Wijsheid 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Hoort dan, koningen, en luistert, Geeft acht, gij, die geheel de aarde bestuurt;
1[Melior est sapientia quam vires, et vir prudens quam fortis.
2Leent uw oor, gij, die heerst over velen, En groot gaat op het getal uwer onderdanen!
2Audite ergo, reges, et intelligite; discite, judices finium terræ.
3Want uw macht werd u gegeven door den Heer, En uw heerschappij door den Allerhoogste. Hij zal uw daden nagaan en uw plannen doorvorsen;
3Præbete aures, vos qui continetis multitudines, et placetis vobis in turbis nationum.
4Want ofschoon gij dienaren van zijn koningschap zijt, Hebt gij niet recht geregeerd, niet de wet onderhouden, En niet gewandeld naar Gods wil.
4Quoniam data est a Domino potestas vobis, et virtus ab Altissimo: qui interrogabit opera vestra, et cogitationes scrutabitur.
5Vol verschrikking treedt Hij weldra tegen u op; Want hooggeplaatsten wacht een zeer streng gericht.
5Quoniam cum essetis ministri regni illius, non recte judicastis, nec custodistis legem justitiæ, neque secundum voluntatem Dei ambulastis.
6De mindere toch verdient vergeving en medelijden, Maar de meerdere wordt des te strenger gestraft.
6Horrende et cito apparebit vobis, quoniam judicium durissimum his qui præsunt fiet.
7Ja, Hij, die de Heer is van allen, vreest niemand, Voor geen grootheid is Hij beducht; Want groot en klein heeft Hij geschapen, Hij zorgt op gelijke wijze voor allen:
7Exiguo enim conceditur misericordia; potentes autem potenter tormenta patientur.
8Maar de machtigen wacht eens een streng onderzoek.
8Non enim subtrahet personam cujusquam Deus, nec verebitur magnitudinem ejus cujusquam, quoniam pusillum et magnum ipse fecit, et æqualiter cura est illi de omnibus.
9Tot u dus, vorsten, zijn mijn woorden gericht, Opdat gij wijsheid leert en niet ten val komt.
9Fortioribus autem fortior instat cruciatio.
10Want wie het heilige heilig behandelt, wordt heilig, En wie dit geleerd heeft, kan verantwoording geven.
10Ad vos ergo, reges, sunt hi sermones mei: ut discatis sapientiam, et non excidatis.
11Luistert dus gretig naar mijn woorden, Hoort ze verlangend aan; dan wordt gij wijs.
11Qui enim custodierint justa juste, justificabuntur; et qui didicerint ista, invenient quid respondeant.
12Schoon is de wijsheid, nimmer verwelkt zij; Wie haar beminnen, krijgen haar gemakkelijk te zien. Wie haar zoeken, zullen haar vinden;
12Concupiscite ergo sermones meos; diligite illos, et habebitis disciplinam.
13Zij voorkomt zelfs die wens, en vertoont zich het eerst.
13Clara est, et quæ numquam marcescit, sapientia: et facile videtur ab his qui diligunt eam, et invenitur ab his qui quærunt illam.
14Wie vroeg om haar opstaat, behoeft zich niet te vermoeien; Want hij vindt haar zitten voor zijn deur.
14Præoccupat qui se concupiscunt, ut illis se prior ostendat.
15Naar haar te verlangen is het toppunt van doorzicht, En wie zich geen slaap om haar gunt, is dra zonder zorgen;
15Qui de luce vigilaverit ad illam non laborabit; assidentem enim illam foribus suis inveniet.
16Want zelf gaat zij rond en zoekt, wie haar waard zijn, Vertoont zich vriendelijk aan hen op hun wegen, En treedt hun tegemoet bij iedere gedachte.
16Cogitare ergo de illa sensus est consummatus, et qui vigilaverit propter illam cito securus erit.
17Want haar aanvang is oprecht verlangen naar tucht,
17Quoniam dignos se ipsa circuit quærens, et in viis ostendit se hilariter, et in omni providentia occurrit illis.
18En verlangen naar tucht is liefde; Liefde is het onderhouden van haar geboden, Het onderhouden der geboden onderpand van onsterfelijkheid,
18Initium enim illius verissima est disciplinæ concupiscentia.
19En onsterfelijkheid brengt in de nabijheid van God:
19Cura ergo disciplinæ dilectio est, et dilectio custodia legum illius est; custoditio autem legum consummatio incorruptionis est;
20Zo voert het verlangen naar wijsheid tot het koningschap!
20incorruptio autem facit esse proximum Deo.
21Als dus tronen en schepters u behagen, vorsten der volken, Eert dan de wijsheid, om voor eeuwig koning te zijn.
21Concupiscentia itaque sapientiæ deducit ad regnum perpetuum.
22Ik wil u verkonden, wat wijsheid is, en hoe zij ontstond; Ik wil u niet haar geheimen verbergen, Maar haar spoor volgen sinds het begin van haar wording; Ik wil haar kennis aan het licht doen treden, En in geen enkel opzicht de waarheid voorbijgaan.
22Si ergo delectamini sedibus et sceptris, o reges populi, diligite sapientiam, ut in perpetuum regnetis:
23Ik wil mij ook niet laten leiden door verterende afgunst, Want die gaat met wijsheid niet samen;
23diligite lumen sapientiæ, omnes qui præestis populis.]
24Maar een groot getal wijzen is de redding der wereld, En een verstandig vorst de welvaart van zijn volk.
24[Quid est autem sapientia, et quemadmodum facta sit, referam, et non abscondam a vobis sacramenta Dei: sed ab initio nativitatis investigabo, et ponam in lucem scientiam illius, et non præteribo veritatem.
25Laat u dus door mijn woorden onderrichten, En gij zult er uw voordeel bij vinden.
25Neque cum invidia tabescente iter habebo, quoniam talis homo non erit particeps sapientiæ.
no verse 26 in this text
26Multitudo autem sapientium sanitas est orbis terrarum, et rex sapiens stabilimentum populi est.
no verse 27 in this text
27Ergo accipite disciplinam per sermones meos, et proderit vobis.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.