1 Koningen
Chapter 18
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Freedom Bible (フリー…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Geruime tijd later, in het derde jaar, werd het woord van Jahweh tot Elias gericht: Ga en verschijn voor Achab; Ik wil weer regen geven over de aarde.
1多くの日が過ぎ、三年目に主のことばがエリヤに臨んだ。「行って、アハブに姿を見せなさい。わたしは地の面に雨を降らせる。」
2Elias vertrok dus, om voor Achab te verschijnen. Intussen was de hongersnood in Samaria zeer hevig geworden.
2エリヤはアハブに姿を見せるために行った。 サマリアでは、ききんが激しかった。
3Daarom ontbood Achab zijn hofmeester Obadjáhoe. Deze Obadjáhoe was een ijverig dienaar van Jahweh;
3アハブは宮廷を管理していたオバデヤを呼んだ(さて、オバデヤは主を大いに恐れていた。
4en toen Izébel de profeten van Jahweh uitroeide, had hij honderd profeten onder zijn bescherming genomen, ze in twee groepen van vijftig in spelonken verborgen, en van spijs en drank voorzien.
4イゼベルが主の預言者たちを殺したとき、オバデヤは百人の預言者を取り、五十人ずつほら穴に隠し、パンと水で養っていた。)
5Achab nu zei tot Obadjáhoe: Kom, laat ons het land doortrekken, naar alle waterbronnen en beken; misschien vinden we gras, om de paarden en muildieren in het leven te houden, zodat we niet al onze beesten verliezen.
5アハブはオバデヤに言った。「この地のすべての水の泉と、すべての谷川を巡りなさい。もしかすると草が見つかり、馬と騾馬を生き延びさせ、動物を失わずにすむかもしれない。」
6Ze verdeelden dus het land onder elkaar, om het te doorkruisen. Achab ging de ene kant uit, en Obadjáhoe de andere.
6そこで彼らは、巡る地域を二人で分けた。アハブは一人で一つの道を行き、オバデヤは一人でもう一つの道を行った。
7Terwijl Obadjáhoe op weg was, ontmoette hij opeens Elias. Hij herkende hem, viel voor hem neer, en zei: Zijt gij het, heer Elias?
7オバデヤが道を進んでいると、エリヤが彼に出会った。彼はエリヤだとわかると、地に顔を伏せて言った。「あなたは、わが主君エリヤではありませんか。」
8Hij antwoordde hem: Ja; ga dus maar aan uw meester zeggen, dat Elias er is.
8彼は答えた。「わたしだ。行って、あなたの主君に『エリヤがここにいる』と告げなさい。」
9Maar Obadjáhoe zeide: Wat heb ik misdaan, dat gij mij, uw dienaar, aan Achab overlevert, om mij te doden?
9彼は言った。「わたしがどんな罪を犯したというので、あなたはこのしもべをアハブの手に渡し、殺させようとするのですか。
10Zo waar Jahweh, uw God leeft; er is geen volk of koninkrijk, of Achab heeft er u laten zoeken. En wanneer men verzekerde, dat gij er niet waart, dan liet hij dat koninkrijk of dat volk zweren, dat het u niet vinden kon.
10あなたの神、主は生きておられます。わたしの主君があなたを捜すため、人を遣わさなかった国も王国もありません。人々が「ここにはいない」と言うと、その国と王国に、あなたを見つけられなかったと誓わせました。
11En nu zegt gij: “Ga aan uw meester zeggen, dat Elias er is.”
11今、あなたは『行って、あなたの主君に「エリヤがここにいる」と告げよ』と言われます。
12Weet ge, hoe het zal gaan? Wanneer ik hier weg ben, neemt de geest van Jahweh u op, wie weet waarheen. En als ik dat bericht aan Achab heb gebracht, en hij vindt u niet, dan vermoordt hij mij. Ik, uw dienaar, ben toch een vereerder van Jahweh van mijn jeugd af.
12わたしがあなたから離れるとすぐに、主の霊があなたをわたしの知らない所へ運んで行くでしょう。そしてわたしが来てアハブに告げ、彼があなたを見つけられなければ、彼はわたしを殺すでしょう。しかし、あなたのしもべであるわたしは、若いころから主を恐れてきました。
13Heeft men u, mijn heer, dan niet verteld, wat ik gedaan heb, toen Izébel de profeten van Jahweh vermoordde; dat ik toen honderd profeten van Jahweh in twee groepen van vijftig in een grot heb verborgen, en ze van spijs en drank heb voorzien?
13イゼベルが主の預言者たちを殺したとき、わたしがしたこと、すなわち、わたしが主の預言者たちのうち百人の男たちを五十人ずつほら穴に隠し、パンと水で彼らを養ったことが、わが主君に告げられていなかったのでしょうか。
14En nu zegt gij: “Ga aan uw meester zeggen, dat Elias er is.” Hij vermoordt mij zeker.
14今、あなたは『行って、あなたの主君に「エリヤがここにいる」と告げよ』と言われます。彼はわたしを殺すでしょう。」
15Maar Elias verzekerde: Zo waar Jahweh der heirscharen leeft, voor wiens aanschijn ik sta: ik verschijn vandaag nog voor Achab.
15エリヤは言った。「わたしがその御前に立つ万軍の主は生きておられる。今日、必ずアハブに姿を見せる。」
16Nu ging Obadjáhoe naar Achab, om het hem te berichten. En Achab begaf zich op weg naar Elias.
16そこでオバデヤはアハブに会いに行き、彼に告げた。アハブはエリヤに会いに行った。
17Zodra hij hem zag, riep hij hem toe: Zijt gij daar eindelijk, onheilstichter in Israël?
17アハブはエリヤを見ると、言った。「おまえか、イスラエルを苦しめる者よ。」
18Maar hij antwoordde: Niet ik heb onheil over Israël gebracht, maar gij en het huis van uw vader; want gij hebt Jahweh verlaten, om de Báals te dienen.
18彼は答えた。「イスラエルを苦しめたのはわたしではなく、あなたとあなたの父の家だ。あなたがたが主の戒めを捨て、バアルたちに従ったからだ。
19Maar laat heel Israël op de berg Karmel bijeen roepen, tegelijk met de vierhonderd vijftig profeten van Báal, die aan de tafel van Izébel eten.
19ですから今、人を遣わし、全イスラエルをカルメル山に、わたしのところに集めてください。また、イゼベルの食卓で食べる四百五十人のバアルの預言者たちと、四百人のアシェラの預言者たちもです。」
20Achab liet toen heel Israël met al de profeten op de berg Karmel bijeenroepen.
20そこでアハブはイスラエルのすべての子らに人を遣わし、預言者たちをカルメル山に集めた。
21Nu verscheen Elias voor het verzamelde volk en sprak: Hoe lang blijft ge nog op twee gedachten hinken? Als Jahweh God is, dien Hem dan; is het Báal, dan moet ge Báal dienen. Het volk wist er niets op te antwoorden.
21エリヤはすべての民の前に進み出て言った。「あなたがたはいつまで二つの間を迷っているのか。主が神なら主に従え。バアルが神ならバアルに従え。」 民は彼にひと言も答えなかった。
22Toen sprak Elias tot het volk: Ik sta hier alleen als de enig overgebleven profeet van Jahweh; de profeten van Báal zijn vierhonderd vijftig man sterk.
22そこでエリヤは民に言った。「わたし、ただわたし一人だけが主の預言者として残された。しかし、バアルの預言者たちは四百五十人いる。
23Geef ons nu twee stieren; laat hen er een uitkiezen, hem in stukken houwen en op het hout leggen, maar zonder vuur aan te steken; dan zal ik den anderen stier gereed maken en op het hout leggen, ook zonder vuur aan te steken.
23われわれに二頭の牛を用意せよ。彼らは一頭を選び、切り分けて薪の上に載せ、火はつけない。わたしももう一頭を整えて薪の上に載せ、火はつけない。
24Roept gij dan uw god aan; en ik zal Jahweh aanroepen. Hij, die antwoordt door het vuur, die is God! Heel het volk riep: Dat is goed!
24あなたがたは自分たちの神の名を呼べ。わたしは主の御名を呼ぶ。火をもって答える方こそ神である。」 すべての民は答えて、「あなたの言うことは良い」と言った。
25Nu sprak Elias tot de Báalsprofeten: Kiest gij nu het eerst een stier uit, en maakt hem gereed; want gij zijt het talrijkst. Roept dan uw god aan, maar zonder vuur aan te steken.
25エリヤはバアルの預言者たちに言った。「あなたがたは自分たちのために一頭の牛を選び、まずそれを整えなさい。あなたがたは数が多いからだ。そしてあなたがたの神の名を呼べ。しかし、下に火を置いてはならない。」
26Zij namen dus een stier, maakten hem gereed en riepen Báal aan van de morgen tot de middag. Ze schreeuwden: Geef ons antwoord; Báal, geef ons antwoord! Maar er kwam geen geluid en geen antwoord, hoe ze ook sprongen om het altaar, dat ze hadden gebouwd.
26彼らは自分たちに与えられた牛を取り、それを整え、朝から真昼まで「バアルよ、われわれの声を聞いてください!」と言ってバアルの名を呼んだ。しかし声はなく、答える者もいなかった。彼らは築かれた祭壇の周りを跳ね回った。
27Toen het middag geworden was, begon Elias de spot met hen te drijven en zei: Roept toch wat harder; hij is immers een god. Hij zal in gedachten verzonken zijn, of aan het werk, of wel op reis; misschien slaapt hij wel en moet hij gewekt worden!
27真昼になると、エリヤは彼らをあざけって言った。「もっと大声で呼べ。彼は神なのだろう。物思いにふけっているのか、どこかへ出かけたのか、旅の途中なのか。あるいは眠っていて、起こさなければならないのかもしれない。」
28Intussen bleven ze schreeuwen, en kerfden ze zich naar gewoonte met zwaarden en lansen, zodat het bloed langs hen afdroop.
28彼らは大声で叫び、いつものやり方に従って、血が流れ出るまで短剣と槍で自分の体を傷つけた。
29Zo ging de middag voorbij; en nog bleven ze razen tot aan de tijd voor het avondoffer; maar er kwam geen geluid en geen antwoord, geen teken van leven.
29昼が過ぎても、彼らは夕暮れのささげ物をささげる時まで預言し続けた。しかし声はなく、答える者もなく、注意を払う者もいなかった。
30Nu sprak Elias tot het verzamelde volk: Komt dichterbij. En heel het volk kwam naar hem toe. Toen richtte hij het altaar van Jahweh weer op, dat men vernield had.
30エリヤはすべての民に言った。「わたしのところに近づきなさい。」すべての民は彼に近づいた。彼は打ち壊されていた主の祭壇を修復した。
31Hij nam twaalf stenen volgens het getal van de stammen der kinderen van Jakob, tot wien Jahweh gesproken had: Ge zult Israël heten.
31エリヤは、主のことばが臨んで「あなたの名はイスラエルとなる」と言われたヤコブの子ら、その部族の数にしたがって十二の石を取った。
32Van die stenen bouwde hij een altaar voor Jahweh. Daarna maakte hij rondom het altaar een groeve, waarin ruimte genoeg was voor twee maten zaaikoren.
32彼はその石で主の御名によって祭壇を築いた。彼は祭壇の周りに、二セア 分の種が入るほどの溝を掘った。
33Vervolgens stapelde hij het hout op, hakte den stier in stukken en legde hem op het hout.
33彼は木を並べ、牛を切り分けて木の上に載せた。彼は言った。「四つの壺に水を満たし、全焼のささげ物と木の上に注げ。」
34Nu beval hij: Vult vier kruiken met water, en giet die over het brandoffer uit en over het hout. Toen ze dit gedaan hadden, zeide hij: Nog eens. Daarna: Nu voor de derde keer. En ze deden het tot driemaal toe,
34彼は言った。「もう一度せよ。」彼らはもう一度行った。「三度目をせよ。」彼らは三度目も行った。
35zodat het water langs alle kanten van het altaar stroomde. Toen liet hij ook nog de groeve met water vullen.
35水は祭壇の周りを流れ、彼は溝にも水を満たした。
36Nu trad de profeet Elias vooruit en sprak: Jahweh, God van Abraham, Isaäk en Israël; toon heden, dat Gij God zijt in Israël, en dat ik uw dienaar ben, die dit alles op uw bevel heb gedaan.
36夕暮れのささげ物の時になって、預言者エリヤは近づいて言った。「アブラハム、イサク、イスラエルの神、主よ。あなたがイスラエルの神であり、わたしがあなたのしもべであり、あなたの命令によってこれらすべてを行ったことが、今日明らかになりますように。
37Geef mij antwoord; Jahweh, geef mij antwoord, opdat dit volk wete, dat Gij God zijt, o Jahweh, en dat Gij weer hun hart tot u trekt!
37わたしに答えてください。主よ、答えてください。この民が、主よ、あなたこそ神であり、彼らの心を再びあなたに向けてくださる方であることを知るためです。」
38En het vuur van Jahweh sloeg neer, verteerde het brandoffer met het hout, de stenen en het stof, en slurpte zelfs het water weg, dat in de groeve stond.
38すると主の火が降って、全焼のささげ物と、木と、石と、ちりを食い尽くし、溝にあった水をなめ尽くした。
39Toen de Israëlieten dit zagen, vielen ze aanbiddend neer, en riepen: Jahweh is God; Jahweh is God!
39すべての民はこれを見ると、ひれ伏して言った。「主こそ神である! 主こそ神である!」
40Nu gaf Elias bevel: Grijpt de profeten van Báal, en laat niemand van hen ontsnappen. Ze grepen hen, en Elias liet ze naar de beek Kisjon brengen, waar hij ze doodde.
40エリヤは彼らに言った。「バアルの預言者たちを捕らえよ!彼らを一人も逃がしてはならない!」彼らが彼らを捕らえると、エリヤは彼らをキション川に連れ下り、そこで彼らを殺した。
41Daarna sprak Elias tot Achab: Ga nu eten en drinken; want ik hoor reeds het ruisen van regen.
41エリヤはアハブに言った。「上って行って、飲み食いしなさい。大雨の響きが聞こえる。」
42Terwijl Achab heenging, om te eten en te drinken, beklom Elias de top van de Karmel, boog zich ter aarde en legde zijn aangezicht tussen de knieën.
42そこでアハブは飲み食いするために上って行った。エリヤはカルメルの頂に上り、地に身をかがめ、顔をひざの間にうずめた。
43Vervolgens sprak hij tot zijn knecht: Ga nog wat hoger, en kijk in de richting van de zee. Hij ging hogerop kijken, maar kwam zeggen, dat er niets te zien was. Maar Elias beval hem tot zevenmaal toe, te gaan kijken.
43彼は自分のしもべに言った。「今、上って行き、海の方を見なさい。」 彼は上って行き、見て、言った。「何もありません。」 彼は言った。「もう一度行きなさい。」それを七度繰り返した。
44En de zevende maal zei de knecht: Ik zie een wolkje uit zee opkomen, niet groter dan een mensenhand. Nu beval hij, aan Achab te gaan zeggen: Span in en rijd weg, anders zal de regen het u nog beletten.
44七度目に彼は言った。「人の手のような小さな雲が海から上って来ます。」 彼は言った。「上って行き、アハブに『雨があなたを妨げないように、支度をして下って行きなさい』と告げよ。」
45En terwijl Achab in zijn wagen steeg en naar Jizreël reed, werd de hemel opeens met jagende wolken bedekt en begon het hevig te regenen. Achab steeg in zijn wagen en reed naar Jizreël.
45しばらくすると、空は雲と風で黒くなり、大雨となった。アハブは戦車に乗ってエズレルへ行った。
46Maar toen kwam de hand van Jahweh op Elias; deze omgordde zijn lenden, en liep voor de wagen van Achab uit, tot hij Jizreël bereikte.
46主の御手がエリヤの上に臨んだ。彼は上着の裾を帯に挟み、アハブの前を走ってエズレルの入り口まで行った。

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.