Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Maar tegen de goddelozen woedde de gramschap Meedogenloos ten einde toe. Want Hij wist reeds tevoren, hoe ze zich zouden gedragen:
1[Impiis autem usque in novissimum sine misericordia ira supervenit. Præsciebat enim et futura illorum:
2Hoe ze hun eerst zouden toestaan, weg te trekken, Zelfs zouden aandringen, heen te gaan, Maar dan, door spijt gedreven, hen zouden vervolgen.
2quoniam cum ipsi permisissent ut se educerent, et cum magna sollicitudine præmisissent illos, consequebantur illos, pœnitentia acti.
3Ja, nog waren ze bezig met rouwbetoon, Nog klaagden ze hun leed aan het graf van hun doden, Of ze namen reeds een ander, een dwaas besluit, En gingen als vluchtelingen achtervolgen, Die zij hadden gesmeekt om heen te gaan.
3Adhuc enim inter manus habentes luctum, et deplorantes ad monumenta mortuorum, aliam sibi assumpserunt cogitationem inscientiæ, et quos rogantes projecerant, hos tamquam fugitivos persequebantur.
4Want een welverdiend noodlot dreef hen tot dit uiterste, En deed hen vergeten, wat er gebeurd was: Zij moesten de straf ten volle ondergaan, Die nog aan hun kwelling ontbrak;
4Ducebat enim illos ad hunc finem digna necessitas; et horum quæ acciderant commemorationem amittebant, ut quæ deerant tormentis repleret punitio:
5Maar uw volk moest een wondere doortocht bekomen, Terwijl de anderen een ongewone dood zouden vinden.
5et populus quidem tuus mirabiliter transiret, illi autem novam mortem invenirent.
6Want heel de schepping werd in haar natuur hervormd, Om dienstbaar te zijn aan uw bevelen, Opdat uw kinderen zonder letsel zouden worden behouden.
6Omnis enim creatura ad suum genus ab initio refigurabatur, deserviens tuis præceptis, ut pueri tui custodirentur illæsi.
7De wolk overschaduwde hun legerplaats, Droog land zag men oprijzen, waar vroeger water was: Een heerbaan zonder hindernis door de Rode Zee, Een groenend veld uit de geweldige vloed!
7Nam nubes castra eorum obumbrabat, et ex aqua quæ ante erat, terra arida apparuit, et in mari Rubro via sine impedimento, et campus germinans de profundo nimio:
8Heel het volk trok er doorheen, Beschermd door uw hand, En aanschouwde vol verbazing uw wonderen.
8per quem omnis natio transivit quæ tegebatur tua manu, videntes tua mirabilia et monstra.
9Want zij waren als paarden, die ter weide gaan, Als huppelende lammeren, En loofden U, Heer, die hen had gered.
9Tamquam enim equi depaverunt escam, et tamquam agni exsultaverunt, magnificantes te, Domine, qui liberasti illos.
10Zo dachten zij terug aan wat in het vreemde land was gebeurd: Hoe niet uit levende wezens, maar uit de aarde muggen kwamen, Hoe niet de waterdieren, maar de Nijl kikvorsen spuwde.
10Memores enim erant adhuc eorum quæ in incolatu illorum facta fuerant: quemadmodum pro natione animalium eduxit terra muscas, et pro piscibus eructavit fluvius multitudinem ranarum.
11Later zagen zij ook vogels op nieuwe wijze ontstaan, Toen zij uit zinnelust om lekkere spijzen vroegen;
11Novissime autem viderunt novam creaturam avium, cum, adducti concupiscentia, postulaverunt escas epulationis.
12Want om hun lust te voldoen, stegen er kwakkels op uit de zee.
12In allocutione enim desiderii ascendit illis de mari ortygometra: et vexationes peccatoribus supervenerunt, non sine illis quæ ante facta erant argumentis per vim fulminum: juste enim patiebantur secundum suas nequitias.]
13En de straffen kwamen niet over de zondaars Zonder voorafgaande tekenen door felle bliksems. Het was immers billijk, dat ze leden voor hun boze daden, Daar ze de vreemdelingen vreselijk hadden gehaat.
13[Etenim detestabiliorem inhospitalitatem instituerunt: alii quidem ignotos non recipiebant advenas; alii autem bonos hospites in servitutem redigebant.
14Want terwijl anderen slechts onbekenden gastvrijheid weigerden, Hadden zij gasten, die weldoeners waren, tot slaven gemaakt.
14Et non solum hæc, sed et alius quidam respectus illorum erat, quoniam inviti recipiebant extraneos.
15Bovendien, voor de anderen is er nog een zekere verschoning, Daar zij de vreemdelingen aanstonds vijandig ontvingen;
15Qui autem cum lætitia receperunt hos qui eisdem usi erant justitiis, sævissimis afflixerunt doloribus.
16Maar dezen namen hen eerst met vreugde op, En gaven hun dezelfde rechten, Doch verdrukten hen later met slavenwerk.
16Percussi sunt autem cæcitate: sicut illi in foribus justi, cum subitaneis cooperti essent tenebris, unusquisque transitum ostii sui quærebat.
17Daarom werden ook zij als met blindheid geslagen, Zoals die anderen aan de deur van den rechtvaardige, Toen ieder, in dichte duisternis gehuld, De toegang zocht naar zijn eigen deur.
17In se enim elementa dum convertuntur, sicut in organo qualitatis sonus immutatur, et omnia suum sonum custodiunt: unde æstimari ex ipso visu certo potest.
18Zo toonden de elementen zich telkens weer anders, Zoals bij een citer de tonen de aard van het rythme veranderen, Al behouden zij altijd dezelfde klank; Uit de feiten kan men dat duidelijk zien.
18Agrestia enim in aquatica convertebantur, et quæcumque erant natantia, in terram transibant.
19Want landdieren werden veranderd in waterdieren, En zwemmende dieren kwamen over het land;
19Ignis in aqua valebat supra suam virtutem, et aqua extinguentis naturæ obliviscebatur.
20Het vuur kreeg in het water nog groter kracht, En het water vergat zijn macht, om te blussen.
20Flammæ e contrario corruptibilium animalium non vexaverunt carnes coambulantium, nec dissolvebant illam, quæ facile dissolvebatur sicut glacies, bonam escam. In omnibus enim magnificasti populum tuum, Domine, et honorasti, et non despexisti, in omni tempore et in omni loco assistens eis.]
21Daarentegen werd het vlees van tengere dieren Niet verzengd door de vlammen, waarin zij rondliepen, Noch het hemels voedsel gesmolten, Dat makkelijk wegdooit als ijs.
no verse 21 in this text
22Want Gij, Heer, hebt uw volk In alles groot gemaakt en verheerlijkt; Gij hebt het nimmer verlaten, Maar altijd en overal geholpen!
no verse 22 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.