Romeinen 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Wat heeft de Jood dan nog vóór, of wat nut heeft de besnijdenis dan? -Heel veel onder ieder opzicht!
1ARI, da me Juj akan paieki mon me tei kan de da kadepan jirkomjaij?
2En wel op de allereerste plaats: hem zijn de Beloften van God toevertrouwd.
2O me toto, ni jon karoj; iet kaieu: Majan en Kot akan kanikid on irail.
3Maar wat zou dat nu? Wanneer er sommigen ontrouw zijn geweest, zou dan hun ontrouw de trouw van God soms te niet doen?
3A ma akai jopojon a pil menda? Pwe ar jopojon pan kak kawela kalanan en Kot?
4Onmogelijk! Integendeel, het staat vast: God is betrouwbaar, maar iedere mens is een leugenaar, zoals er geschreven staat: “Opdat Gij in uw woorden gerecht zoudt blijken, En zegepralen, als men recht over U spreekt.”
4O jo! Pwe Kot udan melel, a aramaj karoj me likam duen a intinidier: Ir eta me pun ni ar majan akan, o komui pan kotin poedi ni ar pakadeikada.
5Of wanneer onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid doet uitblinken, wat zullen we dan zeggen? Zou God, menselijkerwijze gesproken, dan niet onrechtvaardig zijn, als Hij zijn toorn ontketent?
5A ma atail japun kaindinda pun en Kot, da me kitail en inda? Dadue, Kot me pil japun, pweki a kotin onion kida? I kin lokaia ni tiak en aramaj.
6Onmogelijk! Hoe zou God anders de wereld kunnen oordelen?
6O jo! Pwe ma iduen, Kot pan kak kadeikada jappa?
7Of wanneer door mijn leugen Gods waarachtigheid nog scherper uitkomt tot zijn glorie, waarom zou ik dan nog als zondaar worden geoordeeld?
7Pwe ma melel en Kot pwai kida ai likam kan, pwen kalinanada i, menda i pan pakadeikada, dene dipan amen nai?
8Zouden we dan niet liever het kwade gaan doen zoals sommigen ons lasterlijk aanwrijven, opdat het goede er uit volgt? Maar terecht wordt zo iets veroordeeld.
8A jo mau on duen at indand jued, pwe akai kin inda, me dene kit kin padaki wei: Kitail en wiada me jued, pwen kareda me mau? Nan arail kalokolok me pun.
9Wat dan? Zijn wij soms beter? -Volstrekt niet! Want we hebben Joden en Grieken toch vroeger beschuldigd, dat ze allen onder zonde gebukt gaan,
9Iaduen atail pai mau jan arail? Kaidin, pwe je kadededar, me Juj o men Krik karoj mi pan dip,
10zoals er geschreven staat: “Er is geen rechtvaardige, zelfs niet één;
10Duen a intinidier: Jota me pun amen, jota amen.
11Er is geen verstandige, niemand die God zoekt.
11Jota me lolekon amen, jota me kin rapaki Kot.
12Allen zijn afgedwaald, even bedorven, Er is niemand die goed doet, maar ook niet één.
12Karoj me japunlar, irail wiaki eu mamalar, jota meamen, me kin wiada me mau, jota amen.
13Een open graf is hun keel, Ze plegen bedrog met hun tong; Achter hun lippen is adderengif,
13Tapin wor arail me rajon joujou eu, me jaikenta jarep pena, lo arail me re liliapaki, wini en kamela mimi ni oton ni arail;
14Vol vloek en bitterheid is hun mond.
14Au ar me dir en lalaue o katik,
15Vlug zijn hun voeten, om bloed te vergieten,
15Na arail me marara on kamela aramaj;
16Vernieling en onheil zijn op hun wegen;
16Nan al arail me dir en jued omauk;
17Maar de weg van de vrede kennen ze niet,
17A al en popol me re jaja;
18Geen vreze Gods staat hun voor ogen!”
18Re jota kin majak Kot.
19Welnu, we weten, dat de Wet, bij al wat ze zegt, zich richt tot hen, die staan onder de Wet. Iedere mond is dus gestopt, en heel de wereld staat schuldig voor God!
19A kitail ajaer, me kapun o lolok on, me kin papa kapun pwe au karoj en japaimokid o jappa pon lodi on kadeik en Kot.
20Door de voorschriften der Wet zal dus geen mens voor Hem gerechtvaardigd worden; wèl brengt de Wet de kennis der zonde.
20Ari mon Kot jota uduk me pan pun kila a wiawia kapun, pwe kapun me dip kadiarokidar;
21Maar thans is, buiten de Wet om, de gerechtigheid Gods verschenen, waarvan de Wet en de profeten getuigenis hebben afgelegd.
21A anjau wet pun en Kot janjaledar likin kapun o kadedekidar kapun o jaukop akan.
22Het is de gerechtigheid Gods, door het geloof in Jesus Christus, en voor allen die geloven. Neen, er bestaat geen onderscheid meer.
22A pun en Kot me pwili jan pojon Iejuj Krijtuj, ap lel on karoj me pojon.
23Want allen hebben gezondigd, en zijn beroofd van de heerlijkheid Gods;
23Pwe jota lipilipil, karoj me wiadar dip o jota kak konodi linan en Kot.
24om niet worden ze gerechtvaardigd door zijn genade uit kracht der verlossing door Christus Jesus.
24Irail pan pun kila a mak japan, pweki en Krijtuj Iejuj a kotin dore kitail lar,
25En God heeft Hem aangewezen als zoenoffer door het geloof in zijn Bloed, om zijn rechtvaardigheid te tonen bij het dulden van vroegere zonden
25Me Kot kotin kajanjaledar ni wiala mol en kalanan ni pojon nt’a, pwen kajanjaleda a pun nia kotin lapwada dip en maj akan, miier pan papadake en Kot.
26uit de tijd van Gods lankmoedigheid; om ook zijn rechtvaardigheid te tonen in deze tijd, en Zelf rechtvaardig te zijn, als Hij hem rechtvaardigt, die in Jesus gelooft.
26A anjau wet a kotin kadededa a pun. Ieteten, me pein i me pun, ap pan kotin kapunala Karoj me pojon Iejuj.
27Waar blijft dan de eigenroem? Hij is uitgesloten! Krachtens welke wet? Krachtens die van de werken? Neen, maar krachtens de wet van het geloof!
27Ari, ia men juaiki? A lokidokilar! Ren kapun da? En wiawia kan? Kaidin, a ren kapun en pojon.
28We besluiten dus, dat de mens gerechtvaardigd wordt door het geloof zonder de werken der Wet.
28Ari, iet me je inda: Aramaj en pun kila pojon a kaidin wiawia en kapun kan.
29Of is God alléén voor de Joden en niet voor de heidenen? Zeer zeker ook voor de heidenen!
29De Kot en men Juj akan arail Kot eta? Kaidin pil Kot en men liki kan? Ei melel, pil en men liki!
30Want het is dezelfde God, die de besnedenen rechtvaardig zal maken door het geloof, maar ook de onbesnedenen door het geloof.
30Ari, Kot me ta men, me kin kapun kila me jirkomjaij akan pweki pojon, pil jojirkomjaij akan pweki pojon.
31Doen we door het geloof dan afbreuk aan de Wet? Volstrekt niet! Integendeel, we handhaven de Wet naar haar juiste aard.
31laduen, kitail kin tiakedi kapun pweki pojon? O jo! pwe kitail kin kapwaiada kapun o.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.