诗篇 1
Chinese Union Version, punctuated (Simplified)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1不从恶人的计谋, 不站罪人的道路, 不坐亵慢人的座位,
1Gelukkig de man, Die de raad der goddelozen niet volgt, Niet de weg der zondaars betreedt, Niet neerzit in de kring van de spotters;
2惟喜爱耶和华的律法, 昼夜思想, 这人便为有福!
2Maar die zijn vreugde vindt in Jahweh’s wet, En dag en nacht zijn wet overweegt.
3他要像一棵树栽在溪水旁, 按时候结果子, 叶子也不枯干。 凡他所做的尽都顺利。
3Hij is als een boom, aan stromend water geplant, Die zijn vrucht geeft op tijd, Waarvan het blad niet verwelkt: Al wat hij doet zal gedijen.
4恶人并不是这样, 乃像糠秕被风吹散。
4De goddelozen zal het heel anders gaan: Als kaf opgejaagd door de wind!
5因此,当审判的时候、恶人必站立不住; 罪人在义人的会中也是如此。
5Daarom houden de bozen het bij het oordeel niet uit, De zondaars niet in de gemeenschap der vromen.
6因为耶和华知道义人的道路; 恶人的道路却必灭亡。
6Want Jahweh kent het pad der rechtvaardigen, Maar de weg der goddelozen loopt uit op verderf.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.