Маттея 12
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Того ж часу йшов Ісус у суботу засївами, ученики ж Його зголоднїли, й почали рвати колоссє та їсти.
1In die tijd ging Jesus op de sabbat door het korenveld, en daar zijn leerlingen honger hadden, begonnen ze aren te plukken en op te eten.
2Побачивши се Фарисеї, казали до Него: Ось Твої ученики роблять, чого не годить ся робити в суботу.
2De farizeën, die dit zagen, zeiden tot Hem: Zie, uw leerlingen doen, wat men op de sabbat niet doen mag.
3Він же рече до них: Хиба ви не читали, що зробив Давид, як зголоднїв він і ті, що були з ним:
3Maar Hij zei hun: Hebt gij niet gelezen, wat David deed, toen hij met zijn gevolg honger had?
4як він увійшов до Божого дому, та поїв хлїби показнї, що не годилось йому їсти, нї тим, що були з ним, а тільки одним священикам?
4Hoe hij het huis van God binnenging en de toonbroden opat, die hij, noch zij die met hem waren, mochten eten, maar de priesters alleen?
5Або, хиба ви не читали в законї, як у суботу священики в церкві ламлють суботу, та й не винуваті?
5Of hebt gij niet gelezen in de Wet, dat op de sabbat de priesters in de tempel de sabbatrust verbreken, en toch niet schuldig zijn?
6Я ж вам глаголю: Що тут єсть більший од церкви.
6En Ik zeg u: hier is er een, die groter is dan de tempel.
7А коли б ви знали, що воно є: Милости хочу, а не жертви, то не осуджували б невинуватих.
7Zo gij wist, wat het zeggen wil: “Barmhartigheid wil Ik en geen offerande,” dan zoudt gij geen onschuldigen hebben veroordeeld;
8Бо Син чоловічий — Він Господь і суботи.
8want de Mensenzoon is heer van de sabbat.
9І, пійшовши звідтіля, увійшов у школу їх.
9Toen ging Hij heen, en kwam in hun synagoge;
10І ось був там чоловік із сухою рукою. І питали Його, кажучи: Чи годить ся в суботу сцїляти? щоб обвинувати його.
10en zie, daar was een man, wiens hand was verdord. Om Hem nu te kunnen beschuldigen, stelden ze Hem de vraag: Is het geoorloofd, op de sabbat te genezen?
11Він же рече до них: Де між вами чоловік, що має одну вівцю, і коли впаде вона субітнього дня в яму, він не візьме, та й не витягне її?
11Hij zei hun: Wie is er onder u, die één enkel schaap heeft, en het niet vastgrijpt, als het op de sabbat in een kuil valt, en het er uittrekt?
12Як же більше луччий чоловік од вівцї? Тим годить ся чинити добро і в суботу.
12Welnu, hoeveel meer is een mens waard dan een schaap! Het is dus geoorloofd, op de sabbat goed te doen.
13Рече тодї до чоловіка: Простягни руку твою. І простяг, і стала вона здорова, як і друга.
13Toen sprak Hij tot den man: Strek uw hand uit. Hij strekte ze uit, en ze was weer zo gezond als de andere.
14Фарисеї ж, вийшовши, радили раду проти Него, як погубити Його.
14Nu gingen de farizeën heen, en spanden tegen Hem samen, hoe ze Hem in het verderf zouden storten.
15Та довідавшись про се Ісус, вийшов ізвідтіля; і пійшло слїдом за Ним багато народу, і сцїлив він усїх,
15Maar Jesus kreeg er kennis van, en verwijderde Zich van daar; velen volgden Hem, en Hij genas ze allen.
16та й наказав їм, щоб не виявляли Його:
16Maar Hij verbood hun, Hem bekend te maken,
17щоб справдилось, що сказав Ісаїя пророк, глаголючи:
17opdat vervuld zou worden, wat door den profeet Isaias voorzegd was:
18Се слуга мій, що я вибрав; любий мій, що вподобала Його душа моя; положу духа мого на Него, й вістити ме поганам суд;
18Zie mijn Dienaar, dien Ik heb uitverkoren, Mijn Welbeminde, in wien mijn ziel behagen schept. Ik zal mijn Geest op Hem doen rusten, En Hij zal aan de volkeren het recht verkonden.
19не змагати меть ся, і не кричати ме, й голосу його нїхто не чути ме по улицях;
19Hij zal twisten noch roepen, En niemand zal zijn stem op de straten horen.
20приломаної тростини не доломить, і льону димуючого не потушить, доки не доведе суду до подуги;
20Hij zal het geknakte riet niet breken, De kwijnende vlaspit niet doven, Totdat Hij het recht ter zegepraal voert.
21і на ймя його вповати муть погане.
21Op zijn naam zullen de volkeren hopen!
22Приведено тодї до Него біснуватого, слїпого й нїмого; і сцїлив його, так що слїпий і нїмий розмовляв і бачив.
22Toen werd tot Hem een bezetene gebracht, die blind en stom was: Hij genas hem, zodat de stomme sprak en zag.
23І здивувавсь увесь народ, і казали: Чи сей не син Давидів?
23Heel de menigte was verbaasd, en zeide: Zou Hij niet de Zoon van David zijn?
24Почувши ж се Фарисеї, казали: Не інакше виганяє сей біси, як Вельзевулом, князем бісовським.
24Toen de farizeën dit hoorden, zeiden ze: Hij drijft slechts de duivels uit door Beélzebub, den vorst der duivels.
25Знав же Ісус думки їх, і рече до них: Всяке царство, що подїлить ся у собі, спустїє; і всякий город і господа, що подїлить ся у собі, не встоїть.
25Maar Jesus, die hun gedachten kende, sprak tot hen: Ieder rijk, dat inwendig verdeeld is, zal verwoest worden: en iedere stad of woning, die inwendig verdeeld is, zal geen stand houden.
26І коли сатана сатану виганяє, то роздїлив ся сам у собі; як же стояти ме царство його?
26Zo dus satan den satan uitdrijft, dan strijdt hij tegen zichzelf: hoe zal zijn rijk dan stand kunnen houden?
27І коли я виганяю біси Вельзевулом, то ким виганяють їх сини ваші? Тим вони будуть вашими суддями.
27En indien Ik door Beélzebub de duivels uitdrijf, door wien drijven dan uw zonen ze uit? Daarom zullen zijzelf uw rechters zijn.
28Коли ж я виганяю біси Духом Божим, то вже приспіло до вас царство Боже.
28Maar zo Ik door Gods Geest de duivels uitdrijf, dan is ook het koninkrijk Gods onder u gekomen.
29Або, як може хто увійти в господу сильного, та пожакувати надоби його, хиба що звяже перше сильного, й тодї пожакує господу його?
29Of hoe zal iemand het huis van een sterk man binnendringen en zijn huisraad roven, zo hij niet eerst den sterke bindt? Eerst dan zal hij zijn huis kunnen plunderen.
30Хто не зо мною, той проти мене; і хто не збирає зо мною, той розсипає.
30Wie niet met Mij is, is tegen Mij; en wie niet met Mij verzamelt, verstrooit.
31Тим глаголю вам: Усякий гріх і хула простить ся людям; а хула на Духа не простить ся людям.
31Daarom zeg Ik u: Iedere zonde en godslastering zal aan de mensen worden vergeven; maar het lasteren van den Geest zal niet worden vergeven.
32І хто скаже слово проти Сина чоловічого, простить ся йому; а хто скаже слово проти Духа сьвятого, не простить ся йому нї в сьому віку, нї в будучому.
32En wie iets zegt tegen den Mensenzoon, hem zal het worden vergeven; maar wie iets zegt tegen den Heiligen Geest, hem zal het niet vergeven worden, noch in deze wereld noch in de toekomstige.
33Або посадите дерево добре, то й овощ його добрий; або посадите дерево пусте, то й овощ його пустий; бо дерево познаєть ся по овощу.
33Of wel: gij noemt de boom goed, maar dan ook goed zijn vrucht; of wel: gij noemt de boom slecht, maar dan ook slecht zijn vrucht; want de boom wordt aan de vruchten gekend.
34Кодло гадюче, як можете промовляти добрі речі, бувши лихими? бо від переповнї серця уста промовляють.
34Adderenbroed, hoe zoudt gij iets goeds kunnen zeggen, terwijl gij slecht zijt? Want de mond spreekt waar het hart van overvloeit.
35Добрий чоловік із доброго скарбу серця виносить добре, а лихий чоловік із лихого скарбу виносить лихе.
35De goede mens brengt goed voort uit de goede schat, de kwade mens kwaad uit de kwade schat.
36Я ж вам глаголю: Що за всяке пусте слово, яке говорити муть люде, дадуть одвіт суднього дня.
36En Ik zeg u: Van ieder ijdel woord, dat de mensen hebben gesproken, zullen ze rekenschap geven op de oordeelsdag.
37Бо по словам твоїм оправдиш ся, й по словам твоїм осудиш ся.
37Op grond van uw woorden zult ge gerechtvaardigd worden, en op grond van uw woorden worden veroordeeld.
38Озвались тодї проти сього деякі з письменників та Фарисеїв, кажучи: Учителю, хочемо від тебе ознаку бачити.
38Eens spraken enige schriftgeleerden en farizeën Hem aan, en zeiden: Meester, we verlangen een wonderteken van U te zien.
39Він же, озвавшись, рече їм: Лукаве та перелюбне кодло ознаки шукає, та ознака не дасть ся йому, як тільки ознака Йони пророка.
39Maar Hij gaf hun ten antwoord: Een boos en overspelig geslacht vraagt een teken; maar geen teken zal hun worden gegeven, dan het teken van Jonas, den profeet.
40Бо, як Йона був три днї й три ночі у кита в череві, так буде й Син чоловічий три днї й три ночі в серцї землї.
40Want zoals Jonas drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster was, zo zal ook de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zijn.
41Ниневяне встануть на суд із кодлом сим, та й осудять його, бо покаялись по проповідї Йониній; а ось тут більший од Йони.
41De Ninivieten zullen in het oordeel opstaan te zamen met dit geslacht, en het veroordelen; want zij bekeerden zich op de prediking van Jonas; en zie, meer dan Jonas is hier.
42Полуденна цариця встане на суд із кодлом сим та й осудить його: бо прийшла з найдальших країн землї слухати премудростї Соломонової; а ось тут більший од Соломона.
42De koningin van het zuiden zal in het oordeel opstaan te zamen met dit geslacht, en het veroordelen; want zij kwam van het uiteinde der aarde om Sálomons wijsheid te horen; en zie, meer dan Sálomon is hier.
43Як же нечистий дух вийде з чоловіка, то блукає по безвіддях, шукаючи відпочинку, та й не знаходить.
43Wanneer de onreine geest van iemand is uitgegaan, zwerft hij rond in dorre oorden; hij zoekt rust, en vindt ze niet.
44Тодї каже: Вернусь у домівку мою, звідкіля я вийшов; і, прийшовши, знаходить її порожню, виметену й прибрану.
44Dan zegt hij: Ik zal terugkeren naar mijn huis, waar ik ben uitgegaan. En bij zijn komst vindt hij het leeg, geveegd en versierd.
45Йде тодї, й бере до себе сїм инших духів, ще злїщих нїж сам, і ввіходять та й живуть там; і буде останнє чоловіка того гірше нїж перше. Так станеть ся й кодлу сьому лукавому.
45Dan gaat hij heen, en neemt zeven andere geesten met zich mee, die bozer zijn dan hijzelf; ze komen binnen, en wonen daar. En het einde van dien man wordt erger nog dan het begin. Zo zal het ook gaan met dit verdorven geslacht.
46Ще ж промовляв Він до людей, аж ось мати й брати Його стояли надворі, бажаючи говорити з Ним.
46Terwijl Hij nog sprak tot de scharen, zie, daar stonden zijn moeder en broeders buiten, en wilden Hem spreken.
47Каже ж один до Него: Он мати Твоя й брати Твої стоять надворі, бажаючи говорити з Тобою.
47Men zei Hem: Zie, uw moeder en broeders staan buiten, en willen U spreken.
48Він же, озвавшись, рече до говорячого йому: Хто се мати моя? і хто брати мої?
48Maar Hij antwoordde aan die Hem dit zeiden: Wie is mijn moeder, en wie zijn mijn broeders?
49І, простягши руку свою на учеників своїх, рече: Ось мати моя й брати мої!
49En Hij strekte de hand naar zijn leerlingen uit en sprak: Ziedaar mijn moeder en broeders;
50Бо хто чинити ме волю Отця мого, що на небі, той брат менї, й сестра, й мати.
50want wie de wil van mijn Vader volbrengt, die in de hemelen is, hij is mijn broeder en zuster en moeder.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.