マタイ
Chapter 25
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Petrus Canisius Bi…

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1そのとき、天の御国は、ランプを持って花婿を迎えに出た十人のおとめのようになる。
1Dan zal het rijk der hemelen gelijk zijn aan tien maagden, die haar lampen namen, om den bruidegom tegemoet te gaan.
2そのうち五人は愚かで、五人は賢かった。
2Vijf van haar waren dwaas, en vijf waren wijs.
3愚かなおとめたちはランプを持って行ったが、油を持って行かなかった。
3De dwaze namen wel haar lampen mee, doch geen olie.
4しかし、賢いおとめたちはランプと一緒に、容器に油を入れて持って行った。
4Maar de wijze namen met haar lampen ook olie in haar kruiken mee.
5花婿が来るのが遅れたので、みな眠くなり、眠り込んでしまった。
5Toen nu de bruidegom toefde, werden ze slaperig en sluimerden allemaal in.
6ところが真夜中に、『見よ、花婿が来る。迎えに出なさい』と叫ぶ声がした。
6Maar midden in de nacht werd er geroepen: Ziet, de bruidegom komt; gaat naar buiten, hem te gemoet.
7そこで、おとめたちはみな起きて、ランプの芯を整えた。
7Toen stonden al die maagden op, en brachten haar lampen in orde.
8愚かなおとめたちは賢い者たちに言った。『私たちのランプが消えかけています。あなたがたの油を少し分けてください。』
8Nu zeiden de dwaze tot de wijze: Geeft ons wat van uw olie; want onze lampen gaan uit.
9しかし、賢いおとめたちは答えた。『私たちとあなたがたの分には足りないかもしれません。それより、油を売る人たちのところへ行って、自分の分を買って来なさい。』
9De wijze gaven ten antwoord: Neen, dan is er misschien niet genoeg voor ons en voor u; gaat liever naar de verkopers, en koopt voor uzelf.
10彼女たちが買いに行っている間に花婿が来た。用意のできていたおとめたちは花婿と一緒に婚宴に入り、戸が閉められた。
10Maar terwijl ze heengingen om te kopen, kwam de bruidegom, en zij die gereed waren, gingen met hem ter bruiloft in; en de deur werd gesloten.
11その後、ほかのおとめたちも来て、『ご主人様、ご主人様、開けてください』と言った。
11Later kwamen ook de andere maagden, en zeiden: Heer, heer, doe ons open.
12しかし花婿は答えた。『まことに、あなたがたに言う。私はあなたがたを知らない。』
12Maar hij antwoordde: Voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet.
13だから、目を覚ましていなさい。人の子が来る日も時刻も、あなたがたは知らないからである。
13Waakt dus, want gij kent dag noch uur.
14また天の御国は、外国へ旅立つ人が、自分の僕たちを呼んで財産を預けるようなものである。
14Het gaat er mee als met een mens, die naar het buitenland vertrok, zijn dienaars riep, en hun zijn bezittingen overdroeg.
15彼はそれぞれの能力に応じて、一人には五タラント、 もう一人には二タラント、さらにもう一人には一タラントを与え、それから旅立った。
15En aan den één gaf hij vijf talenten, den ander twee, een derde één; ieder volgens zijn bekwaamheid. Toen ging hij op reis.
16五タラントを受け取った者はすぐに行って、それを使って商売をし、さらに五タラントをもうけた。
16Die nu de vijf talenten had ontvangen, ging aanstonds heen, dreef er handel mee. en won er vijf andere bij.
17同じように、二タラントを受け取った者も、さらに二タラントをもうけた。
17Zo ook won hij, die er twee had ontvangen, er nog twee andere bij.
18しかし、一タラントを受け取った者は出て行って地面に穴を掘り、主人の金を隠した。
18Maar die er één had ontvangen, ging heen, maakte een kuil in de grond, en verborg het geld van zijn heer.
19長い時がたってから、僕たちの主人が帰って来て、彼らと勘定を清算した。
19Na lange tijd kwam de heer van die dienaars terug, en rekende met hen af.
20五タラントを受け取った者が来て、さらに五タラントを差し出して言った。『ご主人様、あなたは私に五タラントを預けてくださいました。見よ、私はそれに加えて、さらに五タラントをもうけました。』
20En hij, die de vijf talenten had ontvangen, trad naar voren, bracht nog vijf andere talenten, en zeide: Heer, vijf talenten hebt ge mij gegeven; zie, nog vijf heb ik er bijgewonnen.
21主人は彼に言った。『よくやった。良い忠実な僕よ。あなたはわずかなものに忠実だったから、多くのものを任せよう。主人の喜びに加わりなさい。』
21Zijn meester sprak tot hem: Heel best, goede en trouwe knecht; over weinig zijt ge getrouw geweest, over veel zal ik u stellen; ga binnen in de vreugde uws heren.
22二タラントを受け取った者も来て言った。『ご主人様、あなたは私に二タラントを預けてくださいました。見よ、私はそれに加えて、さらに二タラントをもうけました。』
22Ook hij, die de twee talenten had ontvangen, trad naar voren, en zeide: Heer, twee talenten hebt ge mij gegeven: zie, nog twee heb ik er bijgewonnen.
23主人は彼に言った。『よくやった。良い忠実な僕よ。あなたはわずかなものに忠実だったから、多くのものを任せよう。主人の喜びに加わりなさい。』
23Zijn meester sprak tot hem: Heel best, goede en trouwe knecht; over weinig zijt ge getrouw geweest, over veel zal ik u stellen; ga binnen in de vreugde uws heren.
24一タラントを受け取った者も来て言った。『ご主人様、私は、あなたが蒔かなかった所から刈り取り、散らさなかった所から集める厳しい方だと知っていました。
24Nu trad ook hij naar voren, die het éne talent had ontvangen. Hij zeide: Heer, ik weet, dat ge een streng man zijt; ge maait, waar ge niet hebt gezaaid, en oogst, waar ge niet hebt uitgestrooid.
25それで怖くなり、行ってあなたの一タラントを地中に隠しておきました。見よ、これがあなたのものです。』
25Ik was dus bang, en ben uw talent in de grond gaan begraven; zie, daar hebt ge het uwe terug.
26しかし、主人は彼に答えた。『悪い怠け者の僕よ。私が蒔かなかった所から刈り取り、散らさなかった所から集めると知っていたのだな。
26Maar zijn meester antwoordde hem: Gij slechte en luie knecht; ge wist dat ik maai, waar ik niet heb gezaaid, en dat ik oogst, waar ik niet heb uitgestrooid.
27それなら、私の金を銀行に預けておくべきだった。そうすれば、帰って来たとき、利息と共に自分のものを受け取れただろう。
27Ge hadt dus mijn geld bij de wisselaars moeten beleggen; dan zou ik het bij mijn komst met rente hebben teruggekregen.
28だから、その一タラントを彼から取り上げて、十タラント持っている者に与えなさい。
28Neemt dus het talent van hem af, en geeft het aan hem, die de tien talenten heeft.
29持っている者にはだれでもさらに与えられ、豊かになる。しかし、持っていない者は、持っているものまで取り上げられる。
29Want wie heeft, aan hem zal worden gegeven, en hij zal overvloed hebben; maar wie niet heeft, hem zal ook nog ontnomen worden wat hij bezit.
30この役に立たない僕を外の闇に投げ出しなさい。そこで泣き叫び、歯ぎしりすることになる。』
30Werpt den onbruikbaren knecht naar buiten de duisternis in; daar zal geween zijn, en gekners der tanden.
31人の子が栄光のうちに来て、聖なる御使いたちもみな彼と共に来るとき、人の子は栄光の御座に着く。
31Wanneer dan de Mensenzoon in zijn heerlijkheid komt, en alle engelen met Hem, zal Hij plaats nemen op de troon zijner majesteit.
32すべての国民がその前に集められる。人の子は、羊飼いが羊とやぎを分けるように、人々を二つの群れに分ける。
32En alle volkeren zullen vóór Hem worden vergaderd: maar Hij zal ze van elkander scheiden, zoals een herder scheiding maakt tussen schapen en bokken.
33羊を右に、やぎを左に置く。
33En de schapen zal Hij aan zijn rechterhand plaatsen, de bokken aan zijn linkerhand.
34そのとき、王は右にいる者たちに言う。『私の父に祝福された者たちよ、来なさい。世界の基が据えられた時から、あなたがたのために用意されていた御国を受け継ぎなさい。
34Dan zal de Koning zeggen tot hen, die aan zijn rechterhand staan: Komt, gezegenden van mijn Vader; neemt bezit van het rijk, dat voor u is bereid van de grondvesting der wereld af.
35あなたがたは、私が空腹だったときに食べ物を与え、喉が渇いていたときに飲ませ、旅人だったときに迎え入れ、
35Want Ik was hongerig, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik was dorstig, en gij hebt Mij te drinken gegeven. Ik was vreemdeling, en gij naamt Mij op.
36裸だったときに衣服を着せ、病気だったときに見舞い、牢にいたときに訪ねてくれたからである。』
36Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed; ziek, en gij hebt Mij bezocht: in de gevangenis, en gij zijt Mij komen bezoeken.
37すると義人たちは王に答える。『主よ、いつ私たちは、あなたが空腹なのを見て食べ物を差し上げ、喉が渇いているのを見て飲み物を差し上げたでしょうか。
37Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: Heer, wanneer zagen we U hongerig, en spijsden we U: of dorstig, en gaven we U te drinken?
38いつ、あなたが旅人なのを見て迎え入れ、裸なのを見て衣服を着せたでしょうか。
38Wanneer zagen we U als vreemdeling, en namen U op; of naakt, en hebben we U gekleed?
39いつ、あなたが病気であったり、牢にいたりするのを見て、お訪ねしたでしょうか。』
39Of wanneer zagen we U ziek of in de gevangenis, en zijn we tot U gekomen?
40王は彼らに答える。『まことに、あなたがたに言う。あなたがたが、私の兄弟 であるこの最も小さい者たちの一人にしたことは、私にしたのである。』
40Dan zal de Koning hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: Wat gij voor één van mijn geringste broeders gedaan hebt, dat hebt gij voor Mij gedaan.
41それから王は左にいる者たちにも言う。『呪われた者たちよ、私から離れ去り、悪魔とその使いたちのために用意された永遠の火に入りなさい。
41Maar dan zal Hij zeggen tot hen, die aan de linkerhand staan: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijn engelen.
42あなたがたは、私が空腹だったときに食べ物を与えず、喉が渇いていたときに飲ませず、
42Want Ik was hongerig, en gij hebt Mij niet te eten gegeven; dorstig, en gij hebt Mij niet te drinken gegeven.
43旅人だったときに迎え入れず、裸だったときに衣服を着せず、病気のときや牢にいたときに見舞ってくれなかったからである。』
43Ik was vreemdeling, en gij naamt Mij niet op; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; ziek en in de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht.
44すると彼らも答える。『主よ、いつ私たちは、あなたが空腹であるのを、喉が渇いているのを、旅人であるのを、裸であるのを、病気であるのを、また牢にいるのを見て、お世話をしなかったでしょうか。』
44Dan zullen ook zij antwoorden: Heer, wanneer zagen we U hongerig of dorstig, vreemdeling of naakt, ziek of in de gevangenis, en hielpen we U niet?
45そのとき、王は彼らに答える。『まことに、あなたがたに言う。あなたがたが、この最も小さい者たちの一人にしなかったことは、私にしなかったのである。』
45Dan zal Hij hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u; wat gij niet hebt gedaan voor één van deze geringsten, dat hebt gij ook voor Mij niet gedaan.
46この者たちは永遠の刑罰に入り、義人たちは永遠のいのちに入る。」
46Dan zullen zij gaan in de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.