Wijsheid 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Zij heeft den eerstgeschapen vader der wereld Reeds bescherming verleend, toen hij nog alleen was. Ook uit zijn zondeval heeft zij hem gered,
1[Hæc illum qui primus formatus est a Deo patre orbis terrarum, cum solus esset creatus, custodivit,
2En hem de kracht geschonken, om over alles te heersen.
2et eduxit illum a delicto suo, et dedit illi virtutem continendi omnia.
3Maar toen een ongerechte in zijn toorn van haar afviel, Kwam hij om door de woede, waarin hij zijn broeder doodde.
3Ab hac ut recessit injustus in ira sua, per iram homicidii fraterni deperiit.
4En toen om hem de vloed kwam over de aarde, Bracht de wijsheid weer redding, En loodste den rechtvaardige op nietig hout er doorheen.
4Propter quem cum aqua deleret terram, sanavit iterum sapientia, per contemptibile lignum justum gubernans.
5Nadat de volken verspreid waren om de algemene boosheid, Vond zij den gerechte, bewaarde hem voor God zonder smet, En deed hem standvastig blijven, ondanks de liefde voor zijn kind.
5Hæc et in consensu nequitiæ, cum se nationes contulissent, scivit justum, et conservavit sine querela Deo, et in filii misericordia fortem custodivit.
6Zij redde den rechtvaardige, bij de ondergang der zondaars, Toen hij het vuur ontvluchtte, dat op de vijf steden neerkwam.
6Hæc justum a pereuntibus impiis liberavit fugientem, descendente igne in Pentapolim:
7Daar bevindt zich nog altijd als teken der boosheid Een altijd dampende woestenij, Met planten, die op verkeerde tijden vruchten dragen, En een hoge zoutzuil als herinnering aan een ongelovige vrouw.
7quibus in testimonium nequitiæ fumigabunda constat deserta terra, et incerto tempore fructus habentes arbores: et incredibilis animæ memoria stans figmentum salis.
8Want zij, die de weg der wijsheid hadden verlaten, Verloren niet alleen de kennis van het goede, Maar lieten de wereld ook een herinnering na aan hun dwaasheid, Opdat niet verborgen zou blijven, wat zij hebben misdreven.
8Sapientiam enim prætereuntes, non tantum in hoc lapsi sunt ut ignorarent bona, sed et insipientiæ suæ reliquerunt hominibus memoriam, ut in his quæ peccaverunt nec latere potuissent.
9Maar wie de wijsheid dienden, heeft zij uit kwelling gered.
9Sapientia autem hos qui se observant a doloribus liberavit.
10Toen de rechtvaardige vluchtte voor de toorn van zijn broeder, Heeft zij hem langs veilige wegen geleid; Zij heeft hem het rijk van God laten zien, En hem kennis van het heilige geschonken. Zij maakte hem rijk bij zijn moeitevol werk, En schonk hem overvloedige vrucht van zijn arbeid;
10Hæc profugum iræ fratris justum deduxit per vias rectas, et ostendit illi regnum Dei, et dedit illi scientiam sanctorum; honestavit illum in laboribus, et complevit labores illius.
11Zij stond hem ter zijde tegen de hebzucht van zijn verdrukkers, Zij was het, die hem rijkdom schonk.
11In fraude circumvenientium illum affuit illi, et honestum fecit illum.
12Zij beschermde hem tegen zijn vijanden, En beschutte hem tegen zijn belagers; Bij een felle strijd schonk zij hem de overwinning, Opdat hij zou weten, dat vroomheid alles in kracht overtreft.
12Custodivit illum ab inimicis, et a seductoribus tutavit illum: et certamen forte dedit illi ut vinceret, et sciret quoniam omnium potentior est sapientia.
13Zij liet den rechtvaardige, die verkocht was, niet in de steek, Maar bewaarde hem voor de zonde; Zij daalde met hem in de kerker af,
13Hæc venditum justum non dereliquit, sed a peccatoribus liberavit eum; descenditque cum illo in foveam,
14En liet hem in zijn boeien niet alleen. Ja, zij verschafte hem een koningsschepter En macht over hen, die eerst hem verdrukten; Zij bewees, dat zijn aanklagers leugenaars waren, En verleende hem eeuwige roem.
14et in vinculis non dereliquit illum, donec afferret illi sceptrum regni, et potentiam adversus eos qui eum deprimebant: et mendaces ostendit qui maculaverunt illum, et dedit illi claritatem æternam.]
15Zij heeft een heilige natie, een geslacht zonder smet, Bevrijd van het volk der verdrukkers;
15[Hæc populum justum et semen sine querela liberavit a nationibus quæ illum deprimebant.
16Zij ging binnen in de ziel van den dienaar des Heren, En weerstond schrikwekkende vorsten met tekenen en wonderen.
16Intravit in animam servi Dei, et stetit contra reges horrendos in portentis et signis.
17Zij verschafte de heiligen het loon voor hun zwoegen, En geleidde hen langs een wondere weg; Overdag werd zij voor hen een beschutting, En 's nachts als het licht van de sterren.
17Et reddidit justis mercedem laborum suorum, et deduxit illos in via mirabili: et fuit illis in velamento diei, et in luce stellarum per noctem;
18Zij voerde hen door de Rode Zee En geleidde hen over het grote water;
18transtulit illos per mare Rubrum, et transvexit illos per aquam nimiam.
19Maar hun vijanden liet zij verdrinken, En spoelde uit de diepte der zee hen weer aan. Zo hebben de rechtvaardigen de zondaars geplunderd.
19Inimicos autem illorum demersit in mare, et ab altitudine inferorum eduxit illos. Ideo justi tulerunt spolia impiorum,
20Zij bezongen, o Heer, uw heilige Naam, En prezen eenstemmig uw hand, die hier streed;
20et decantaverunt, Domine, nomen sanctum tuum, et victricem manum tuam laudaverunt pariter:
21Want de wijsheid opende de mond van de stommen, En maakte de tong van de kleinen welsprekend.
21quoniam sapientia aperuit os mutorum, et linguas infantium fecit disertas.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.