Romeinen 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Wat heeft de Jood dan nog vóór, of wat nut heeft de besnijdenis dan? -Heel veel onder ieder opzicht!
1Quid ergo amplius Judæo est? aut quæ utilitas circumcisionis?
2En wel op de allereerste plaats: hem zijn de Beloften van God toevertrouwd.
2Multum per omnem modum. Primum quidem quia credita sunt illis eloquia Dei.
3Maar wat zou dat nu? Wanneer er sommigen ontrouw zijn geweest, zou dan hun ontrouw de trouw van God soms te niet doen?
3Quid enim si quidam illorum non crediderunt? numquid incredulitas illorum fidem Dei evacuabit? Absit.
4Onmogelijk! Integendeel, het staat vast: God is betrouwbaar, maar iedere mens is een leugenaar, zoals er geschreven staat: “Opdat Gij in uw woorden gerecht zoudt blijken, En zegepralen, als men recht over U spreekt.”
4Est autem Deus verax: omnis autem homo mendax, sicut scriptum est: [Ut justificeris in sermonibus tuis: et vincas cum judicaris.]
5Of wanneer onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid doet uitblinken, wat zullen we dan zeggen? Zou God, menselijkerwijze gesproken, dan niet onrechtvaardig zijn, als Hij zijn toorn ontketent?
5Si autem iniquitas nostra justitiam Dei commendat, quid dicemus? Numquid iniquus est Deus, qui infert iram?
6Onmogelijk! Hoe zou God anders de wereld kunnen oordelen?
6secundum hominem dico. Absit. Alioquin quomodo judicabit Deus hunc mundum?
7Of wanneer door mijn leugen Gods waarachtigheid nog scherper uitkomt tot zijn glorie, waarom zou ik dan nog als zondaar worden geoordeeld?
7Si enim veritas Dei in meo mendacio abundavit in gloriam ipsius: quid adhuc et ego tamquam peccator judicor?
8Zouden we dan niet liever het kwade gaan doen zoals sommigen ons lasterlijk aanwrijven, opdat het goede er uit volgt? Maar terecht wordt zo iets veroordeeld.
8et non (sicut blasphemamur, et sicut aiunt quidam nos dicere) faciamus mala ut veniant bona: quorum damnatio justa est.
9Wat dan? Zijn wij soms beter? -Volstrekt niet! Want we hebben Joden en Grieken toch vroeger beschuldigd, dat ze allen onder zonde gebukt gaan,
9Quid ergo? præcellimus eos? Nequaquam. Causati enim sumus Judæos et Græcos omnes sub peccato esse,
10zoals er geschreven staat: “Er is geen rechtvaardige, zelfs niet één;
10sicut scriptum est: [Quia non est justus quisquam:
11Er is geen verstandige, niemand die God zoekt.
11non est intelligens, non est requirens Deum.
12Allen zijn afgedwaald, even bedorven, Er is niemand die goed doet, maar ook niet één.
12Omnes declinaverunt, simul inutiles facti sunt: non est qui faciat bonum, non est usque ad unum.
13Een open graf is hun keel, Ze plegen bedrog met hun tong; Achter hun lippen is adderengif,
13Sepulchrum patens est guttur eorum, linguis suis dolose agebant: venenum aspidum sub labiis eorum:
14Vol vloek en bitterheid is hun mond.
14quorum os maledictione, et amaritudine plenum est:
15Vlug zijn hun voeten, om bloed te vergieten,
15veloces pedes eorum ad effundendum sanguinem:
16Vernieling en onheil zijn op hun wegen;
16contritio et infelicitas in viis eorum:
17Maar de weg van de vrede kennen ze niet,
17et viam pacis non cognoverunt:
18Geen vreze Gods staat hun voor ogen!”
18non est timor Dei ante oculos eorum.]
19Welnu, we weten, dat de Wet, bij al wat ze zegt, zich richt tot hen, die staan onder de Wet. Iedere mond is dus gestopt, en heel de wereld staat schuldig voor God!
19Scimus autem quoniam quæcumque lex loquitur, iis, qui in lege sunt, loquitur: ut omne os obstruatur, et subditus fiat omnis mundus Deo:
20Door de voorschriften der Wet zal dus geen mens voor Hem gerechtvaardigd worden; wèl brengt de Wet de kennis der zonde.
20quia ex operibus legis non justificabitur omnis caro coram illo. Per legem enim cognitio peccati.
21Maar thans is, buiten de Wet om, de gerechtigheid Gods verschenen, waarvan de Wet en de profeten getuigenis hebben afgelegd.
21Nunc autem sine lege justitia Dei manifestata est: testificata a lege et prophetis.
22Het is de gerechtigheid Gods, door het geloof in Jesus Christus, en voor allen die geloven. Neen, er bestaat geen onderscheid meer.
22Justitia autem Dei per fidem Jesu Christi in omnes et super omnes qui credunt in eum: non enim est distinctio:
23Want allen hebben gezondigd, en zijn beroofd van de heerlijkheid Gods;
23omnes enim peccaverunt, et egent gloria Dei.
24om niet worden ze gerechtvaardigd door zijn genade uit kracht der verlossing door Christus Jesus.
24Justificati gratis per gratiam ipsius, per redemptionem quæ est in Christo Jesu,
25En God heeft Hem aangewezen als zoenoffer door het geloof in zijn Bloed, om zijn rechtvaardigheid te tonen bij het dulden van vroegere zonden
25quem proposuit Deus propitiationem per fidem in sanguine ipsius, ad ostensionem justitiæ suæ propter remissionem præcedentium delictorum
26uit de tijd van Gods lankmoedigheid; om ook zijn rechtvaardigheid te tonen in deze tijd, en Zelf rechtvaardig te zijn, als Hij hem rechtvaardigt, die in Jesus gelooft.
26in sustentatione Dei, ad ostensionem justitiæ ejus in hoc tempore: ut sit ipse justus, et justificans eum, qui est ex fide Jesu Christi.
27Waar blijft dan de eigenroem? Hij is uitgesloten! Krachtens welke wet? Krachtens die van de werken? Neen, maar krachtens de wet van het geloof!
27Ubi est ergo gloriatio tua? Exclusa est. Per quam legem? Factorum? Non: sed per legem fidei.
28We besluiten dus, dat de mens gerechtvaardigd wordt door het geloof zonder de werken der Wet.
28Arbitramur enim justificari hominem per fidem sine operibus legis.
29Of is God alléén voor de Joden en niet voor de heidenen? Zeer zeker ook voor de heidenen!
29An Judæorum Deus tantum? nonne et gentium? Immo et gentium:
30Want het is dezelfde God, die de besnedenen rechtvaardig zal maken door het geloof, maar ook de onbesnedenen door het geloof.
30quoniam quidem unus est Deus, qui justificat circumcisionem ex fide, et præputium per fidem.
31Doen we door het geloof dan afbreuk aan de Wet? Volstrekt niet! Integendeel, we handhaven de Wet naar haar juiste aard.
31Legem ergo destruimus per fidem? Absit: sed legem statuimus.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.