Romeinen 13
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Iedereen moet onderworpen zijn aan het hogere gezag; want alle gezag komt van God, en ook het thans bestaande gezag is verordend door God.
1AMEN amen en upa kaun akan, me kin poe irail edi, pwe jota kaun akan me jota jan ren Kot, a waja kaun akan mia, nan irail me ren Kot.
2Wie zich dus verzet tegen het gezag, verzet zich tegen de verordening van God; en de weerspannigen zullen hun veroordeling krijgen.
2Ari, me pan katiwo on kaun akan kin katiwo on kujoned en Kot, a me katiwo kan, pan lodi on kapun.
3Want de overheid is niet te duchten bij een goed, maar wel bij een slecht gedrag. Wilt ge dus niets te vrezen hebben van het gezag? Gedraag u dan behoorlijk, en ge zult zijn goedkeuring verwerven:
3Pwe jaupeidi kan jota kin kamajakki, me kin wia mau, pwe me kin wia me jued. A ma koe jota men majak kaun akan, en wiada me mau, koe ap pan indandeki pa ’rail.
4want het is een dienaar van God tot uw eigen welzijn. Maar ge moet vrezen, wanneer ge u onbehoorlijk gedraagt; want het voert het zwaard niet voor niets; want als dienaar van God is het met de bestraffing van den misdadiger belast.
4Pwe a papan Kot o iei me mau on uk, a ma koe wia me jued, majak, pwe a jota kin wa mal kodlaj. Pwe a papan Kot o, pwen kame me wia jued.
5Het is dus noodzakelijk, dat men zich onderwerpt; niet alleen om de straf, maar ook uit plichtsbesef.
5lei me komail en peiki on, a kaidin pweki kamekam a pweki injen omail.
6Om dezelfde reden ook moet gij de belasting betalen; want de overheid is beambte van God, en is voortdurend in beslag genomen door haar taak.
6Iei me komail pil wiai on nopwei, pwe irail me papan Kot, me kin kaukaule papa wet.
7Geeft dus aan allen wat hun toekomt; belasting aan wien gij belasting, tol aan wien gij tol, ontzag aan wien gij ontzag, eer aan wien gij eer zijt verschuldigd.
7Komail ari kapunala omail pwaipwand on amen amen! Takjij on me takjij kin wiaui on, nopwei on me nopwei kin wiaui on; majak, me majak kin ko on; ki on wau, me wau kin ko on.
8Blijft niemand iets schuldig dan wederkerige liefde. Want hij die zijn naaste bemint, heeft de Wet vervuld.
8Der pwaipwandeki meakot on amen; iet eta: Omail limpok pena, pwe me kin pok on amen, kin kapwaiada kapun o.
9Immers het gebod: “Ge zult geen overspel bedrijven, ge zult niet doodslaan, ge zult niet stelen, ge zult niet begeren,” en alle andere geboden zijn samengevat in dit éne: “Ge zult den naaste liefhebben als uzelf.”
9Pwe iet akan: Koe der kamal! Koe der kamela aramaj! Koe der pirap! Koe der norok! o ma pil eu kujoned mia, iet orlepa: Koe en pok on men imp om due pein uk!
10De liefde berokkent den naaste geen kwaad; de liefde volbrengt dus de ganse Wet.
10Limpok jota kin wia jued on men imp a. Ari, limpok audepan kapun.
11Bovendien, gij weet, dat het tijd is, en dat het uur is geslagen, om op te staan uit de slaap; want thans is het heil ons meer nabij, dan toen we het geloof hebben omhelsd.
11O pil met: Kitail en dedeki duen anjau o, pwe auer leler, me kitail en pirida jan mair, pwe anjaun atail dorela me koren jan ni tapin atail pojon.
12De nacht is ver gevorderd, de dag breekt aan. Laat ons dus afleggen de werken der duisternis, en ons omgorden met de wapenen van het licht.
12Ponpon daulier, a ran me korendor. Kitail en pwilikidi wiawian rotorot akan, ap ale tatan marain.
13Laat ons dus onberispelijk leven, zoals we dit doen op klaarlichte dag; niet in brasserij en dronkenschap, niet in ontucht en losbandigheid, niet in twist en ijverzucht.
13Kitail en kekeid ni tiak mau, pwe ni ran; der kaped en mana de kamom joko, der jamin de jaut, de luak, de peirin.
14Maar omkleedt u met den Heer Jesus Christus, en vertroetelt het vlees niet tot begeerlijkheid.
14A komail ale Kaun lejuj Krijtuj, o der kanonala pali uduk, pwen aneda a inon jued.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.