Romeinen
Chapter 3
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Wat heeft de Jood dan nog vóór, of wat nut heeft de besnijdenis dan? -Heel veel onder ieder opzicht!
1QUALE è dunque il vantaggio del Giudeo? o quale è l'utilità della circoncisione?
2En wel op de allereerste plaats: hem zijn de Beloften van God toevertrouwd.
2Grande per ogni maniera; imprima invero, in ciò che gli oracoli di Dio furon loro fidati.
3Maar wat zou dat nu? Wanneer er sommigen ontrouw zijn geweest, zou dan hun ontrouw de trouw van God soms te niet doen?
3Perciocchè, che è egli , se alcuni sono stati increduli? la loro incredulità annullerà essa la fedeltà di Dio?
4Onmogelijk! Integendeel, het staat vast: God is betrouwbaar, maar iedere mens is een leugenaar, zoals er geschreven staat: “Opdat Gij in uw woorden gerecht zoudt blijken, En zegepralen, als men recht over U spreekt.”
4Così non sia; anzi, sia Iddio verace, ed ogni uomo bugiardo; siccome è scritto: Acciocchè tu sii giustificato nelle tue parole, e vinca quando sei giudicato.
5Of wanneer onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid doet uitblinken, wat zullen we dan zeggen? Zou God, menselijkerwijze gesproken, dan niet onrechtvaardig zijn, als Hij zijn toorn ontketent?
5Ora, se la nostra ingiustizia commenda la giustizia di Dio, che diremo? Iddio è egli ingiusto, quando egli impone punizione? Io parlo umanamente.
6Onmogelijk! Hoe zou God anders de wereld kunnen oordelen?
6Così non sia; altrimenti, come giudicherebbe Iddio il mondo?
7Of wanneer door mijn leugen Gods waarachtigheid nog scherper uitkomt tot zijn glorie, waarom zou ik dan nog als zondaar worden geoordeeld?
7Imperocchè, se la verità di Dio per la mia menzogna è soprabbondata alla sua gloria, perchè sono io ancor condannato come peccatore?
8Zouden we dan niet liever het kwade gaan doen zoals sommigen ons lasterlijk aanwrijven, opdat het goede er uit volgt? Maar terecht wordt zo iets veroordeeld.
8E non dirassi (come siamo infamati, e come alcuni dicono che noi diciamo): Facciamo i mali, acciocchè ne avvengano i beni? (de' quali la condannazione è giusta).
9Wat dan? Zijn wij soms beter? -Volstrekt niet! Want we hebben Joden en Grieken toch vroeger beschuldigd, dat ze allen onder zonde gebukt gaan,
9CHE dunque? abbiamo noi qualche eccellenza? del tutto no; poichè innanzi abbiamo convinti tutti, così Giudei, come Greci, ch'essi sono sotto peccato;
10zoals er geschreven staat: “Er is geen rechtvaardige, zelfs niet één;
10siccome è scritto: Non v'è alcun giusto, non pure uno.
11Er is geen verstandige, niemand die God zoekt.
11Non v'è alcuno che abbia intendimento, non v'è alcuno che ricerchi Iddio.
12Allen zijn afgedwaald, even bedorven, Er is niemand die goed doet, maar ook niet één.
12Tutti son deviati, tutti quanti son divenuti da nulla; non v'è alcuno che faccia bene, non pure uno.
13Een open graf is hun keel, Ze plegen bedrog met hun tong; Achter hun lippen is adderengif,
13La lor gola è un sepolcro aperto; hanno usata frode con le lor lingue; v'è un veleno d'aspidi sotto alle lor labbra;
14Vol vloek en bitterheid is hun mond.
14la lor bocca è piena di maledizione e d'amaritudine;
15Vlug zijn hun voeten, om bloed te vergieten,
15i lor piedi son veloci a spandere il sangue;
16Vernieling en onheil zijn op hun wegen;
16nelle lor vie v'è ruina e calamità;
17Maar de weg van de vrede kennen ze niet,
17e non hanno conosciuta la via della pace;
18Geen vreze Gods staat hun voor ogen!”
18il timor di Dio non è davanti agli occhi loro.
19Welnu, we weten, dat de Wet, bij al wat ze zegt, zich richt tot hen, die staan onder de Wet. Iedere mond is dus gestopt, en heel de wereld staat schuldig voor God!
19Or noi sappiamo che, qualunque cosa dica la legge, parla a coloro che son nella legge, acciocchè ogni bocca sia turata, e tutto il mondo sia sottoposto al giudicio di Dio.
20Door de voorschriften der Wet zal dus geen mens voor Hem gerechtvaardigd worden; wèl brengt de Wet de kennis der zonde.
20Perciocchè niuna carne sarà giustificata dinanzi a lui per le opere della legge; poichè per la legge è data conoscenza del peccato.
21Maar thans is, buiten de Wet om, de gerechtigheid Gods verschenen, waarvan de Wet en de profeten getuigenis hebben afgelegd.
21MA ora, senza la legge, la giustizia di Dio è manifestata, alla quale rendon testimonianza la legge ed i profeti;
22Het is de gerechtigheid Gods, door het geloof in Jesus Christus, en voor allen die geloven. Neen, er bestaat geen onderscheid meer.
22la giustizia, dico, di Dio, per la fede in Gesù Cristo, inverso tutti, e sopra tutti i credenti, perciocchè non v'è distinzione.
23Want allen hebben gezondigd, en zijn beroofd van de heerlijkheid Gods;
23Poichè tutti hanno peccato, e son privi della gloria di Dio.
24om niet worden ze gerechtvaardigd door zijn genade uit kracht der verlossing door Christus Jesus.
24Essendo gratuitamente giustificati per la grazia d'esso, per la redenzione ch' è in Cristo Gesù.
25En God heeft Hem aangewezen als zoenoffer door het geloof in zijn Bloed, om zijn rechtvaardigheid te tonen bij het dulden van vroegere zonden
25Il quale Iddio ha innanzi ordinato, per purgamento col suo sangue, mediante la fede; per mostrar la sua giustizia, per la remission de' peccati, che sono stati innanzi, nel tempo del la pazienza di Dio.
26uit de tijd van Gods lankmoedigheid; om ook zijn rechtvaardigheid te tonen in deze tijd, en Zelf rechtvaardig te zijn, als Hij hem rechtvaardigt, die in Jesus gelooft.
26Per mostrare, dico , la sua giustizia nel tempo presente, acciocchè egli sia giusto e giustificante colui che è della fede di Gesù.
27Waar blijft dan de eigenroem? Hij is uitgesloten! Krachtens welke wet? Krachtens die van de werken? Neen, maar krachtens de wet van het geloof!
27Dov'è adunque il vanto? Egli è escluso. Per qual legge? Delle opere? No; anzi, per la legge della fede.
28We besluiten dus, dat de mens gerechtvaardigd wordt door het geloof zonder de werken der Wet.
28Noi adunque conchiudiamo che l'uomo è giustificato per fede senza le opere della legge.
29Of is God alléén voor de Joden en niet voor de heidenen? Zeer zeker ook voor de heidenen!
29Iddio è egli Dio solo de' Giudei? non lo è egli eziandio de' Gentili? certo, egli lo è eziandio de' Gentili.
30Want het is dezelfde God, die de besnedenen rechtvaardig zal maken door het geloof, maar ook de onbesnedenen door het geloof.
30Poichè v'è un solo Iddio, il quale giustificherà la circoncisione dalla fede, e l'incirconcisione per la fede.
31Doen we door het geloof dan afbreuk aan de Wet? Volstrekt niet! Integendeel, we handhaven de Wet naar haar juiste aard.
31Annulliamo noi dunque la legge per la fede? Così non sia; anzi stabiliamo la legge.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.