Wijsheid 18
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Maar voor uw heiligen was het volop licht! En toen de anderen hun stem vernamen, zonder hen zelf te zien, Prezen ze hen gelukkig, ondanks hun lijden van vroeger;
1[Sanctis autem tuis maxima erat lux, et horum quidem vocem audiebant, sed figuram non videbant. Et quia non et ipsi eadem passi erant, magnificabant te;
2Ze waren verheugd, dat men het geleden onrecht niet wreekte, En vroegen vergiffenis voor hun vroegere vijandschap.
2et qui ante læsi erant, quia non lædebantur, gratias agebant, et ut esset differentia, donum petebant.
3Gij gaaft hùn daarentegen een vurige zuil, Als gids voor de onbekende tocht, En als een onschadelijke zon voor de roemvolle reis.
3Propter quod ignis ardentem columnam ducem habuerunt ignotæ viæ, et solem sine læsura boni hospitii præstitisti.
4Want de anderen hadden verdiend, van het licht te worden beroofd, En in duisternis gevangen te blijven, Omdat ze uw kinderen in boeien hadden geklonken, Door wie het onvergankelijk licht van de Wet Aan de wereld moest worden geschonken.
4Digni quidem illi carere luce, et pati carcerem tenebrarum, qui inclusos custodiebant filios tuos, per quos incipiebat incorruptum legis lumen sæculo dari.]
5Ze hadden besloten, de kinderen der heiligen te doden; Maar één kind werd te vondeling gelegd en gered. Gij hebt hen, tot straf, van een menigte kinderen beroofd, En ze allen tezamen in het bruisende water verdelgd.
5[Cum cogitarent justorum occidere infantes, et uno exposito filio et liberato, in traductionem illorum, multitudinem filiorum abstulisti, et pariter illos perdidisti in aqua valida.
6Aan onze vaderen was die nacht tevoren aangekondigd, Opdat zij wel zouden weten, op welke eed zij hadden vertrouwd, En vol goede moed zouden zijn.
6Illa enim nox ante cognita est a patribus nostris, ut vere scientes quibus juramentis crediderunt, animæquiores essent.
7Zo werd de redding van de rechtvaardigen En de ondergang van den vijand door uw volk verwacht.
7Suscepta est autem a populo tuo sanitas quidem justorum, injustorum autem exterminatio.
8Ja, door de straf, die Gij over uw tegenstanders deedt komen, Hebt Gij òns geroepen en verheerlijkt.
8Sicut enim læsisti adversarios, sic et nos provocans magnificasti.
9Want terwijl de heilige kinderen der vromen heimelijk offerden, Stelden zij eensgezind vast als goddelijke wet, Dat de heiligen gelijkelijk geluk en gevaar zouden delen, En hieven zij reeds het loflied der vaderen aan.
9Absconse enim sacrificabant justi pueri bonorum, et justitiæ legem in concordia disposuerunt; similiter et bona et mala recepturos justos, patrum jam decantantes laudes.
10Maar daar klonk als een wanklank het geklaag van den vijand, En weergalmde hun geschrei om het betreurde kind!
10Resonabat autem inconveniens inimicorum vox, et flebilis audiebatur planctus ploratorum infantium.
11Knecht en heer werden getroffen door dezelfde straf, Onderdaan en vorst droegen hetzelfde leed;
11Simili autem pœna servus cum domino afflictus est, et popularis homo regi similia passus.
12Allen zonder onderscheid, en door een en dezelfde dood, Hadden lijken zonder tal. Ja, de levenden waren niet toereikend, om ze te begraven, Daar het edelste van hun kroost door één slag was verdelgd;
12Similiter ergo omnes, uno nomine mortis, mortuos habebant innumerabiles: nec enim ad sepeliendum vivi sufficiebant, quoniam uno momento quæ erat præclarior natio illorum exterminata est.
13En die om hun toverkunsten bij alles ongelovig waren gebleven, Moesten bij de dood der eerstgeborenen erkennen, Dat dit volk de zoon was van God!
13De omnibus enim non credentes, propter veneficia; tunc vero primum cum fuit exterminium primogenitorum, spoponderunt populum Dei esse.
14Want terwijl een diepe stilte alles omgaf, En de nacht was voortgeijld tot de helft van zijn baan,
14Cum enim quietum silentium contineret omnia, et nox in suo cursu medium iter haberet,
15Sprong uw alvermogend woord van uw koningstroon in de hemel Als een grimmig krijgsman midden in het land van verderf,
15omnipotens sermo tuus de cælo, a regalibus sedibus, durus debellator in mediam exterminii terram prosilivit,
16En droeg als een scherpe degen uw onherroepelijk bevel. Daar stond het; overal verspreidde het de dood, En terwijl het over de aarde schreed, reikte het tot de hemel.
16gladius acutus insimulatum imperium tuum portans: et stans, replevit omnia morte, et usque ad cælum attingebat stans in terra.
17Toen werden ze plotseling door vreselijke dromen verschrikt; Onverwachte angsten stortten zich over hen uit.
17Tunc continuo visus somniorum malorum turbaverunt illos, et timores supervenerunt insperati.
18Hier viel de een half dood neer, daar de ander, En deed de oorzaak van zijn sterven nog kennen:
18Et alius alibi projectus semivivus, propter quam moriebatur causam demonstrabat mortis.
19Want de dromen, die hen verschrikten, Hadden het hun gemeld, Opdat ze de dood niet zouden vinden, Zonder te weten, waarom dat onheil hen trof.
19Visiones enim quæ illos turbaverunt hæc præmonebant, ne inscii quare mala patiebantur perirent.
20Zeker, ook over de gerechten kwam de beproeving des doods, Een slachting onder het volk in de woestijn; Maar toen duurde uw gramschap niet lang.
20Tetigit autem tunc et justos tentatio mortis, et commotio in eremo facta est multitudinis: sed non diu permansit ira tua.
21Want snel sprong een onberispelijk man voor hen in de bres, Met het wapen, aan zijn ambt verbonden: Gebed en verzoenend wierookoffer. Hij weerstond de toorn, maakte een einde aan de plaag, En toonde, dat hij uw dienaar was.
21Prosperans enim homo sine querela deprecari pro populis, proferens servitutis suæ scutum, orationem et per incensum deprecationem allegans, restitit iræ, et finem imposuit necessitati, ostendens quoniam tuus est famulus.
22Het was niet door lichaamskracht, dat hij de toorn bedwong, Noch door geweld van wapenen; Maar door zijn woord hield hij den bestraffer tegen, Door te herinneren aan de eed en het verbond met de vaderen.
22Vicit autem turbas non in virtute corporis, nec armaturæ potentia: sed verbo illum qui se vexabat subjecit, juramenta parentum et testamentum commemorans.
23Want toen de lijken reeds bij hopen op elkander lagen, Trad hij er tussen, weerde de gramschap af, En versperde haar de weg naar hen, die nog leefden;
23Cum enim jam acervatim cecidissent super alterutrum mortui, interstitit, et amputavit impetum, et divisit illam quæ ad vivos ducebat viam.
24Want hij droeg heel de wereld op zijn opperkleed; Op vier rijen stenen stond de roem der vaderen gegrift, En op de diadeem van zijn hoofd uw Majesteit
24In veste enim poderis quam habebat, totus erat orbis terrarum; et parentum magnalia in quatuor ordinibus lapidum erant sculpta, et magnificentia tua in diademate capitis illius sculpta erat.
25Hiervoor week de verdelger terug, hiervoor had hij ontzag; Want de proeve van uw gramschap was reeds genoeg.
25His autem cessit qui exterminabat, et hæc extimuit: erat enim sola tentatio iræ sufficiens.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.