マタイ 12
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Translation
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1そのころ、イエスは安息日に麦畑を通られた。弟子たちは空腹だったので、麦の穂を摘んで食べ始めた。
1In die tijd ging Jesus op de sabbat door het korenveld, en daar zijn leerlingen honger hadden, begonnen ze aren te plukken en op te eten.
2パリサイ人たちはそれを見て、イエスに言った。「見よ、あなたの弟子たちは、安息日にしてはならないことをしています。」
2De farizeën, die dit zagen, zeiden tot Hem: Zie, uw leerlingen doen, wat men op de sabbat niet doen mag.
3しかし、イエスは彼らに言われた。 「ダビデとその供の者たちが空腹だったとき、ダビデが何をしたか、読んだことがないのか。
3Maar Hij zei hun: Hebt gij niet gelezen, wat David deed, toen hij met zijn gevolg honger had?
4彼は神の家に入り、祭司のほかは、自分も供の者たちも食べることを許されていない供えのパンを食べた。
4Hoe hij het huis van God binnenging en de toonbroden opat, die hij, noch zij die met hem waren, mochten eten, maar de priesters alleen?
5また、安息日に神殿の祭司たちが安息日を破っても罪に問われないことを、律法で読んだことがないのか。
5Of hebt gij niet gelezen in de Wet, dat op de sabbat de priesters in de tempel de sabbatrust verbreken, en toch niet schuldig zijn?
6しかし、あなたがたに言う。神殿よりも偉大なものがここにある。
6En Ik zeg u: hier is er een, die groter is dan de tempel.
7『私が望むのはあわれみであって、いけにえではない』とはどういう意味かを知っていたなら、 あなたがたは罪のない者たちを罪に定めなかっただろう。
7Zo gij wist, wat het zeggen wil: “Barmhartigheid wil Ik en geen offerande,” dan zoudt gij geen onschuldigen hebben veroordeeld;
8人の子は安息日の主だからである。」
8want de Mensenzoon is heer van de sabbat.
9イエスはそこを去り、彼らの会堂に入られた。
9Toen ging Hij heen, en kwam in hun synagoge;
10見よ、そこに片手の萎えた人がいた。彼らはイエスを訴えるため、「安息日に癒すことは許されていますか」と尋ねた。
10en zie, daar was een man, wiens hand was verdord. Om Hem nu te kunnen beschuldigen, stelden ze Hem de vraag: Is het geoorloofd, op de sabbat te genezen?
11イエスは彼らに言われた。 「あなたがたのうち、羊を一匹持っている人がいて、その羊が安息日に穴に落ちたなら、つかんで引き上げないだろうか。
11Hij zei hun: Wie is er onder u, die één enkel schaap heeft, en het niet vastgrijpt, als het op de sabbat in een kuil valt, en het er uittrekt?
12人は羊より、どれほど価値があることか。だから、安息日に良いことをするのは許されている。」
12Welnu, hoeveel meer is een mens waard dan een schaap! Het is dus geoorloofd, op de sabbat goed te doen.
13それから、その人に 「手を伸ばしなさい」 と言われた。彼が手を伸ばすと、もう一方の手と同じように元どおりになった。
13Toen sprak Hij tot den man: Strek uw hand uit. Hij strekte ze uit, en ze was weer zo gezond als de andere.
14しかし、パリサイ人たちは出て行き、どうすればイエスを殺せるかと相談した。
14Nu gingen de farizeën heen, en spanden tegen Hem samen, hoe ze Hem in het verderf zouden storten.
15イエスはそれを知って、そこから退かれた。大勢の群衆がイエスに従い、イエスは彼らをみな癒された。
15Maar Jesus kreeg er kennis van, en verwijderde Zich van daar; velen volgden Hem, en Hij genas ze allen.
16そして、ご自分のことを人々に知らせないよう、彼らに命じられた。
16Maar Hij verbood hun, Hem bekend te maken,
17これは、預言者イザヤを通して語られたことが成就するためであった。
17opdat vervuld zou worden, wat door den profeet Isaias voorzegd was:
18「見よ、私が選んだ私の僕、 私の心が喜ぶ、私の愛する者。 私は彼の上に私の霊を置く。 彼は諸国民に公正を告げ知らせる。
18Zie mijn Dienaar, dien Ik heb uitverkoren, Mijn Welbeminde, in wien mijn ziel behagen schept. Ik zal mijn Geest op Hem doen rusten, En Hij zal aan de volkeren het recht verkonden.
19彼は争わず、叫ばず、 通りでその声を聞く者もない。
19Hij zal twisten noch roepen, En niemand zal zijn stem op de straten horen.
20傷ついた葦を折らず、 くすぶる灯芯を消さない。 公正を勝利へと導くまで。
20Hij zal het geknakte riet niet breken, De kwijnende vlaspit niet doven, Totdat Hij het recht ter zegepraal voert.
21諸国民は彼の名に望みを置く。」
21Op zijn naam zullen de volkeren hopen!
22その時、悪霊につかれ、目が見えず、口も利けない人が、イエスのもとに連れて来られた。イエスが彼を癒すと、その人は話し、見えるようになった。
22Toen werd tot Hem een bezetene gebracht, die blind en stom was: Hij genas hem, zodat de stomme sprak en zag.
23群衆はみな驚いて、「この方がダビデの子ではないだろうか」と言った。
23Heel de menigte was verbaasd, en zeide: Zou Hij niet de Zoon van David zijn?
24しかし、パリサイ人たちはこれを聞いて言った。「この男が悪霊どもを追い出すのは、悪霊どもの支配者ベルゼブルによるほかはない。」
24Toen de farizeën dit hoorden, zeiden ze: Hij drijft slechts de duivels uit door Beélzebub, den vorst der duivels.
25イエスは彼らの考えを知って、言われた。 「内輪で分裂した国はすべて荒れ果て、内輪で分裂した町や家は立ち行かない。
25Maar Jesus, die hun gedachten kende, sprak tot hen: Ieder rijk, dat inwendig verdeeld is, zal verwoest worden: en iedere stad of woning, die inwendig verdeeld is, zal geen stand houden.
26もしサタンがサタンを追い出すなら、彼は内輪で分裂している。それでは、どうして彼の国が立ち行くだろうか。
26Zo dus satan den satan uitdrijft, dan strijdt hij tegen zichzelf: hoe zal zijn rijk dan stand kunnen houden?
27もし私がベルゼブルによって悪霊どもを追い出しているのなら、あなたがたの子らはだれによって追い出すのか。だから、彼らがあなたがたを裁く者となる。
27En indien Ik door Beélzebub de duivels uitdrijf, door wien drijven dan uw zonen ze uit? Daarom zullen zijzelf uw rechters zijn.
28しかし、私が神の霊によって悪霊どもを追い出しているのなら、神の御国はすでにあなたがたのところに来ている。
28Maar zo Ik door Gods Geest de duivels uitdrijf, dan is ook het koninkrijk Gods onder u gekomen.
29また、まず強い者を縛らなければ、どうしてその家に入って家財を奪うことができるだろうか。縛ってから、その家を略奪するのである。
29Of hoe zal iemand het huis van een sterk man binnendringen en zijn huisraad roven, zo hij niet eerst den sterke bindt? Eerst dan zal hij zijn huis kunnen plunderen.
30私と共にいない者は私に敵対している。私と共に集めない者は散らしている。
30Wie niet met Mij is, is tegen Mij; en wie niet met Mij verzamelt, verstrooit.
31だから、あなたがたに言う。人のあらゆる罪と冒涜は赦される。しかし、聖霊に対する冒涜は赦されない。
31Daarom zeg Ik u: Iedere zonde en godslastering zal aan de mensen worden vergeven; maar het lasteren van den Geest zal niet worden vergeven.
32人の子に逆らう言葉を語る者は赦される。しかし、聖霊に逆らう言葉を語る者は、この時代でも、来るべき時代でも赦されない。
32En wie iets zegt tegen den Mensenzoon, hem zal het worden vergeven; maar wie iets zegt tegen den Heiligen Geest, hem zal het niet vergeven worden, noch in deze wereld noch in de toekomstige.
33木を良いとするなら、その実も良いとしなさい。木を悪いとするなら、その実も悪いとしなさい。木はその実によって分かるからである。
33Of wel: gij noemt de boom goed, maar dan ook goed zijn vrucht; of wel: gij noemt de boom slecht, maar dan ook slecht zijn vrucht; want de boom wordt aan de vruchten gekend.
34まむしの子らよ。悪い者であるあなたがたに、どうして良いことを語れるだろうか。心に満ちていることを口が語るからである。
34Adderenbroed, hoe zoudt gij iets goeds kunnen zeggen, terwijl gij slecht zijt? Want de mond spreekt waar het hart van overvloeit.
35良い人は、その良い蓄えから良いものを取り出し、 悪い人は、その悪い蓄えから悪いものを取り出す。
35De goede mens brengt goed voort uit de goede schat, de kwade mens kwaad uit de kwade schat.
36あなたがたに言う。人々が口にする無益な言葉はすべて、裁きの日に申し開きをしなければならない。
36En Ik zeg u: Van ieder ijdel woord, dat de mensen hebben gesproken, zullen ze rekenschap geven op de oordeelsdag.
37あなたは自分の言葉によって義とされ、自分の言葉によって罪に定められるからである。」
37Op grond van uw woorden zult ge gerechtvaardigd worden, en op grond van uw woorden worden veroordeeld.
38すると、律法学者とパリサイ人の何人かが答えた。「先生、あなたからしるしを見せていただきたいのです。」
38Eens spraken enige schriftgeleerden en farizeën Hem aan, en zeiden: Meester, we verlangen een wonderteken van U te zien.
39しかし、イエスは彼らに答えられた。 「邪悪で不実な時代はしるしを求めるが、預言者ヨナのしるしのほかには、しるしは与えられない。
39Maar Hij gaf hun ten antwoord: Een boos en overspelig geslacht vraagt een teken; maar geen teken zal hun worden gegeven, dan het teken van Jonas, den profeet.
40ヨナが三日三晩、巨大な魚の腹の中にいたように、人の子も三日三晩、地の中心にいるからである。
40Want zoals Jonas drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster was, zo zal ook de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zijn.
41ニネベの人々は、裁きの時にこの時代の人々と共に立ち上がり、彼らを罪に定める。ニネベの人々はヨナの宣教を聞いて悔い改めたからである。見よ、ヨナよりも偉大な者がここにいる。
41De Ninivieten zullen in het oordeel opstaan te zamen met dit geslacht, en het veroordelen; want zij bekeerden zich op de prediking van Jonas; en zie, meer dan Jonas is hier.
42南の女王は、裁きの時にこの時代の人々と共によみがえり、彼らを罪に定める。彼女はソロモンの知恵を聞くために、地の果てから来たからである。見よ、ソロモンよりも偉大な者がここにいる。
42De koningin van het zuiden zal in het oordeel opstaan te zamen met dit geslacht, en het veroordelen; want zij kwam van het uiteinde der aarde om Sálomons wijsheid te horen; en zie, meer dan Sálomon is hier.
43汚れた霊が人から出て行くと、休み場を求めて水のない所を通り歩くが、見つからない。
43Wanneer de onreine geest van iemand is uitgegaan, zwerft hij rond in dorre oorden; hij zoekt rust, en vindt ze niet.
44そこで、『出て来た自分の家に帰ろう』と言う。帰ってみると、家は空いていて、掃除され、整えられている。
44Dan zegt hij: Ik zal terugkeren naar mijn huis, waar ik ben uitgegaan. En bij zijn komst vindt hij het leeg, geveegd en versierd.
45そこで出かけて行き、自分より悪いほかの七つの霊を連れて来る。彼らは中に入って住みつく。その人の後の状態は、初めよりも悪くなる。この悪い時代も同じようになる。」
45Dan gaat hij heen, en neemt zeven andere geesten met zich mee, die bozer zijn dan hijzelf; ze komen binnen, en wonen daar. En het einde van dien man wordt erger nog dan het begin. Zo zal het ook gaan met dit verdorven geslacht.
46イエスがまだ群衆に話しておられると、見よ、母と兄弟たちがイエスに話そうとして外に立っていた。
46Terwijl Hij nog sprak tot de scharen, zie, daar stonden zijn moeder en broeders buiten, en wilden Hem spreken.
47ある人がイエスに言った。「見よ、あなたのお母様と兄弟たちが、あなたに話そうとして外に立っています。」
47Men zei Hem: Zie, uw moeder en broeders staan buiten, en willen U spreken.
48しかし、イエスはそう告げた人に答えられた。 「私の母とはだれか。私の兄弟たちとはだれか。」
48Maar Hij antwoordde aan die Hem dit zeiden: Wie is mijn moeder, en wie zijn mijn broeders?
49そして弟子たちのほうに手を伸ばして、言われた。 「見よ、私の母、私の兄弟たちである。
49En Hij strekte de hand naar zijn leerlingen uit en sprak: Ziedaar mijn moeder en broeders;
50天におられる私の父の御心を行う者はだれでも、私の兄弟、姉妹、また母だからである。」
50want wie de wil van mijn Vader volbrengt, die in de hemelen is, hij is mijn broeder en zuster en moeder.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.