Matthew 26
World English BibleTranslation
World English Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1When Jesus had finished all these words, he said to his disciples,
1Nadat Jesus al deze toespraken geëindigd had, zeide Hij tot zijn leerlingen:
2“You know that after two days the Passover is coming, and the Son of Man will be delivered up to be crucified.”
2Gij weet, dat het over twee dagen Pasen is; dan wordt de Mensenzoon overgeleverd, om gekruisigd te worden.
3Then the chief priests, the scribes, and the elders of the people were gathered together in the court of the high priest, who was called Caiaphas.
3Toen vergaderden de opperpriesters en de oudsten van het volk in het paleis van den hogepriester, die Káifas heette.
4They took counsel together that they might take Jesus by deceit and kill him.
4Ze beraadslaagden, om Jesus met list gevangen te nemen en Hem te doden.
5But they said, “Not during the feast, lest a riot occur among the people.”
5Maar ze zeiden: Niet op het feest; er mocht eens oproer komen onder het volk.
6Now when Jesus was in Bethany, in the house of Simon the leper,
6Terwijl Jesus nu te Betánië was in het huis van Simon den melaatse,
7a woman came to him having an alabaster jar of very expensive ointment, and she poured it on his head as he sat at the table.
7kwam er een vrouw naar Hem toe, die een albasten kruik vol kostbare balsem droeg; ze goot die uit over zijn hoofd, terwijl Hij aanlag aan tafel.
8But when his disciples saw this, they were indignant, saying, “Why this waste?
8Toen de leerlingen dit zagen, werden ze verontwaardigd en zeiden: Waarom die verkwisting?
9For this ointment might have been sold for much and given to the poor.”
9Men had dat toch duur kunnen verkopen, en het goed aan de armen kunnen geven.
10However, knowing this, Jesus said to them, “Why do you trouble the woman? She has done a good work for me.
10Jesus merkte het, en sprak: Waarom valt gij de vrouw lastig? Ze heeft immers een goed werk aan Mij gedaan.
11For you always have the poor with you, but you don’t always have me.
11Want de armen hebt gij altijd bij u; Mij niet.
12For in pouring this ointment on my body, she did it to prepare me for burial.
12Toen ze die balsem uitgoot over mijn lichaam, deed ze dat voor mijn begrafenis.
13Most certainly I tell you, wherever this Good News is preached in the whole world, what this woman has done will also be spoken of as a memorial of her.”
13Voorwaar, Ik zeg u: overal in heel de wereld, waar dit Evangelie wordt gepreekt, zal ook tot hare gedachtenis worden vermeld, wat ze gedaan heeft.
14Then one of the twelve, who was called Judas Iscariot, went to the chief priests
14Toen ging één van de twaalf, Judas Iskáriot genaamd, naar de opperpriesters,
15and said, “What are you willing to give me if I deliver him to you?” So they weighed out for him thirty pieces of silver.
15en sprak: Wat wilt gij me geven, als ik Hem aan u overlever? Ze beloofden hem dertig zilverlingen.
16From that time he sought opportunity to betray him.
16Van toen af zocht hij naar een gelegenheid, om Hem te verraden.
17Now on the first day of unleavened bread, the disciples came to Jesus, saying to him, “Where do you want us to prepare for you to eat the Passover?”
17Op de eerste dag der ongedesemde broden kwamen de leerlingen bij Jesus, en zeiden: Waar wilt Gij, dat we U de toebereidselen maken, om het paasmaal te eten?
18He said, “Go into the city to a certain person, and tell him, ‘The Teacher says, “My time is at hand. I will keep the Passover at your house with my disciples.”’”
18Hij sprak: Gaat in de stad naar zeker iemand, en zegt hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij; bij u houd Ik met mijn leerlingen het paasmaal.
19The disciples did as Jesus commanded them, and they prepared the Passover.
19En de leerlingen deden zoals Jesus hun had gelast, en maakten het paasmaal gereed.
20Now when evening had come, he was reclining at the table with the twelve disciples.
20Toen nu de avond was gevallen, lag Hij met zijn twaalf leerlingen aan tafel aan.
21As they were eating, he said, “Most certainly I tell you that one of you will betray me.”
21En terwijl zij aten. zeide Hij: Voorwaar, Ik zeg u, één van u zal Mij verraden.
22They were exceedingly sorrowful, and each began to ask him, “It isn’t me, is it, Lord?”
22Nu werden ze diep bedroefd en vroegen Hem de een na den ander: Ben ik het, Heer?
23He answered, “He who dipped his hand with me in the dish will betray me.
23Hij antwoordde: Wie de hand met Mij in de schotel steekt, die zal Mij verraden.
24The Son of Man goes even as it is written of him, but woe to that man through whom the Son of Man is betrayed! It would be better for that man if he had not been born.”
24De Mensenzoon gaat wel heen, zoals van Hem geschreven staat; maar wee den mens, door wien de Mensenzoon zal worden verraden! Het zou beter voor hem zijn, zo hij niet was geboren, die mens!
25Judas, who betrayed him, answered, “It isn’t me, is it, Rabbi?” He said to him, “You said it.”
25Toen nam Judas, die Hem verried, het woord en sprak: Ben ik het, Rabbi? Hij zei hem: Ge hebt het gezegd.
26As they were eating, Jesus took bread, gave thanks for it, and broke it. He gave to the disciples and said, “Take, eat; this is my body.”
26Terwijl zij nu aten nam Jesus het brood, zegende het, brak het, gaf het zijn leerlingen en sprak: Neemt en eet, dit is mijn lichaam.
27He took the cup, gave thanks, and gave to them, saying, “All of you drink it,
27Daarna nam Hij de kelk, sprak een dankgebed uit, gaf hun de kelk, en zeide: Drinkt allen hieruit;
28for this is my blood of the new covenant, which is poured out for many for the remission of sins.
28want dit is mijn bloed van het Nieuwe Verbond, dat wordt vergoten voor velen tot vergiffenis der zonden.
29But I tell you that I will not drink of this fruit of the vine from now on, until that day when I drink it anew with you in my Father’s Kingdom.”
29En Ik zeg u: Van nu af aan zal Ik deze vrucht van de wijnstok niet meer drinken, tot op de dag, waarop Ik ze hernieuwd met u zal drinken in het rijk van mijn Vader.
30When they had sung a hymn, they went out to the Mount of Olives.
30En nadat zij de lofzang hadden gezongen, gingen zij naar de Olijfberg.
31Then Jesus said to them, “All of you will be made to stumble because of me tonight, for it is written, ‘I will strike the shepherd, and the sheep of the flock will be scattered.’
31Toen sprak Jesus tot hen: Deze nacht zult gij allen aan Mij worden geërgerd. Want er staat geschreven: “Ik zal den herder slaan, en de schapen der kudde zullen worden verstrooid.”
32But after I am raised up, I will go before you into Galilee.”
32Maar wanneer Ik verrezen zal zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
33But Peter answered him, “Even if all will be made to stumble because of you, I will never be made to stumble.”
33Petrus antwoordde: Al werden ook allen aan U geërgerd. ik nooit!
34Jesus said to him, “Most certainly I tell you that tonight, before the rooster crows, you will deny me three times.”
34Jesus sprak tot hem: Voorwaar, Ik zeg u: Nog deze nacht, eer er een haan heeft gekraaid, zult ge Mij driemaal verloochenen.
35Peter said to him, “Even if I must die with you, I will not deny you.” All of the disciples also said likewise.
35Petrus zeide Hem: Al moest ik zelfs met U sterven, verloochenen zal Ik U niet. Zo spraken ook de andere leerlingen.
36Then Jesus came with them to a place called Gethsemane, and said to his disciples, “Sit here, while I go there and pray.”
36Toen kwam Jesus met hen bij een landgoed, Getsémani genaamd. Nu zei Hij tot de leerlingen: Zet u hier neer, terwijl Ik ginds ga bidden.
37He took with him Peter and the two sons of Zebedee, and began to be sorrowful and severely troubled.
37Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs met zich mee, en begon bedroefd en angstig te worden.
38Then Jesus said to them, “My soul is exceedingly sorrowful, even to death. Stay here and watch with me.”
38En Hij sprak tot hen: Mijn ziel is dodelijk bedroefd; blijft hier met Mij waken.
39He went forward a little, fell on his face, and prayed, saying, “My Father, if it is possible, let this cup pass away from me; nevertheless, not what I desire, but what you desire.”
39Hij ging nog een weinig verder, viel biddend op zijn aangezicht neer, en sprak: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze kelk Mij voorbijgaan; maar niet zoals Ik wil, maar zoals Gij het wilt.
40He came to the disciples and found them sleeping, and said to Peter, “What, couldn’t you watch with me for one hour?
40Nu ging Hij naar zijn leerlingen terug, en vond ze in slaap. En Hij sprak tot Petrus: Kunt gij dan niet één uur met Mij waken?
41Watch and pray, that you don’t enter into temptation. The spirit indeed is willing, but the flesh is weak.”
41Waakt en bidt, dat gij niet in bekoring komt. De geest is gewillig, maar het vlees is zwak.
42Again, a second time he went away and prayed, saying, “My Father, if this cup can’t pass away from me unless I drink it, your desire be done.”
42Opnieuw ging Hij heen, en bad: Mijn Vader, zo hij niet kan voorbijgaan, zonder dat Ik hem drink, dan geschiede Uw wil.
43He came again and found them sleeping, for their eyes were heavy.
43En weer kwam Hij terug, en vond ze in slaap; want hun ogen vielen toe.
44He left them again, went away, and prayed a third time, saying the same words.
44Nogmaals verliet Hij hen en ging heen, en bad voor de derde maal met dezelfde woorden.
45Then he came to his disciples and said to them, “Are you still sleeping and resting? Behold, the hour is at hand, and the Son of Man is betrayed into the hands of sinners.
45Toen kwam Hij bij zijn leerlingen terug, en sprak tot hen: Slaapt nu voort, en rust uit; ziet, het uur is genaderd, waarop de Mensenzoon zal worden overgeleverd in de handen der zondaars.
46Arise, let’s be going. Behold, he who betrays me is at hand.”
46Staat op, laat ons gaan; ziet, hij die Mij verraadt, is nabij.
47While he was still speaking, behold, Judas, one of the twelve, came, and with him a great multitude with swords and clubs, from the chief priests and elders of the people.
47Terwijl Hij nog sprak, zie, daar kwam Judas, één van de twaalf, vergezeld van een grote bende, met zwaarden en stokken, uitgezonden door de opperpriesters en de oudsten van het volk.
48Now he who betrayed him had given them a sign, saying, “Whoever I kiss, he is the one. Seize him.”
48De verrader had hun een teken gegeven en gezegd: Dien ik zal kussen. Hij is het; grijpt Hem vast.
49Immediately he came to Jesus, and said, “Greetings, Rabbi!” and kissed him.
49Haastig liep hij op Jesus toe, en sprak: Wees gegroet, Rabbi. En hij kuste Hem.
50Jesus said to him, “Friend, why are you here?” Then they came and laid hands on Jesus, and took him.
50Maar Jesus zeide hem: Vriend, waartoe zijt ge gekomen? Nu kwamen ze toegelopen, sloegen de hand aan Jesus, en grepen Hem vast.
51Behold, one of those who were with Jesus stretched out his hand and drew his sword, and struck the servant of the high priest, and cut off his ear.
51En zie, een van Jesus’ gezellen strekte de hand uit, trok zijn zwaard, trof den knecht van den hogepriester, en sloeg hem het oor af.
52Then Jesus said to him, “Put your sword back into its place, for all those who take the sword will die by the sword.
52Jesus sprak tot hem: Steek uw zwaard op zijn plaats; want allen, die het zwaard trekken, zullen omkomen door het zwaard.
53Or do you think that I couldn’t ask my Father, and he would even now send me more than twelve legions of angels?
53Of meent ge, dat mijn Vader Mij niet aanstonds meer dan twaalf legioenen engelen zou zenden, als Ik Hem daarom bad.
54How then would the Scriptures be fulfilled that it must be so?”
54Maar hoe zullen dan de Schriften worden vervuld, die zeggen, dat het zó moet geschieden?
55In that hour Jesus said to the multitudes, “Have you come out as against a robber with swords and clubs to seize me? I sat daily in the temple teaching, and you didn’t arrest me.
55Nu sprak Jesus tot de bende: Gij zijt uitgetrokken als tegen een rover, met zwaarden en stokken, om Mij gevangen te nemen; dag aan dag zat Ik in de tempel te leren, en gij hebt Mij niet gegrepen.
56But all this has happened that the Scriptures of the prophets might be fulfilled.” Then all the disciples left him and fled.
56Maar dit alles is geschied, opdat de Schriften der profeten zouden worden vervuld. Toen verlieten Hem al zijn leerlingen, en namen de vlucht.
57Those who had taken Jesus led him away to Caiaphas the high priest, where the scribes and the elders were gathered together.
57Zij, die Jesus hadden gegrepen, voerden Hem weg naar Káifas den hogepriester, waar de schriftgeleerden en oudsten waren vergaderd.
58But Peter followed him from a distance to the court of the high priest, and entered in and sat with the officers, to see the end.
58Petrus volgde Hem van verre, tot in de voorhof van den hogepriester; hij trad er binnen, en zette zich bij de dienaars neer, om de afloop te zien.
59Now the chief priests, the elders, and the whole council sought false testimony against Jesus, that they might put him to death,
59De opperpriesters en heel de Hoge Raad zochten naar een valse aanklacht tegen Jesus, om Hem ter dood te brengen.
60and they found none. Even though many false witnesses came forward, they found none. But at last two false witnesses came forward
60Maar ze vonden niets, ofschoon er veel valse getuigen waren gekomen. Eindelijk traden er twee naar voren,
61and said, “This man said, ‘I am able to destroy the temple of God, and to build it in three days.’”
61die zeiden: Hij heeft gezegd: Ik kan Gods tempel afbreken, en binnen drie dagen weer opbouwen.
62The high priest stood up and said to him, “Have you no answer? What is this that these testify against you?”
62Toen stond de hogepriester op, en zeide: Antwoordt Gij niets op wat ze tegen U getuigen?
63But Jesus stayed silent. The high priest answered him, “I adjure you by the living God that you tell us whether you are the Christ, the Son of God.”
63Maar Jesus zweeg. Nu sprak de hogepriester tot Hem: Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij de Christus zijt, de Zoon van God.
64Jesus said to him, “You have said so. Nevertheless, I tell you, after this you will see the Son of Man sitting at the right hand of Power, and coming on the clouds of the sky.”
64Jesus zeide hem: Ge hebt het gezegd. Maar Ik zeg ú: Van nu af aan zult gij den Mensenzoon gezeten zien aan de rechterhand van de Kracht, en Hem zien komen op de wolken des hemels.
65Then the high priest tore his clothing, saying, “He has spoken blasphemy! Why do we need any more witnesses? Behold, now you have heard his blasphemy.
65Toen scheurde de hogepriester zijn klederen, en zeide: Hij heeft God gelasterd; wat hebben we nog getuigen nodig? Ziet, nu hebt gij de godslastering gehoord.
66What do you think?” They answered, “He is worthy of death!”
66Wat dunkt u? En ze antwoordden: Hij is des doods schuldig.
67Then they spat in his face and beat him with their fists, and some slapped him,
67Toen spuwden ze Hem in het gelaat, en gaven Hem vuistslagen; anderen sloegen Hem in het aangezicht,
68saying, “Prophesy to us, you Christ! Who hit you?”
68en zeiden: Profeteer ons Christus: wie heeft U geslagen?
69Now Peter was sitting outside in the court, and a maid came to him, saying, “You were also with Jesus, the Galilean!”
69Petrus dan zat buiten in de voorhof. Een dienstmeisje kwam naar hem toe, en zeide: Ook gij waart met Jesus, den Galileër.
70But he denied it before them all, saying, “I don’t know what you are talking about.”
70Doch hij loochende het ten aanhoren van allen, en sprak: Ik begrijp niet wat ge zegt.
71When he had gone out onto the porch, someone else saw him and said to those who were there, “This man also was with Jesus of Nazareth.”
71Maar toen hij wegging naar de poort, zag hem een ander dienstmeisje, en ze sprak tot de aanwezigen: Ook deze was bij Jesus, den Nazarener.
72Again he denied it with an oath, “I don’t know the man.”
72Nog eens loochende hij het met een eed: Ik ken den mens niet.
73After a little while those who stood by came and said to Peter, “Surely you are also one of them, for your speech makes you known.”
73Kort daarna kwamen de omstanders naar Petrus toe, en zeiden hem: Zeker, ook gij zijt er een van; zelfs uw spraak doet u herkennen.
74Then he began to curse and to swear, “I don’t know the man!” Immediately the rooster crowed.
74Nu begon hij te vloeken en te zweren: Ik ken den mens niet. En aanstonds kraaide een haan.
75Peter remembered the word which Jesus had said to him, “Before the rooster crows, you will deny me three times.” Then he went out and wept bitterly.
75Toen dacht Petrus aan het woord, dat Jesus had gesproken: Eer er een haan heeft gekraaid, zult ge Mij drie maal verloochenen. En hij ging naar buiten, en weende bitter.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.