Маттея 25
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Тодї уподобить ся царство небесне десяти дївчатам, що, взявши каганцї свої, вийшли назустріч женихові.
1Dan zal het rijk der hemelen gelijk zijn aan tien maagden, die haar lampen namen, om den bruidegom tegemoet te gaan.
2Пять же були з них розумні, а пять необачні.
2Vijf van haar waren dwaas, en vijf waren wijs.
3Котрі необачні, взявши каганцї свої, не взяли з собою олїї.
3De dwaze namen wel haar lampen mee, doch geen olie.
4Розумні ж узяли олїї в пляшечки свої з каганцями своїми.
4Maar de wijze namen met haar lampen ook olie in haar kruiken mee.
5Як же жених барив ся, задрімали всї, та й поснули.
5Toen nu de bruidegom toefde, werden ze slaperig en sluimerden allemaal in.
6О півночі ж постав крик: Ось жених ійде; виходьте назустріч йому!
6Maar midden in de nacht werd er geroepen: Ziet, de bruidegom komt; gaat naar buiten, hem te gemoet.
7Тодї повставали всї дївчата тиї, та й украсили каганцї свої.
7Toen stonden al die maagden op, en brachten haar lampen in orde.
8Необачні ж казали до розумних: Дайте нам олїї вашої, бо каганцї наші гаснуть.
8Nu zeiden de dwaze tot de wijze: Geeft ons wat van uw olie; want onze lampen gaan uit.
9Відказали ж розумні, говорячи: Щоб не стало нам і вам; а йдїть лучче до тих, що продають, та й купіть собі.
9De wijze gaven ten antwoord: Neen, dan is er misschien niet genoeg voor ons en voor u; gaat liever naar de verkopers, en koopt voor uzelf.
10Як же йшли вони купувати, прийшов жених; і що були готові, увійшли з ним на весїллє; і зачинено двері.
10Maar terwijl ze heengingen om te kopen, kwam de bruidegom, en zij die gereed waren, gingen met hem ter bruiloft in; en de deur werd gesloten.
11Опісля ж приходять і другі дївчата, та й кажуть: Господи, Господи, відчини нам.
11Later kwamen ook de andere maagden, en zeiden: Heer, heer, doe ons open.
12Він же, озвавшись, рече: Істино глаголю вам: Не знаю вас.
12Maar hij antwoordde: Voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet.
13Отим же то пильнуйте, бо не знаєте дня, нї години, коли Син чоловічий прийде.
13Waakt dus, want gij kent dag noch uur.
14Бо, як чоловік, відїжджаючи, прикликав слуги свої, і передав їм достатки свої,
14Het gaat er mee als met een mens, die naar het buitenland vertrok, zijn dienaars riep, en hun zijn bezittingen overdroeg.
15і одному дав пять талантів, другому два, иншому ж один, кожному по його сназї, та й відїхав зараз.
15En aan den één gaf hij vijf talenten, den ander twee, een derde één; ieder volgens zijn bekwaamheid. Toen ging hij op reis.
16Пійшовши ж той, що взяв пять талантів, орудував ними, й придбав других пять талантів.
16Die nu de vijf talenten had ontvangen, ging aanstonds heen, dreef er handel mee. en won er vijf andere bij.
17Так само й той, що два, придбав і він других два.
17Zo ook won hij, die er twee had ontvangen, er nog twee andere bij.
18Той же, що взяв один, пійшовши, закопав у землю, і сховав срібло пана свого.
18Maar die er één had ontvangen, ging heen, maakte een kuil in de grond, en verborg het geld van zijn heer.
19По довгому ж часу, приходить пан слуг тих, і бере перелїк із них.
19Na lange tijd kwam de heer van die dienaars terug, en rekende met hen af.
20І, приступивши той, що взяв пять талантів, принїс і других пять талантів, говорячи: Пане, пять талантів менї передав єси; ось других пять талантів придбав я ними.
20En hij, die de vijf talenten had ontvangen, trad naar voren, bracht nog vijf andere talenten, en zeide: Heer, vijf talenten hebt ge mij gegeven; zie, nog vijf heb ik er bijgewonnen.
21Рече ж до него пан його: Гаразд, слуго добрий і вірний: у малому був єси вірен, над многим поставлю тебе. Увійди в радощі пана твого.
21Zijn meester sprak tot hem: Heel best, goede en trouwe knecht; over weinig zijt ge getrouw geweest, over veel zal ik u stellen; ga binnen in de vreugde uws heren.
22Приступивши ж і той, що взяв два таланти, сказав: Пане, два таланти менї передав єси; ось других два таланти придбав я ними.
22Ook hij, die de twee talenten had ontvangen, trad naar voren, en zeide: Heer, twee talenten hebt ge mij gegeven: zie, nog twee heb ik er bijgewonnen.
23Рече до него пан його: Гаразд, слуго добрий і вірний: у малому був єси вірен, над многим поставлю тебе. Увійди в радощі пана твого.
23Zijn meester sprak tot hem: Heel best, goede en trouwe knecht; over weinig zijt ge getrouw geweest, over veel zal ik u stellen; ga binnen in de vreugde uws heren.
24Приступивши ж і той, що взяв один талант, сказав: Пане, знав я тебе, що жорстокий єси чоловік, що жнеш, де не сїяв, і збираєш, де не розсипав;
24Nu trad ook hij naar voren, die het éne talent had ontvangen. Hij zeide: Heer, ik weet, dat ge een streng man zijt; ge maait, waar ge niet hebt gezaaid, en oogst, waar ge niet hebt uitgestrooid.
25і, злякавшись, пійшов та сховав твій талант у землї. Оце ж маєш твоє.
25Ik was dus bang, en ben uw talent in de grond gaan begraven; zie, daar hebt ge het uwe terug.
26Озвав ся ж пан його й рече до него: Лукавий слуго й лїнивий, знав єси, що жну, де не сїяв, і збираю, де не розсипав:
26Maar zijn meester antwoordde hem: Gij slechte en luie knecht; ge wist dat ik maai, waar ik niet heb gezaaid, en dat ik oogst, waar ik niet heb uitgestrooid.
27так треба було оддати срібло моє міняльникам, і, прийшовши, взяв би я своє з лихвою.
27Ge hadt dus mijn geld bij de wisselaars moeten beleggen; dan zou ik het bij mijn komst met rente hebben teruggekregen.
28Візьміть же від него талант, та дайте тому, що має десять талантів.
28Neemt dus het talent van hem af, en geeft het aan hem, die de tien talenten heeft.
29Кожному бо маючому всюди дасть ся, і надто мати ме; у немаючого ж, і що має, візьметь ся від него.
29Want wie heeft, aan hem zal worden gegeven, en hij zal overvloed hebben; maar wie niet heeft, hem zal ook nog ontnomen worden wat hij bezit.
30І викиньте слугу нїкчемного у темряву надвірню: там буде плач і скреготаннє зубів.
30Werpt den onbruikbaren knecht naar buiten de duisternis in; daar zal geween zijn, en gekners der tanden.
31Як же прийде Син чоловічий у славі своїй, і всї сьвяті ангели з ним, тодї сяде він на престолї слави своєї;
31Wanneer dan de Mensenzoon in zijn heerlijkheid komt, en alle engelen met Hem, zal Hij plaats nemen op de troon zijner majesteit.
32і зберуть ся перед него всї народи; й відлучить він їх одних од других, як пастух одлучує овець од козлів;
32En alle volkeren zullen vóór Hem worden vergaderd: maar Hij zal ze van elkander scheiden, zoals een herder scheiding maakt tussen schapen en bokken.
33і поставить овець по правицї в себе, а козлів по лївицї.
33En de schapen zal Hij aan zijn rechterhand plaatsen, de bokken aan zijn linkerhand.
34Тодї скаже царь тим, що по правицї в него: Прийдїть, благословенні Отця мого, осягнїть царство, приготовлене вам од основання сьвіту.
34Dan zal de Koning zeggen tot hen, die aan zijn rechterhand staan: Komt, gezegenden van mijn Vader; neemt bezit van het rijk, dat voor u is bereid van de grondvesting der wereld af.
35Бо я голодував, а ви дали менї їсти; жаждував, і напоїли мене; був чуженицею, і прийняли мене;
35Want Ik was hongerig, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik was dorstig, en gij hebt Mij te drinken gegeven. Ik was vreemdeling, en gij naamt Mij op.
36нагий, і зʼодягли мене; недугував, і одвідали мене; був у темницї, і прийшли до мене.
36Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed; ziek, en gij hebt Mij bezocht: in de gevangenis, en gij zijt Mij komen bezoeken.
37Озвуть ся тодї до него праведні, кажучи: Господи, коли ми бачили тебе голодного, та й накормили? або жадного, та й напоїли?
37Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: Heer, wanneer zagen we U hongerig, en spijsden we U: of dorstig, en gaven we U te drinken?
38Коли ж бачили тебе чуженицею, та й прийняли? або нагим, та й зʼодягли?
38Wanneer zagen we U als vreemdeling, en namen U op; of naakt, en hebben we U gekleed?
39Коли ж бачили тебе недужим, або в темницї, та й прийшли до тебе?
39Of wanneer zagen we U ziek of in de gevangenis, en zijn we tot U gekomen?
40І озвавшись цар, промовить до них: Істино глаголю вам: Скільки раз ви чинили се одному з сих братів моїх найменших, менї чинили.
40Dan zal de Koning hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: Wat gij voor één van mijn geringste broeders gedaan hebt, dat hebt gij voor Mij gedaan.
41Тодї скаже він і до тих, що по лївицї: Ідїть од мене, прокляті, ув огонь вічний, приготовлений дияволові та ангелам його:
41Maar dan zal Hij zeggen tot hen, die aan de linkerhand staan: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijn engelen.
42бо я голодував, і не дали ви менї їсти; жаждував, і не напоїли мене;
42Want Ik was hongerig, en gij hebt Mij niet te eten gegeven; dorstig, en gij hebt Mij niet te drinken gegeven.
43був чуженицею, і не прийняли мене; нагим, і не зʼодягли мене; недужим і в темницї, і не одвідали мене.
43Ik was vreemdeling, en gij naamt Mij niet op; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; ziek en in de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht.
44Тодї озвуть ся до него й сї, кажучи: Господи, коли ми бачили тебе голодного, або жадного, або чуженицею, або нагого, або недужого, або в темницї, та й не послужили тобі?
44Dan zullen ook zij antwoorden: Heer, wanneer zagen we U hongerig of dorstig, vreemdeling of naakt, ziek of in de gevangenis, en hielpen we U niet?
45Озветь ся тодї до них і промовить, глаголючи: Істино глаголю вам: Скільки раз не чинили ви сього одному з сих найменших, і менї не чинили.
45Dan zal Hij hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u; wat gij niet hebt gedaan voor één van deze geringsten, dat hebt gij ook voor Mij niet gedaan.
46І пійдуть сї на вічні муки, а праведні на життє вічне.
46Dan zullen zij gaan in de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.