابن یهویاداع را به‌جایش به‌سرداری لشکر نصب کرد و پادشاه، صادوق کاهن را در جای ابیاتار گماشت.
36Nu ontbood de koning Sjimi, en zeide hem: Bouw u een huis te Jerusalem en vestig u daar; gij moogt de stad volstrekt niet uitgaan, waarheen dan ook.
36و پادشاه فرستاده، شمعی را خوانده، وی راگفت: «به جهت خود خانه‌ای در اورشلیم بناکرده، در آنجا ساکن شو و از آنجا به هیچ طرف بیرون مرو.
37Want wanneer gij de stad verlaat, al was het maar even over het Kedrondal, dan kunt ge er zeker van zijn, dat ge sterven zult, en dan komt uw bloed op uw eigen hoofd neer.
37زیرا یقین در روزی که بیرون روی و از نهر قدرون عبور نمایی، بدان که البته خواهی مرد و خونت بر سر خودت خواهد بود.»
38Sjimi zei tot den koning: Goed; wat mijn heer en koning bevolen heeft, zal uw dienaar doen. En Sjimi bleef geruime tijd te Jerusalem wonen.
38وشمعی به پادشاه گفت: «آنچه گفتی نیکوست. به طوری که آقایم پادشاه فرموده است، بنده ات چنین عمل خواهد نمود.» پس شمعی روزهای بسیار در اورشلیم ساکن بود.
39Maar na verloop van drie jaar vluchtten eens twee slaven van Sjimi naar Akisj, den zoon van Maäka, den koning van Gat. Toen Sjimi het bericht ontving, dat zijn slaven zich in Gat bevonden,
39اما بعد از انقضای سه سال واقع شد که دوغلام شمعی نزد اخیش بن معکه، پادشاه جت فرار کردند و شمعی را خبر داده، گفتند که «اینک غلامانت در جت هستند.»
40stond hij op, zadelde zijn ezel en begaf zich naar Akisj te Gat, om zijn slaven te halen; daarna verliet Sjimi Gat en bracht zijn slaven naar huis terug.
40و شمعی برخاسته، الاغ خود را بیاراست و به جستجوی غلامانش، نزد اخیش به جت روانه شد، و شمعی رفته، غلامان خود را از جت بازآورد.
41Maar toen Salomon vernomen had, dat Sjimi uit Jerusalem naar Gat gegaan en weer teruggekeerd was,
41و به سلیمان خبر دادند که شمعی از اورشلیم به جت رفته وبرگشته است.
42ontbood hij hem en zeide: Heb ik niet bij Jahweh gezworen en u uitdrukkelijk gewaarschuwd: Wanneer ge Jerusalem verlaat, waarheen dan ook, dan kunt ge er zeker van zijn, dat ge sterven zult? Toen hebt gij gezegd: Goed; ik heb het gehoord.
42و پادشاه فرستاده، شمعی را خواند و وی را گفت: «آیا تو را به خداوند قسم ندادم و تو را نگفتم در روزی که بیرون شوی و به هر جا بروی یقین بدان که خواهی مرد، و تو مراگفتی سخنی که شنیدم نیکوست.
43Waarom hebt ge u dan niet gestoord aan de eed bij Jahweh en aan het gebod, dat ik u gegeven heb?
43پس قسم خداوند و حکمی را که به تو امر فرمودم، چرانگاه نداشتی؟»
44En de koning vervolgde tot Sjimi: Gij kent zelf al het kwaad, dat uw geweten u ten aanzien van mijn vader David verwijt. Jahweh doet uw boosheid op uw eigen hoofd neerkomen;
44و پادشاه به شمعی گفت: «تمامی بدی را که دلت از آن آگاهی دارد که به پدر من داود کرده‌ای، می‌دانی و خداوند شرارت تو را به‌سرت برگردانیده است.
45maar koning Salomon zal gezegend zijn, en Davids troon vast staan voor Jahweh’s aanschijn in eeuwigheid!
45و سلیمان پادشاه، مبارک خواهد بود و کرسی داود درحضور خداوند تا به ابد پایدار خواهد ماند.»
46Daarop beval de koning Benajáhoe, den zoon van Jehojada, hem buiten neer te slaan. Zo stierf hij. Nadat de koninklijke macht in de hand van Salomon verzekerd was,
46پس پادشاه بنایاهو ابن یهویاداع را امر فرمود واو بیرون رفته، او را زد که مرد. و سلطنت در دست سلیمان برقرار گردید.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.