マタイ 16
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Translation
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1パリサイ人たちとサドカイ人たちが来て、イエスを試そうとし、天からのしるしを見せてほしいと求めた。
1Nu kwamen de farizeën en sadduceën Hem op de proef stellen, en verlangden, dat Hij hun een teken van de hemel zou tonen.
2しかし、イエスは彼らに答えられた。 「夕方になると、あなたがたは、『空が赤いから、晴れるだろう』と言う。
2Maar Hij antwoordde hun: ‘s Avonds zegt gij: Mooi weer, want de hemel ziet rood;
3また朝には、『空が赤く、どんよりしているから、今日は荒れ模様だろう』と言う。偽善者たちよ。あなたがたは空模様を見分けることができるのに、時代のしるしを見分けることができない。
3en ‘s morgens: Vandaag lelijk weer, want de hemel is somber. Het uitzicht van de hemel weet gij te beoordelen, maar kunt gij het dan de tekenen der tijden niet?
4邪悪で不実な時代はしるしを求めるが、預言者ヨナのしるしのほかには、何のしるしも与えられない。」 イエスは彼らを残して立ち去られた。
4Een boos en overspelig geslacht vraagt een teken; en geen teken zal het gegeven worden, dan het teken van Jonas den profeet. Hij liet hen staan en ging heen.
5弟子たちは向こう岸に着いたが、パンを持って来るのを忘れていた。
5Bij de overvaart vergaten zijn leerlingen, brood mee te nemen.
6イエスは彼らに言われた。 「パリサイ人とサドカイ人のパン種に注意し、用心しなさい。」
6Jesus sprak tot hen: Let op, en wacht u voor het zuurdeeg der farizeën en sadduceën.
7弟子たちは、「私たちはパンを持って来なかった」と互いに論じ合った。
7Ze bespraken dat met elkander, en zeiden: Dat is, omdat we geen brood hebben meegenomen.
8イエスはそれに気づいて言われた。 「信仰の薄い者たちよ。なぜ、パンを持って来なかったことを論じ合っているのか。
8Jesus bemerkte het, en sprak: Wat bespreekt gij toch met elkander, kleingelovigen? Dat gij geen brood hebt?
9まだ分からないのか。五千人に五つのパンを分けたとき、幾つのかごいっぱいに拾い集めたか、覚えていないのか。
9Begrijpt gij dan nog niet, en herinnert gij u niet de vijf broden voor vijf duizend mensen, en hoeveel korven gij verzameld hebt?
10また、四千人に七つのパンを分けたとき、幾つのかごいっぱいに拾い集めたか、覚えていないのか。
10En de zeven broden voor vier duizend mensen, en hoeveel manden gij verzameld hebt?
11私がパンについて話したのではないことが、どうして分からないのか。パリサイ人とサドカイ人のパン種に用心しなさい。」
11Waarom begrijpt gij niet, dat Ik niet sprak over brood, toen ik zei: Wacht u voor het zuurdeeg der farizeën en sadduceën?
12そのとき弟子たちは、イエスが用心するように言われたのはパンに入れるパン種のことではなく、パリサイ人とサドカイ人の教えのことだと理解した。
12Nu begrepen ze, dat Hij hun niet gezegd had, zich te wachten voor het zuurdeeg van brood, maar voor de leer van farizeën en sadduceën.
13さて、イエスはカイサリア・ピリポ地方に来られたとき、弟子たちに尋ねられた。 「人々は、人の子である私をだれだと言っているか。」
13Toen Jesus in de streek van Cesarea Filippi was gekomen, ondervroeg Hij zijn leerlingen: Wie zeggen de mensen, dat de Mensenzoon is?
14弟子たちは答えた。「バプテスマのヨハネだと言う人もいれば、エリヤだと言う人もいます。また、エレミヤ、あるいは預言者の一人だと言う人もいます。」
14Ze zeiden: Sommigen zeggen: Johannes de Doper; anderen: Elias; weer anderen: Jeremias of een van de profeten.
15イエスは彼らに言われた。 「では、あなたがたは私をだれだと言うのか。」
15Hij zeide hun: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?
16シモン・ペテロが答えた。「あなたはキリスト、生ける神の子です。」
16Simon Petrus antwoordde: Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God!
17イエスは彼に答えられた。 「バルヨナ・シモン、あなたは幸いである。このことをあなたに示したのは、肉と血ではなく、天におられる私の父だからである。
17Jesus antwoordde: Zalig zijt gij, Simon, zoon van Jona; want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemel is.
18私もあなたに言う。あなたはペテロである。 私はこの岩の上に 私の教会を建てる。ハデス の門も、それに打ち勝つことはない。
18En Ik, Ik zeg u: gij zijt Petrus; en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.
19私はあなたに天の御国の鍵を与える。あなたが地上で縛るものは何でも、天ですでに縛られており、あなたが地上で解くものは何でも、天ですでに解かれている。」
19En u zal Ik de sleutels geven van het rijk der hemelen. En al wat ge op aarde zult binden, zal ook in de hemel gebonden zijn; en al wat ge op aarde zult ontbinden, zal ook in de hemel ontbonden zijn.
20それからイエスは、ご自分がキリストであることをだれにも言わないよう、弟子たちに命じられた。
20Toen gebood Hij zijn leerlingen, aan niemand te zeggen, dat Hij de Christus was.
21その時から、イエスはご自分がエルサレムへ行き、長老たち、祭司長たち、律法学者たちから多くの苦しみを受け、殺され、三日目によみがえらなければならないことを、弟子たちに示し始められた。
21Van toen af begon Jesus zijn leerlingen er op te wijzen, dat Hij naar Jerusalem moest gaan, dat Hij veel moest lijden van oudsten, opperpriesters en schriftgeleerden, en dat Hij gedood zou worden, en op de derde dag verrijzen.
22するとペテロはイエスを脇へお連れし、いさめ始めた。「主よ、どうかそんなことがありませんように。そんなことがあなたに起こるはずはありません。」
22Petrus trok Hem ter zijde, en begon Hem tegen te spreken: Dat nooit, Heer; zo iets zal U niet overkomen.
23しかし、イエスは振り向いてペテロに言われた。 「サタンよ、私の後ろに退け。あなたは私をつまずかせる者だ。神のことを思わず、人のことを思っているからである。」
23Maar Hij keerde zich om, en zei tot Petrus: Ga weg van Mij, satan; ge zijt Mij een ergernis. Want ge zijt niet bedacht op wat God wil, maar slechts op wat de mensen willen.
24それからイエスは弟子たちに言われた。 「だれでも私について来たいと思うなら、自分を捨て、自分の十字架を負って、私に従いなさい。
24Toen sprak Jesus tot zijn leerlingen: Zo iemand mijn volgeling wil zijn, dan moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen.
25自分のいのちを救おうとする者はそれを失い、私のために自分のいのちを失う者はそれを見いだすからである。
25Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen; maar wie om Mij het leven verliest, zal het vinden.
26たとえ全世界を手に入れても、自分のいのちを失うなら、何の益があるだろうか。また、人は自分のいのちと引き換えに何を差し出せるだろうか。
26Wat baat het den mens, zo hij de hele wereld wint, maar schade lijdt aan zijn ziel? Of wat zal de mens in ruil geven voor zijn ziel?
27人の子は、御使いたちと共に父の栄光のうちに来る。そのとき、一人ひとりにその行いに応じて報いる。
27Want de Mensenzoon zal met zijn engelen komen in de heerlijkheid van zijn Vader, en dan zal Hij iedereen volgens zijn werken vergelden.
28まことに、あなたがたに言う。ここに立っている者の中には、人の子が御国のうちに来るのを見るまでは、決して死を味わわない者がいる。」
28Voorwaar, Ik zeg u: daar zijn er onder de hier aanwezigen, die de dood niet zullen smaken, voordat ze den Mensenzoon zien komen in zijn koninkrijk.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.