Wijsheid 15
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Maar Gij, onze God, zijt goedertieren en trouw; Lankmoedig en vol ontferming bestuurt Gij het heelal.
1[Tu autem, Deus noster, suavis et verus es, patiens, et in misericordia disponens omnia.
2Wij zijn van U; zondigen wij ook, wij erkennen uw macht! Maar wij willen niet zondigen, wetende, dat wij U toebehoren!
2Etenim si peccaverimus, tui sumus, scientes magnitudinem tuam; et si non peccaverimus, scimus quoniam apud te sumus computati.
3Want U kennen is volmaakte gerechtigheid, Uw macht beseffen de wortel der onsterfelijkheid.
3Nosse enim te, consummata justitia est; et scire justitiam et virtutem tuam, radix est immortalitatis.
4Neen, ons heeft geen bedriegelijk uitvindsel van mensen misleid, Noch de nutteloze arbeid van schilders; Geen beeld met bonte kleuren besmeerd,
4Non enim in errorem induxit nos hominum malæ artis excogitatio, nec umbra picturæ labor sine fructu, effigies sculpta per varios colores:
5Dat door zijn aanblik den dwaas verleidt, Om de dode gestalte te minnen van een levenloos beeld.
5cujus aspectus insensato dat concupiscentiam, et diligit mortuæ imaginis effigiem sine anima.
6Minnaars der boosheid en waard op zo iets te hopen Zijn zij, die ze maken, en die ze liefde en eerbied betonen.
6Malorum amatores digni sunt qui spem habeant in talibus, et qui faciunt illos, et qui diligunt, et qui colunt.]
7Een pottebakker bijvoorbeeld kneedt moeizaam de weke klei, En vormt ten onzen gerieve allerlei vaten. Uit hetzelfde leem vormt hij zonder verschil De vaten, die dienen voor een eerzaam gebruik, Maar ook, die voor iets anders bedoeld zijn; En welke bestemming elk van beide zal vinden, Het is de pottebakker, die het beslist.
7[Sed et figulus mollem terram premens, laboriose fingit ad usus nostros unumquodque vas; et de eodem luto fingit quæ munda sunt in usum vasa, et similiter quæ his sunt contraria: horum autem vasorum quis sit usus, judex est figulus.
8Met onzalige ijver maakt hij uit dezelfde klei een nietigen god: Hij, die kort geleden zelf uit aarde ontstond, En binnenkort terugkeert naar haar, waaruit hij werd genomen, Als de ziel, die hij te leen kreeg, wordt teruggevorderd.
8Et cum labore vano deum fingit de eodem luto ille qui paulo ante de terra factus fuerat, et post pusillum reducit se unde acceptus est, repetitus animæ debitum quam habebat.
9Maar hij denkt er niet aan, dat hij eens zal verdwijnen, En dat hij een kortstondig leven heeft. Neen, hij wil zich met goud- en zilversmeden meten, Bootst den koperslager na, En gaat er nog groot op, dat hij namaak levert.
9Sed cura est illi non quia laboraturus est, nec quoniam brevis illi vita est: sed concertatur aurificibus et argentariis; sed et ærarios imitatur, et gloriam præfert, quoniam res supervacuas fingit.
10Zijn hart is enkel as, Nietiger nog dan zand zijn hoop; Zijn leven is nog minder waard dan het leem.
10Cinis est enim cor ejus, et terra supervacua spes illius, et luto vilior vita ejus:
11Want hij miskent Hem, die hem maakte, Die hem een werkzame geest inblies, En een levende ziel in hem plantte.
11quoniam ignoravit qui se finxit, et qui inspiravit illi animam quæ operatur, et qui insufflavit ei spiritum vitalem.
12Ja, hij beschouwt ons leven als een spel, Ons bestaan als een winstgevende kermis; Uit alles, zelfs uit het kwaad, meent hij voordeel te moeten trekken.
12Sed et æstimaverunt ludum esse vitam nostram, et conversationem vitæ compositam ad lucrum, et oportere undecumque etiam ex malo acquirere.
13Toch weet hij beter nog dan anderen, dat hij zondigt, Als hij uit stof der aarde broze potten en beelden maakt.
13Hic enim scit se super omnes delinquere, qui ex terræ materia fragilia vasa et sculptilia fingit.
14Grote dwazen zijn zij allen, erger nog dan een kind, De vijanden van uw volk, die het hebben verdrukt.
14Omnes enim insipientes, et infelices supra modum animæ superbi, sunt inimici populi tui, et imperantes illi:
15Want alle goden der heidenen houden zij voor god, Ofschoon die hun ogen niet kunnen gebruiken, om te zien, Hun neus niet, om lucht in te ademen, Hun oren niet, om te horen, De vingers van hun handen niet, om te tasten, En wier voeten niet in staat zijn, om te gaan.
15quoniam omnia idola nationum deos æstimaverunt, quibus neque oculorum usus est ad videndum, neque nares ad percipiendum spiritum, neque aures ad audiendum, neque digiti manuum ad tractandum, sed et pedes eorum pigri ad ambulandum.
16Want het is een mens, die ze heeft gemaakt; Eén, die zelf de geest in leen kreeg, heeft ze gevormd. Ja, een mens vermag niet eens, een god te maken, aan zich gelijk:
16Homo enim fecit illos; et qui spiritum mutuatus est, is finxit illos. Nemo enim sibi similem homo poterit deum fingere.
17Zelf sterfelijk, maakt hij met snode handen een levenloos ding; Maar zelf is hij beter, dan dat wat hij aanbidt, Want hij bezit het leven, dat andere niet!
17Cum enim sit mortalis, mortuum fingit manibus iniquis. Melior enim est ipse his quos colit, quia ipse quidem vixit, cum esset mortalis, illi autem numquam.]
18Zelfs vereren zij de afschuwelijkste beesten, Die door hun domheid nog lager staan dan de anderen,
18[Sed et animalia miserrima colunt; insensata enim comparata his, illis sunt deteriora.
19Die niet mooi genoeg zijn, om er van te houden, Zoals dat bij het zien van dieren mogelijk is: Maar aan wie Gods lofspraak en zegen zijn ontgaan.
19Sed nec aspectu aliquis ex his animalibus bona potest conspicere: effugerunt autem Dei laudem et benedictionem ejus.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.