マタイ
Chapter 26
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Petrus Canisius Bi…

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1イエスはこれらすべての言葉を語り終えると、弟子たちに言われた。
1Nadat Jesus al deze toespraken geëindigd had, zeide Hij tot zijn leerlingen:
2「あなたがたも知っているように、二日後には過越の祭りが来る。そして人の子は、十字架につけられるために引き渡される。」
2Gij weet, dat het over twee dagen Pasen is; dan wordt de Mensenzoon overgeleverd, om gekruisigd te worden.
3そのころ、祭司長たち、律法学者たち、民の長老たちは、カヤパという大祭司の屋敷の中庭に集まった。
3Toen vergaderden de opperpriesters en de oudsten van het volk in het paleis van den hogepriester, die Káifas heette.
4そして策略を用いてイエスを捕らえ、殺そうと相談した。
4Ze beraadslaagden, om Jesus met list gevangen te nemen en Hem te doden.
5しかし彼らは、「祭りの間はいけない。民の間に騒ぎが起こるかもしれない」と言った。
5Maar ze zeiden: Niet op het feest; er mocht eens oproer komen onder het volk.
6さて、イエスがベタニアで、重い皮膚病のシモンの家におられたとき、
6Terwijl Jesus nu te Betánië was in het huis van Simon den melaatse,
7一人の女が、非常に高価な香油の入った雪花石膏の壺を持って近づいて来た。そして、食卓に着いておられるイエスの頭に香油を注いだ。
7kwam er een vrouw naar Hem toe, die een albasten kruik vol kostbare balsem droeg; ze goot die uit over zijn hoofd, terwijl Hij aanlag aan tafel.
8弟子たちはこれを見て憤り、言った。「なぜ、こんな無駄なことをするのか。
8Toen de leerlingen dit zagen, werden ze verontwaardigd en zeiden: Waarom die verkwisting?
9この香油なら高く売って、貧しい人々に施すことができたのに。」
9Men had dat toch duur kunnen verkopen, en het goed aan de armen kunnen geven.
10イエスはそれを知って、彼らに言われた。 「なぜこの女を困らせるのか。彼女は私に良いことをしてくれた。
10Jesus merkte het, en sprak: Waarom valt gij de vrouw lastig? Ze heeft immers een goed werk aan Mij gedaan.
11貧しい人々はいつもあなたがたと一緒にいるが、私はいつも一緒にいるわけではない。
11Want de armen hebt gij altijd bij u; Mij niet.
12彼女がこの香油を私の体に注いだのは、私の葬りの備えをするためである。
12Toen ze die balsem uitgoot over mijn lichaam, deed ze dat voor mijn begrafenis.
13まことに、あなたがたに言う。世界中どこででもこの福音が宣べ伝えられる所では、彼女のしたことも、彼女を記念するために語られる。」
13Voorwaar, Ik zeg u: overal in heel de wereld, waar dit Evangelie wordt gepreekt, zal ook tot hare gedachtenis worden vermeld, wat ze gedaan heeft.
14そのとき、十二人の一人で、イスカリオテのユダと呼ばれる者が、祭司長たちのところへ行き、
14Toen ging één van de twaalf, Judas Iskáriot genaamd, naar de opperpriesters,
15言った。「あの人をあなたがたに引き渡せば、私に何をくれますか。」そこで彼らは、銀貨三十枚を量ってユダに渡した。
15en sprak: Wat wilt gij me geven, als ik Hem aan u overlever? Ze beloofden hem dertig zilverlingen.
16その時から、ユダはイエスを裏切る機会をうかがっていた。
16Van toen af zocht hij naar een gelegenheid, om Hem te verraden.
17さて、種なしパンの祭りの初日に、弟子たちはイエスのもとに来て言った。「過越の食事をなさるために、どこで用意をしましょうか。」
17Op de eerste dag der ongedesemde broden kwamen de leerlingen bij Jesus, en zeiden: Waar wilt Gij, dat we U de toebereidselen maken, om het paasmaal te eten?
18イエスは言われた。 「町に入り、ある人のところへ行って、こう言いなさい。『先生が、「私の時が近づいた。あなたの家で弟子たちと共に過越の祭りを守る」と言っています。』」
18Hij sprak: Gaat in de stad naar zeker iemand, en zegt hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij; bij u houd Ik met mijn leerlingen het paasmaal.
19弟子たちはイエスが命じられたとおりにして、過越の食事を用意した。
19En de leerlingen deden zoals Jesus hun had gelast, en maakten het paasmaal gereed.
20夕方になると、イエスは十二人の弟子たちと共に食卓に着かれた。
20Toen nu de avond was gevallen, lag Hij met zijn twaalf leerlingen aan tafel aan.
21一同が食事をしていると、イエスは言われた。 「まことに、あなたがたに言う。あなたがたのうちの一人が私を裏切る。」
21En terwijl zij aten. zeide Hij: Voorwaar, Ik zeg u, één van u zal Mij verraden.
22弟子たちは非常に悲しみ、一人ひとりイエスに、「主よ、まさか私ではないでしょう」と尋ね始めた。
22Nu werden ze diep bedroefd en vroegen Hem de een na den ander: Ben ik het, Heer?
23イエスは答えられた。 「私と一緒に鉢に手を浸した者が、私を裏切る。
23Hij antwoordde: Wie de hand met Mij in de schotel steekt, die zal Mij verraden.
24人の子は、自分について書かれているとおりに去って行く。しかし、人の子を裏切るその人は災いである。その人は生まれなかったほうがよかった。」
24De Mensenzoon gaat wel heen, zoals van Hem geschreven staat; maar wee den mens, door wien de Mensenzoon zal worden verraden! Het zou beter voor hem zijn, zo hij niet was geboren, die mens!
25イエスを裏切ろうとしていたユダが答えた。「先生、まさか私ではないでしょう。」 イエスは彼に言われた。 「あなたがそう言った。」
25Toen nam Judas, die Hem verried, het woord en sprak: Ben ik het, Rabbi? Hij zei hem: Ge hebt het gezegd.
26一同が食事をしていると、イエスはパンを取り、それに感謝をささげ、 それを裂いて弟子たちに与え、言われた。 「取って食べなさい。これは私の体である。」
26Terwijl zij nu aten nam Jesus het brood, zegende het, brak het, gaf het zijn leerlingen en sprak: Neemt en eet, dit is mijn lichaam.
27また杯を取り、感謝をささげて彼らに与え、言われた。 「みな、この杯から飲みなさい。
27Daarna nam Hij de kelk, sprak een dankgebed uit, gaf hun de kelk, en zeide: Drinkt allen hieruit;
28これは、罪の赦しのために多くの人のために流される、私の新しい契約の血である。
28want dit is mijn bloed van het Nieuwe Verbond, dat wordt vergoten voor velen tot vergiffenis der zonden.
29あなたがたに言う。今から、父の御国であなたがたと共に新しく飲むその日まで、私はこのぶどうの実から造ったものを決して飲まない。」
29En Ik zeg u: Van nu af aan zal Ik deze vrucht van de wijnstok niet meer drinken, tot op de dag, waarop Ik ze hernieuwd met u zal drinken in het rijk van mijn Vader.
30一同は賛美の歌を歌ってから、オリーブ山へ出かけた。
30En nadat zij de lofzang hadden gezongen, gingen zij naar de Olijfberg.
31そのとき、イエスは彼らに言われた。 「今夜、あなたがたはみな、私のためにつまずく。『私は羊飼いを打つ。すると、群れの羊は散らされる』と書かれているからである。
31Toen sprak Jesus tot hen: Deze nacht zult gij allen aan Mij worden geërgerd. Want er staat geschreven: “Ik zal den herder slaan, en de schapen der kudde zullen worden verstrooid.”
32しかし私は、よみがえった後、あなたがたより先にガリラヤへ行く。」
32Maar wanneer Ik verrezen zal zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
33しかし、ペテロはイエスに答えた。「たとえみながあなたのためにつまずいても、私は決してつまずきません。」
33Petrus antwoordde: Al werden ook allen aan U geërgerd. ik nooit!
34イエスは彼に言われた。 「まことに、あなたに言う。今夜、鶏が鳴く前に、あなたは三度、私を否む。」
34Jesus sprak tot hem: Voorwaar, Ik zeg u: Nog deze nacht, eer er een haan heeft gekraaid, zult ge Mij driemaal verloochenen.
35ペテロは言った。「たとえあなたと一緒に死ななければならなくても、決してあなたを否みません。」弟子たちもみな、同じように言った。
35Petrus zeide Hem: Al moest ik zelfs met U sterven, verloochenen zal Ik U niet. Zo spraken ook de andere leerlingen.
36それからイエスは弟子たちと共に、ゲツセマネという所に来て、彼らに言われた。 「私が向こうへ行って祈っている間、ここに座っていなさい。」
36Toen kwam Jesus met hen bij een landgoed, Getsémani genaamd. Nu zei Hij tot de leerlingen: Zet u hier neer, terwijl Ik ginds ga bidden.
37そしてペテロとゼベダイの二人の息子を連れて行き、深く悲しみ、激しく苦悩し始められた。
37Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs met zich mee, en begon bedroefd en angstig te worden.
38そのとき、イエスは彼らに言われた。 「私の心は、死ぬほど深く悲しんでいる。ここにとどまり、私と共に目を覚ましていなさい。」
38En Hij sprak tot hen: Mijn ziel is dodelijk bedroefd; blijft hier met Mij waken.
39イエスは少し先へ進み、ひれ伏して祈り、言われた。 「わが父よ、できることなら、この杯を私から過ぎ去らせてください。しかし、私が望むようにではなく、あなたがお望みになるようになさってください。」
39Hij ging nog een weinig verder, viel biddend op zijn aangezicht neer, en sprak: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze kelk Mij voorbijgaan; maar niet zoals Ik wil, maar zoals Gij het wilt.
40それから弟子たちのところへ戻ると、彼らが眠っているのを見て、ペテロに言われた。 「あなたがたは、一時間でも私と共に目を覚ましていられなかったのか。
40Nu ging Hij naar zijn leerlingen terug, en vond ze in slaap. En Hij sprak tot Petrus: Kunt gij dan niet één uur met Mij waken?
41誘惑に陥らないよう、目を覚まして祈っていなさい。心はそうしたいと願っていても、肉体は弱い。」
41Waakt en bidt, dat gij niet in bekoring komt. De geest is gewillig, maar het vlees is zwak.
42イエスは再び二度目に離れて行き、祈って言われた。 「わが父よ、私が飲まなければこの杯が過ぎ去らないのでしたら、あなたの御心が行われますように。」
42Opnieuw ging Hij heen, en bad: Mijn Vader, zo hij niet kan voorbijgaan, zonder dat Ik hem drink, dan geschiede Uw wil.
43イエスが再び戻ると、弟子たちは眠っていた。まぶたが重くなっていたのである。
43En weer kwam Hij terug, en vond ze in slaap; want hun ogen vielen toe.
44イエスはまた彼らを残して離れて行き、三度目も同じ言葉で祈られた。
44Nogmaals verliet Hij hen en ging heen, en bad voor de derde maal met dezelfde woorden.
45それから弟子たちのところへ戻って言われた。 「まだ眠って休んでいるのか。見よ、時が近づいた。人の子は罪人たちの手に引き渡される。
45Toen kwam Hij bij zijn leerlingen terug, en sprak tot hen: Slaapt nu voort, en rust uit; ziet, het uur is genaderd, waarop de Mensenzoon zal worden overgeleverd in de handen der zondaars.
46立ちなさい。行こう。見よ、私を裏切る者が近づいて来た。」
46Staat op, laat ons gaan; ziet, hij die Mij verraadt, is nabij.
47イエスがまだ話しておられるうちに、見よ、十二人の一人であるユダがやって来た。祭司長たちと民の長老たちから遣わされた大勢の群衆も、剣や棍棒を手にして一緒に来た。
47Terwijl Hij nog sprak, zie, daar kwam Judas, één van de twaalf, vergezeld van een grote bende, met zwaarden en stokken, uitgezonden door de opperpriesters en de oudsten van het volk.
48イエスを裏切る者は、「私が口づけするのがその人だ。その人を捕らえよ」と、彼らに合図を決めていた。
48De verrader had hun een teken gegeven en gezegd: Dien ik zal kussen. Hij is het; grijpt Hem vast.
49ユダはすぐにイエスに近づき、「先生、ごきげんよう」と言って、口づけした。
49Haastig liep hij op Jesus toe, en sprak: Wees gegroet, Rabbi. En hij kuste Hem.
50イエスは彼に言われた。 「友よ、何のために来たのか。」 すると人々は近寄り、イエスに手をかけて捕らえた。
50Maar Jesus zeide hem: Vriend, waartoe zijt ge gekomen? Nu kwamen ze toegelopen, sloegen de hand aan Jesus, en grepen Hem vast.
51見よ、イエスと一緒にいた者の一人が手を伸ばして剣を抜き、大祭司の僕に打ちかかり、その耳を切り落とした。
51En zie, een van Jesus’ gezellen strekte de hand uit, trok zijn zwaard, trof den knecht van den hogepriester, en sloeg hem het oor af.
52そのとき、イエスは彼に言われた。 「剣を元の所に納めなさい。剣を取る者はみな、剣によって滅びるからである。
52Jesus sprak tot hem: Steek uw zwaard op zijn plaats; want allen, die het zwaard trekken, zullen omkomen door het zwaard.
53それとも、私が父に願えば、父は今すぐ十二軍団を超える御使いを私のもとに送ってくださらないとでも思うのか。
53Of meent ge, dat mijn Vader Mij niet aanstonds meer dan twaalf legioenen engelen zou zenden, als Ik Hem daarom bad.
54しかし、それでは、こうならなければならないという聖書の言葉が、どうして成就するだろうか。」
54Maar hoe zullen dan de Schriften worden vervuld, die zeggen, dat het zó moet geschieden?
55その時、イエスは群衆に言われた。 「まるで強盗にでも向かうように、剣や棍棒を持って私を捕らえに来たのか。私は毎日、神殿に座って教えていたが、あなたがたは私を捕らえなかった。
55Nu sprak Jesus tot de bende: Gij zijt uitgetrokken als tegen een rover, met zwaarden en stokken, om Mij gevangen te nemen; dag aan dag zat Ik in de tempel te leren, en gij hebt Mij niet gegrepen.
56しかし、これらすべてのことが起こったのは、預言者たちの聖書の言葉が成就するためである。」 そのとき、弟子たちはみなイエスを見捨てて逃げた。
56Maar dit alles is geschied, opdat de Schriften der profeten zouden worden vervuld. Toen verlieten Hem al zijn leerlingen, en namen de vlucht.
57イエスを捕らえた者たちは、イエスを大祭司カヤパのもとへ連れて行った。そこには律法学者たちと長老たちが集まっていた。
57Zij, die Jesus hadden gegrepen, voerden Hem weg naar Káifas den hogepriester, waar de schriftgeleerden en oudsten waren vergaderd.
58ペテロは遠くからイエスについて行き、大祭司の屋敷の中庭まで来た。そして中に入り、事の成り行きを見届けようと、役人たちと一緒に座った。
58Petrus volgde Hem van verre, tot in de voorhof van den hogepriester; hij trad er binnen, en zette zich bij de dienaars neer, om de afloop te zien.
59さて、祭司長たち、長老たち、そして最高法院全体は、イエスを死刑にするため、イエスに不利な偽証を探した。
59De opperpriesters en heel de Hoge Raad zochten naar een valse aanklacht tegen Jesus, om Hem ter dood te brengen.
60しかし、見つからなかった。多くの偽証人が出て来たが、それでも見つからなかった。最後に、二人の偽証人が進み出て、
60Maar ze vonden niets, ofschoon er veel valse getuigen waren gekomen. Eindelijk traden er twee naar voren,
61言った。「この男は、『私は神の神殿を壊し、三日で建て直すことができる』と言いました。」
61die zeiden: Hij heeft gezegd: Ik kan Gods tempel afbreken, en binnen drie dagen weer opbouwen.
62大祭司は立ち上がり、イエスに言った。「何も答えないのか。この者たちがあなたに不利な証言をしているが、これはどういうことか。」
62Toen stond de hogepriester op, en zeide: Antwoordt Gij niets op wat ze tegen U getuigen?
63しかし、イエスは黙っておられた。大祭司は言った。「生ける神にかけて、あなたに命じる。あなたはキリスト、神の子なのか、私たちに答えよ。」
63Maar Jesus zweeg. Nu sprak de hogepriester tot Hem: Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij de Christus zijt, de Zoon van God.
64イエスは彼に言われた。 「あなたがそう言った。しかし、あなたがたに言う。これから後、あなたがたは、人の子が力ある方の右に座り、空の雲に乗って来るのを見る。」
64Jesus zeide hem: Ge hebt het gezegd. Maar Ik zeg ú: Van nu af aan zult gij den Mensenzoon gezeten zien aan de rechterhand van de Kracht, en Hem zien komen op de wolken des hemels.
65すると大祭司は自分の衣を引き裂いて言った。「この男は神を冒涜した。これ以上、証人が必要だろうか。見よ、今あなたがたは、この者の冒涜を聞いた。
65Toen scheurde de hogepriester zijn klederen, en zeide: Hij heeft God gelasterd; wat hebben we nog getuigen nodig? Ziet, nu hebt gij de godslastering gehoord.
66どう思うか。」 彼らは答えた。「彼は死刑に値する。」
66Wat dunkt u? En ze antwoordden: Hij is des doods schuldig.
67それから彼らはイエスの顔につばを吐き、拳で殴った。また、平手で打つ者もいて、
67Toen spuwden ze Hem in het gelaat, en gaven Hem vuistslagen; anderen sloegen Hem in het aangezicht,
68言った。「キリストよ、預言してみろ。おまえを打ったのはだれだ。」
68en zeiden: Profeteer ons Christus: wie heeft U geslagen?
69さて、ペテロが外の中庭に座っていると、一人の女中が近づいて来て言った。「あなたもガリラヤ人イエスと一緒にいましたね。」
69Petrus dan zat buiten in de voorhof. Een dienstmeisje kwam naar hem toe, en zeide: Ook gij waart met Jesus, den Galileër.
70しかし、ペテロは皆の前でそれを否み、「何を言っているのか、私には分からない」と言った。
70Doch hij loochende het ten aanhoren van allen, en sprak: Ik begrijp niet wat ge zegt.
71ペテロが門口へ出て行くと、別の女中が彼を見て、そこにいる人々に言った。「この人もナザレのイエスと一緒にいました。」
71Maar toen hij wegging naar de poort, zag hem een ander dienstmeisje, en ze sprak tot de aanwezigen: Ook deze was bij Jesus, den Nazarener.
72ペテロは再びそれを否み、「私はそんな人を知らない」と誓った。
72Nog eens loochende hij het met een eed: Ik ken den mens niet.
73しばらくすると、そばに立っていた人々が近寄り、ペテロに言った。「確かに、あなたも彼らの仲間だ。話し方で分かる。」
73Kort daarna kwamen de omstanders naar Petrus toe, en zeiden hem: Zeker, ook gij zijt er een van; zelfs uw spraak doet u herkennen.
74するとペテロは、「私はそんな人を知らない」と言って、呪いをかけて誓い始めた。 その時すぐ、鶏が鳴いた。
74Nu begon hij te vloeken en te zweren: Ik ken den mens niet. En aanstonds kraaide een haan.
75ペテロは、イエスが言われた、 「鶏が鳴く前に、あなたは三度、私を否む」 という言葉を思い出した。そして外に出て、激しく泣いた。
75Toen dacht Petrus aan het woord, dat Jesus had gesproken: Eer er een haan heeft gekraaid, zult ge Mij drie maal verloochenen. En hij ging naar buiten, en weende bitter.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.