מִשְׁלֵי

New Testament

מתיוסנט מארקהבְּשׂוֹרָה הַקְּדוֹשָׁה עַל־פִּי לוּקָסג'וןמַעֲשֵׂי הַשְּׁלִיחִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָרוֹמִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָרִאשׁוֹנָה אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָשֵּׁנִית אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַגָּלָטִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָאֶפְסִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַפִּילִפִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַקּוֹלַסִּים1 סלוניס2 סלוניס1 טימותי2 טימותיאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־טִיטוֹסאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־פִּילֵימוֹןאִגֶּרֶת אֶל־הָעִבְרִיםאִגֶּרֶת יַעֲקֹבהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשְּׁלִישִׁית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַאִגֶּרֶת יְהוּדָהחזוֹן יוֹחָנָן
Chapter 24
Modern Hebrew Bible
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

מִשְׁלֵי 24

Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1אל תקנא באנשי רעה ואל תתאו להיות אתם׃
1Wees niet afgunstig op booswichten, Verlang niet naar hun gezelschap;
2כי שד יהגה לבם ועמל שפתיהם תדברנה׃
2Want wat zij willen is geweld, Wat zij bespreken, is onheil.
3בחכמה יבנה בית ובתבונה יתכונן׃
3Door wijsheid wordt een huis gebouwd, Door inzicht houdt het stand;
4ובדעת חדרים ימלאו כל הון יקר ונעים׃
4Door kunde worden de kamers vol Van allerlei kostbaar en prettig bezit.
5גבר חכם בעוז ואיש דעת מאמץ כח׃
5Een wijze is meer waard dan een sterke, Een man van ervaring meer dan een krachtmens;
6כי בתחבלות תעשה לך מלחמה ותשועה ברב יועץ׃
6Want alleen met overleg wordt een oorlog gevoerd, De zege bevochten door rijp beraad.
7ראמות לאויל חכמות בשער לא יפתח פיהו׃
7Voor een dwaas is de wijsheid te hoog; Daarom doet hij in de poort zijn mond niet open.
8מחשב להרע לו בעל מזמות יקראו׃
8Wie op kwaad zint, Wordt een gluiperd genoemd.
9זמת אולת חטאת ותועבת לאדם לץ׃
9De gedachten van een dwaas zijn zondig, Een spotter is voor de mensen een gruwel.
10התרפית ביום צרה צר כחכה׃
10Gedraagt ge u slap, als het u goed gaat, Dan schieten in moeilijke tijden uw krachten te kort.
11הצל לקחים למות ומטים להרג אם תחשוך׃
11Red hen, die ter dood worden gebracht; Bevrijd hen, die naar de plaats van terechtstelling wankelen.
12כי תאמר הן לא ידענו זה הלא תכן לבות הוא יבין ונצר נפשך הוא ידע והשיב לאדם כפעלו׃
12Al zegt ge: “Och, we wisten het niet,” Zou Hij, die de harten peilt, het niet merken, Hij, die uw leven beschermt, het niet weten, En den mens niet naar zijn werken vergelden?
13אכל בני דבש כי טוב ונפת מתוק על חכך׃
13Mijn zoon, eet honing, want die smaakt goed; Honingzeem is zoet voor het gehemelte:
14כן דעה חכמה לנפשך אם מצאת ויש אחרית ותקותך לא תכרת׃
14Zo is ook de kennis goed voor uw hart, En de wijsheid voor uw ziel. Vindt ge haar, dan is er toekomst, En wordt uw verwachting niet beschaamd.
15אל תארב רשע לנוה צדיק אל תשדד רבצו׃
15Booswicht, loer niet op de woning van den rechtvaardige, Beproef niet, zijn verblijf te vernielen;
16כי שבע יפול צדיק וקם ורשעים יכשלו ברעה׃
16Want al valt de rechtvaardige zevenmaal, hij staat weer op, Maar de bozen blijven liggen in het kwaad.
17בנפל אויביך אל תשמח ובכשלו אל יגל לבך׃
17Als uw vijand valt, moet ge u niet verheugen, Als hij struikelt, u niet verblijden;
18פן יראה יהוה ורע בעיניו והשיב מעליו אפו׃
18Want als Jahweh het ziet, mishaagt het Hem, En wendt Hij zijn gramschap van hem op u af.
19אל תתחר במרעים אל תקנא ברשעים׃
19Erger u niet over hen, die kwaad doen, Wees niet jaloers op booswichten;
20כי לא תהיה אחרית לרע נר רשעים ידעך׃
20Want voor den booswicht is er geen toekomst, De lamp der bozen gaat uit.
21ירא את יהוה בני ומלך עם שונים אל תתערב׃
21Mijn zoon, vrees Jahweh en den koning, Houd u niet met nieuwlichters op;
22כי פתאם יקום אידם ופיד שניהם מי יודע׃
22Want plotseling daagt hun ongeluk, Wie weet, wat hun einde zal zijn?
23גם אלה לחכמים הכר פנים במשפט בל טוב׃
23Ook de volgende spreuken zijn van wijzen. Partijdigheid in een rechtszaak is nooit goed
24אמר לרשע צדיק אתה יקבהו עמים יזעמוהו לאמים׃
24Wie tot een schuldige zegt: ge hebt gelijk, De volkeren zullen hem verwensen, De naties hem vloeken.
25ולמוכיחים ינעם ועליהם תבוא ברכת טוב׃
25Maar die hem bestraffen, gaat het goed, Op hen rust zegen en voorspoed;
26שפתים ישק משיב דברים נכחים׃
26Een kus op de lippen krijgt hij, Die een rechtvaardige uitspraak doet.
27הכן בחוץ מלאכתך ועתדה בשדה לך אחר ובנית ביתך׃
27Stel orde op uw werk buitenshuis, Maak, dat het klaar is op uw akker; Neem dan eerst een vrouw En bouw u een huis.
28אל תהי עד חנם ברעך והפתית בשפתיך׃
28Leg geen valse getuigenis af tegen uw naaste, Waarom zouden uw lippen bedriegen?
29אל תאמר כאשר עשה לי כן אעשה לו אשיב לאיש כפעלו׃
29Zeg niet: “Zoals hij mij heeft gedaan, zal ik hem doen; Ik zet den man zijn daden betaald.”
30על שדה איש עצל עברתי ועל כרם אדם חסר לב׃
30Ik kwam eens langs de akker van een luiaard, Langs de wijngaard van een dwaas;
31והנה עלה כלו קמשנים כסו פניו חרלים וגדר אבניו נהרסה׃
31En zie: hij was geheel met onkruid begroeid, De grond met distels bedekt, En de stenen muur lag in puin.
32ואחזה אנכי אשית לבי ראיתי לקחתי מוסר׃
32Toen ik dat zag, nam ik het ter harte; Toen ik dat merkte, heb ik er deze les uit getrokken:
33מעט שנות מעט תנומות מעט חבק ידים לשכב׃
33Nog even slapen, nog even soezen, Nog even in bed de handen over elkaar;
34ובא מתהלך רישך ומחסריך כאיש מגן׃
34Dan overvalt u de armoe als een zwerver, Het gebrek als een rover.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.