箴言 24
Chinese Union Version, punctuated (Simplified)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1你不要嫉妒恶人, 也不要起意与他们相处;
1Wees niet afgunstig op booswichten, Verlang niet naar hun gezelschap;
2因为,他们的心图谋强暴, 他们的口谈论奸恶。
2Want wat zij willen is geweld, Wat zij bespreken, is onheil.
3房屋因智慧建造, 又因聪明立稳;
3Door wijsheid wordt een huis gebouwd, Door inzicht houdt het stand;
4其中因知识充满各样美好宝贵的财物。
4Door kunde worden de kamers vol Van allerlei kostbaar en prettig bezit.
5智慧人大有能力; 有知识的人力上加力。
5Een wijze is meer waard dan een sterke, Een man van ervaring meer dan een krachtmens;
6你去打仗,要凭智谋; 谋士众多,人便得胜。
6Want alleen met overleg wordt een oorlog gevoerd, De zege bevochten door rijp beraad.
7智慧极高,非愚昧人所能及, 所以在城门内不敢开口。
7Voor een dwaas is de wijsheid te hoog; Daarom doet hij in de poort zijn mond niet open.
8设计作恶的, 必称为奸人。
8Wie op kwaad zint, Wordt een gluiperd genoemd.
9愚妄人的思念乃是罪恶; 亵慢者为人所憎恶。
9De gedachten van een dwaas zijn zondig, Een spotter is voor de mensen een gruwel.
10你在患难之日若胆怯, 你的力量就微小。
10Gedraagt ge u slap, als het u goed gaat, Dan schieten in moeilijke tijden uw krachten te kort.
11人被拉到死地,你要解救; 人将被杀,你须拦阻。
11Red hen, die ter dood worden gebracht; Bevrijd hen, die naar de plaats van terechtstelling wankelen.
12你若说:这事我未曾知道, 那衡量人心的岂不明白吗? 保守你命的岂不知道吗? 他岂不按各人所行的报应各人吗?
12Al zegt ge: “Och, we wisten het niet,” Zou Hij, die de harten peilt, het niet merken, Hij, die uw leven beschermt, het niet weten, En den mens niet naar zijn werken vergelden?
13我儿,你要吃蜜,因为是好的; 吃蜂房下滴的蜜便觉甘甜。
13Mijn zoon, eet honing, want die smaakt goed; Honingzeem is zoet voor het gehemelte:
14你心得了智慧,也必觉得如此。 你若找着,至终必有善报; 你的指望也不致断绝。
14Zo is ook de kennis goed voor uw hart, En de wijsheid voor uw ziel. Vindt ge haar, dan is er toekomst, En wordt uw verwachting niet beschaamd.
15你这恶人,不要埋伏攻击义人的家; 不要毁坏他安居之所。
15Booswicht, loer niet op de woning van den rechtvaardige, Beproef niet, zijn verblijf te vernielen;
16因为,义人虽七次跌倒,仍必兴起; 恶人却被祸患倾倒。
16Want al valt de rechtvaardige zevenmaal, hij staat weer op, Maar de bozen blijven liggen in het kwaad.
17你仇敌跌倒,你不要欢喜; 他倾倒,你心不要快乐;
17Als uw vijand valt, moet ge u niet verheugen, Als hij struikelt, u niet verblijden;
18恐怕耶和华看见就不喜悦, 将怒气从仇敌身上转过来。
18Want als Jahweh het ziet, mishaagt het Hem, En wendt Hij zijn gramschap van hem op u af.
19不要为作恶的心怀不平, 也不要嫉妒恶人;
19Erger u niet over hen, die kwaad doen, Wees niet jaloers op booswichten;
20因为,恶人终不得善报; 恶人的灯也必熄灭。
20Want voor den booswicht is er geen toekomst, De lamp der bozen gaat uit.
21我儿,你要敬畏耶和华与君王, 不要与反复无常的人结交,
21Mijn zoon, vrees Jahweh en den koning, Houd u niet met nieuwlichters op;
22因为他们的灾难必忽然而起。 耶和华与君王所施行的毁灭, 谁能知道呢?
22Want plotseling daagt hun ongeluk, Wie weet, wat hun einde zal zijn?
23以下也是智慧人的 箴言 : 审判时看人情面是不好的。
23Ook de volgende spreuken zijn van wijzen. Partijdigheid in een rechtszaak is nooit goed
24对恶人说「你是义人」的, 这人万民必咒诅,列邦必憎恶。
24Wie tot een schuldige zegt: ge hebt gelijk, De volkeren zullen hem verwensen, De naties hem vloeken.
25责备 恶人的 ,必得喜悦; 美好的福也必临到他。
25Maar die hem bestraffen, gaat het goed, Op hen rust zegen en voorspoed;
26应对正直的,犹如与人亲嘴。
26Een kus op de lippen krijgt hij, Die een rechtvaardige uitspraak doet.
27你要在外头预备工料, 在田间办理整齐, 然后建造房屋。
27Stel orde op uw werk buitenshuis, Maak, dat het klaar is op uw akker; Neem dan eerst een vrouw En bouw u een huis.
28不可无故作见证陷害邻舍, 也不可用嘴欺骗人。
28Leg geen valse getuigenis af tegen uw naaste, Waarom zouden uw lippen bedriegen?
29不可说:人怎样待我,我也怎样待他; 我必照他所行的报复他。
29Zeg niet: “Zoals hij mij heeft gedaan, zal ik hem doen; Ik zet den man zijn daden betaald.”
30我经过懒惰人的田地、 无知人的葡萄园,
30Ik kwam eens langs de akker van een luiaard, Langs de wijngaard van een dwaas;
31荆棘长满了地皮, 刺草遮盖了田面, 石墙也坍塌了。
31En zie: hij was geheel met onkruid begroeid, De grond met distels bedekt, En de stenen muur lag in puin.
32我看见就留心思想; 我看着就领了训诲。
32Toen ik dat zag, nam ik het ter harte; Toen ik dat merkte, heb ik er deze les uit getrokken:
33再睡片时,打盹片时, 抱着手躺卧片时,
33Nog even slapen, nog even soezen, Nog even in bed de handen over elkaar;
34你的贫穷就必如强盗速来, 你的缺乏仿佛拿兵器的人来到。
34Dan overvalt u de armoe als een zwerver, Het gebrek als een rover.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.