Romeinen
Chapter 8
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kadede Kap (Pohnpe…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Voor hen, die Jesus Christus toebehoren, bestaat er dus thans geen verdoemenis meer.
1ARI, jolar me mau on pakadeikada, me mi ren Krijtuj Iejuj.
2Want de wet van den Geest, -een wet van leven in Christus Jesus, -heeft u bevrijd van de wet van zonde en dood.
2Pwe kapun en Nen en maur ren Krijtuj Iejuj kamaio ia da jan ni kapun en dip o mela.
3Wat de Wet niet vermocht, machteloos als ze was door het vlees, dat heeft God gedaan: Door zijn eigen Zoon te zenden in de gedaante van het zondige vlees en terwille van de zonde, heeft Hij de zonde veroordeeld in het Vlees,
3Pwe me kapun jota kak on, aki a luete kila pali uduk, iei me Kot kotin wiada ni a kotin poronedo japwilim a Ol ni mom en uduk en dip, pweki dip, pwen kadeikada dip ni pali uduk.
4opdat door ons de gerechtigheid der Wet zou worden vervuld; door ons, die leven niet naar het vlees, maar naar de geest.
4Pwen kapwaiada pun en kapun re atail, me jota weideki pali uduk a pali Nen.
5Immers, wie vleselijk zijn, streven naar vleselijke dingen; maar wie geestelijk zijn, naar geestelijke dingen.
5Pwe me kijan pali uduk, kin lamelame duen inon en uduk, a me kijan pali Nen, kin lamelame duen inon en Nen.
6Welnu, het streven van het vlees is de dood; maar het streven van de geest is leven en vrede.
6Pwe tiak en uduk iei mela, a tiak en Nen maur o popol.
7Want het streven van het vlees staat vijandig tegen God; het onderwerpt zich niet aan Gods Wet, en zelfs kàn het dit niet;
7Pweki tiak en uduk kin palian Kot, pwe a jota kin duki on kapun en Kot, pwe a pil jota kak on.
8wie vleselijk zijn, kunnen God niet behagen.
8A me kijan pali uduk, jota kak konekon ren Kot.
9Welnu, gij zijt niet in het vlees, maar gij zijt in de geest, omdat de Geest van God in u woont; wie toch den Geest van Christus niet heeft, behoort Hem niet toe.
9A komail kaidin kijan pali uduk, pwe kijan pali Nen, ma Nen en Kot kotikot lol omail. A me jota aneki Nen en Krijtuj, i kaidin japwilim a.
10Maar zo Christus in u is, dan is het lichaam wel dood door de zonde, doch de geest blijft in leven door de gerechtigheid.
10A ma Krijtuj kotikot lol omail, war mekilar dip, a wen memaureki pun.
11En zo in u woont de Geest van Hem, die Jesus uit de doden heeft opgewekt, dan zal Hij, die Christus Jesus uit de doden heeft opgewekt, ook uw sterfelijke lichamen ten leven verwekken door zijn Geest, die in u woont.
11A ma Nen o, me kaiajadar Iejuj jan ren me melar akan, kotikot lol omail, nan i me kaiajadar Krijtuj jan ren me melar akan, pil pan kamaureda war omail mela ki Nen e, me kotikot lol omail.
12Broeders, we zijn dus niet aan het vlees verplicht, naar het vlees te leven.
12Ari ri ai kan, kitail jolar pwaipwand on pali uduk, pwen kapwaiada inon en uduk,
13En zo gij leeft naar het vlees, zult gij sterven; maar zo gij door den Geest de werken van het lichaam doodt, zult gij leven.
13Pwe ma komail memaureki uduk, komail pan mela, a ma komail pan kamela wiawia en pali war ki Nen, komail pan memaureta.
14Allen toch, die door Gods Geest worden geleid, zijn kinderen Gods.
14Pwe karoj me weweideki Nen en Kot, nan irail jeri en Kot akan.
15Want gij hebt geen geest van slavernij ontvangen, om terug te vallen in de vrees, maar de geest van kindschap, waardoor we roepen: “Abba, Vader!”
15Pwe kaidin nen en ladu, me komail aleer, pwen pur on majak, a Nen en jeri, me komail aleer, me kitail kin eker kida:
16De Geest zelf getuigt met onze geest, dat we kinderen zijn van God.
16Pein nen o kotin ian nen atail kadedeki, me kitail jeri en Kot akan.
17Zijn we kinderen, dan zijn we erfgenamen tevens; erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus, zo we met Hem lijden, om ook met Hem verheerlijkt te worden.
17A ma kitail jeri kan, nan kitail pil jeri en jojo, jeri en jojo en Kot o kijan toun jojo en Krijtuj, ma kitail ian kamekam, kitail pil pan ian linanla.
18Want ik houd het er voor, dat het lijden dezer wereld niet opwegen kan tegen de heerlijkheid, die ons geopenbaard zal worden.
18Pwe i ajaer, me kamekam en anjau et jota mau on en kaparoki on linan kokodo, me pan kajanjaledan kitail,
19Reikhalzend toch smacht de schepping naar de openbaring der kinderen Gods.
19Pwe audepan jappa poden anane kaualap papajan en jeri en Kot ar pan maioda.
20Want de schepping is aan de vergankelijkheid onderworpen, niet uit eigen wil, doch door de wil van Hem, die ze daaraan onderwierp; maar toch met de hoop,
20Pwe audepan jappa o panalan mela, kaidin pweki pein injen arail, a pweki i, me pan ir alan kaporopor.
21dat ook de schepping zelf bevrijd zal worden van de slavernij der vergankelijkheid, om deelachtig te worden aan de vrijheid der glorie van de kinderen Gods.
21Pwe audepan o pil pan maioda jan ni a lidulidui on tiak en joredi, on maio en linan on jeri en Kot akan.
22We weten toch, dat heel de schepping tezamen zucht en kreunt in barensweeën tot heden toe.
22Pwe kitail ajaer, me audepan jappa karoj kin janejanlol o mimi pan wairok en naitik lao lel met.
23En zij niet alleen, maar ook wij, die de eerstelingen des Geestes bezitten, ook wij zuchten in ons binnenste naar de verlossing van ons lichaam, in smachtend verlangen naar het kindschap.
23A kaidin irail eta, pwe kitail pil ian, me mejenin Nen, pil pein kitail kin janejan, auiaui lao anjau en pali war atail ar kawili kapada.
24Want we zijn verlost om te hopen. Maar zien wat we hopen, is geen hopen meer; hoopt men soms nog wat men ziet?
24Pwe kitail kamaurelaner kaporopor. A kaporopor me janjal, i kaidin kaporopor; pwe me amen kin ududial, menda en kaporoporeki?
25Doch zo we hopen wat we niet zien, dan smachten we er naar met geduld.
25A ma kitail kaporoporeki, me kitail jota udial, kitail kin kanonama auiauieta.
26Eveneens komt ook de Geest onze zwakheid te hulp. Want we weten niet eens, wat we behoren te vragen; maar de Geest zelf smeekt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.
26Pil Nen o kotin jauaja kitail ni atail luet akan, pwe kitail jaja, da me kitail en poeki, o da me kon on, pwe pein Nen o janejanelol o laolao kin kitail.
27En Hij, die de harten doorgrondt, Hij weet, waar de Geest naar verzucht, en hoe Deze voor de heiligen smeekt naar Gods wil.
27A me kin kotin kajauiada monion akan, mani duen kupur en Nen, pwe a kin kotin laolaoki jaraui kan duen tiak en kupur en Kot.
28We weten ook, dat God alles ten goede leidt voor hen die Hem liefhebben, die naar zijn voorbeschikking zijn geroepen.
28A kitail aja, me karoj kin kamauiala me pok on Kot akan, irail me paeker duen ar kileledier.
29Want die Hij vooruit heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd, om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon, opdat Deze de Eerstgeborene onder vele broeders zou zijn.
29Pwe me a kotin piladar maj o, iei me a pil kotin kileledier, en tialan mom en japwilim a Ol, pwe a en mejeni nan pun en ri a kan.
30Welnu, die Hij heeft voorbestemd, heeft Hij ook geroepen; en die Hij heeft geroepen, heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij heeft gerechtvaardigd, heeft Hij ook verheerlijkt.
30A me a kotin kileledier maj o, a pil kotin warone irail edo, a me a kotin waronedor, a pil kapun irail alar, a me a kapunalar, a pil kotin kalinan irail adar.
31Wat zullen we hieraan nog toevoegen? Wanneer God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn?
31Ari, da me kitail en japenki mepukat? Ma Kot ian kitail, ij me pan kak palian kitail?
32Hij, die zijn enigen Zoon niet gespaard heeft, maar voor ons allen heeft overgeleverd, hoe zou Hij ons tegelijk met Hem niet alles schenken?
32I me jota kotin kajampwaleki japwilim a Ol, pwe a kotiki wei en wiliandi kitail, dadue, a jo pan kotin japan ianaki don kitail meakaroj?
33Wie zal de beschuldiger zijn van de uitverkorenen Gods? Is het God, die rechtvaardigt?
33lj me pan kapun on en Kot a piladar akan? Pwe Kot eta, me kotin kapunada;
34Wie zal veroordelen? Zal het Christus Jesus zijn, die gestorven is, of liever die is opgewekt, die zetelt aan Gods rechterhand, die ook onze Voorspreker is?
34Ij me pan kadeikada? Pwe Krijtuj me matalar, me pil koiajada o me pil kaipokedi ni pali maun en Kot, o me pil kin laolao kin kitail.
35Of wie zal ons scheiden van Christus’ liefde? Wederwaardigheid of benauwdheid, vervolging, honger, naaktheid, gevaar of het zwaard?
35lj me pan irawei jan kitail ni limpok en Krijtuj? Anjau apwal, de majak, de kamekam, do ijejol, de kilijo, de kamajak, do kodlaj?
36Zoals er geschreven staat: “Om Uwentwil worden we de ganse dag gedood, Worden we als slachtvee behandeld.”
36Duen a intinidier: Pweki komui kit kamekame kilar kaukaule, kit me wadok on jip akan, me kileledier on kamela.
37Maar in dit alles zegepralen we glansrijk door Hem, die ons liefheeft.
37A ni mepukat karoj kitail me poedier kaualap pweki i, me pok on kitail er.
38En ik ben er zeker van, dat dood noch leven, engelen noch heerschappijen, heden noch toekomst, geen machten,
38Pwe i aja, me kaidin mela, de maur, pil kaidin tounlan kan, de jaupeidi, pil kaidin men met, de men mur, de me manaman akan,
39geen hoogte of diepte, noch enig ander schepsel ons scheiden kan van Gods liefde in Christus Jesus, onzen Heer.
39Pil kaidin men poe, de men pa, de okotme pan kak irawei jan kitail ni limpok en Kot, me mi ren Krijtuj Iejuj atail Kaun.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.