Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Ja, groot zijn uw gerichten, en niet te doorgronden; Daarom vervielen die kortzichtige mensen in dwaling.
1[Magna sunt enim judicia tua, Domine, et inenarrabilia verba tua: propter hoc indisciplinatæ animæ erraverunt.
2Want die goddelozen meenden, het heilige volk te verdrukken; Maar in duisternis gebonden, in lange nacht gekluisterd, Lagen ze onder eigen dak gevangen, Verstoken van de eeuwige Voorzienigheid.
2Dum enim persuasum habent iniqui posse dominari nationi sanctæ, vinculis tenebrarum et longæ noctis compediti, inclusi sub tectis, fugitivi perpetuæ providentiæ jacuerunt.
3Want terwijl ze zich verborgen waanden met hun heimelijke zonden. Onder een donkere sluier van vergetelheid, Werden ze uiteengejaagd en hevig beangstigd, Door allerlei schrikbeelden ontsteld;
3Et dum putant se latere in obscuris peccatis, tenebroso oblivionis velamento dispersi sunt, paventes horrende, et cum admiratione nimia perturbati.
4De schuilhoek, die hen verborg, behoedde hen niet voor vrees, Maar angstige geluiden drongen van alle kant tot hen door, En sombere spoken doemden op met trieste gezichten.
4Neque enim quæ continebat illos spelunca sine timore custodiebat, quoniam sonitus descendens perturbabat illos, et personæ tristes illis apparentes pavorem illis præstabant.
5Geen vuur had kracht genoeg, om licht te geven; Zelfs de sterren met haar helder geflikker Konden die sombere nacht niet verlichten.
5Et ignis quidem nulla vis poterat illis lumen præbere, nec siderum limpidæ flammæ illuminare poterant illam noctem horrendam.
6Slechts een vuur, dat van zelf ontstond, gaf hun af en toe licht; Dan schrokken zij op, maar als dat licht weer verdween, Leek hun, wat zij hadden gezien, nog erger.
6Apparebat autem illis subitaneus ignis, timore plenus; et timore perculsi illius quæ non videbatur faciei, æstimabant deteriora esse quæ videbantur.
7Daar lagen nu de listen van hun toverkunst; Het pochen op hun kennis liep uit op schande.
7Et magicæ artis appositi erant derisus, et sapientiæ gloriæ correptio cum contumelia.
8Want zij, die angst en vrees uit zieken beloofden te bannen, Waren nu zelf ziek van belachelijke angst.
8Illi enim qui promittebant timores et perturbationes expellere se ab anima languente, hi cum derisu pleni timore languebant.
9Want als er niets angstigs was, dat hen verschrikte, Dan werden ze opgejaagd door het kruipen van wormen Of het sissen van slangen, en stierven van angst, En durfden niet kijken naar de lucht, die men nergens ontloopt.
9Nam etsi nihil illos ex monstris perturbabat, transitu animalium et serpentium sibilatione commoti, tremebundi peribant, et aërem quem nulla ratione quis effugere posset, negantes se videre.
10Want de boosheid toont zich laf en veroordeelt zichzelf; Altijd ducht ze gevaren, door het eigen geweten gekweld.
10Cum sit enim timida nequitia, dat testimonium condemnationis: semper enim præsumit sæva, perturbata conscientia:
11Vrees toch is niets anders dan het prijsgeven Van de hulpmiddelen, die het overleg ons kan bieden.
11nihil enim est timor nisi proditio cogitationis auxiliorum.
12En al is soms inwendig de angst niet zo groot, Men voelt hem erger, als men de oorzaak der kwelling niet kent.
12Et dum ab intus minor est exspectatio, majorem computat inscientiam ejus causæ, de qua tormentum præstat.
13Anderen weer, die in de werkelijk ondragelijke nacht, Welke uit de boezem van de ondragelijke hel was ontglipt, In hun gewone sluimer lagen gedompeld,
13Illi autem qui impotentem vere noctem, et ab infimis et ab altissimis inferis supervenientem, eumdem somnum dormientes,
14Werden ofwel door wonderlijke beelden gepijnigd, Of door vertwijfeling verlamd, Of door een plotselinge en onverwachte angst overvallen.
14aliquando monstrorum exagitabantur timore, aliquando animæ deficiebant traductione: subitaneus enim illis et insperatus timor supervenerat.
15Zo zonk toen iedereen neer, waar hij was, Gevangen en opgesloten in een kerker zonder boeien.
15Deinde si quisquam ex illis decidisset, custodiebatur in carcere sine ferro reclusus.
16Want of hij landman was of herder, Of werkman, zwoegend in de eenzaamheid: Onverhoeds werd hij door de onafwendbare ramp overvallen; Door dezelfde boeien van duisternis werden allen gekneveld.
16Si enim rusticus quis erat, aut pastor, aut agri laborum operarius præoccupatus esset, ineffugibilem sustinebat necessitatem;
17En was het nu het suizen van de wind, Of het zoet gekweel van vogels op lommerrijke takken, Of het bruisen van onstuimig stromend water, Of het donderend geraas van neervallende stenen,
17una enim catena tenebrarum omnes erant colligati. Sive spiritus sibilans, aut inter spissos arborum ramos avium sonus suavis, aut vis aquæ decurrentis nimium,
18Of het onzichtbare lopen van huppelende dieren, Of het luid gehuil van brullende wilde beesten, Of een echo, die weerkaatste tegen de helling der bergen: Het sloeg ze lam van schrik.
18aut sonus validus præcipitatarum petrarum, aut ludentium animalium cursus invisus, aut mugientium valida bestiarum vox, aut resonans de altissimis montibus echo: deficientes faciebant illos præ timore.
19Want terwijl heel de wereld straalde in helder licht, En ongestoord zich bezighield met allerlei werk,
19Omnis enim orbis terrarum limpido illuminabatur lumine, et non impeditis operibus continebatur.
20Lag over hen alleen een donkere nacht gespreid: Een beeld der duisternis, die hen eens zal opnemen. Toch hadden ze meer last van zichzelf dan van de duisternis.
20Solis autem illis superposita erat gravis nox, imago tenebrarum quæ superventura illis erat: ipsi ergo sibi erant graviores tenebris.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.