Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Want uw onsterfelijke geest is in alles,
1[O quam bonus et suavis est, Domine, spiritus tuus in omnibus !
2En daarom straft Gij de zondaars slechts matig; Gij houdt hun door die waarschuwing hun misdaad voor ogen, Opdat zij de zonde verlaten en U trouw blijven, Heer.
2Ideoque eos qui exerrant partibus corripis, et de quibus peccant admones et alloqueris, ut relicta malitia credant in te, Domine.]
3Ook de vroegere bewoners van uw heilig land
3[Illos enim antiquos inhabitatores terræ sanctæ tuæ, quos exhorruisti,
4Hebt Gij gehaat om hun schandelijk leven,
4quoniam odibilia opera tibi faciebant per medicamina et sacrificia injusta,
5Om hun toverkunst en afschuwelijke gebruiken: Het meedogenloos moorden van kinderen, Het eten van ingewanden, en vlees en bloed van mensen. Daarom hebt Gij die ingewijden uit hun festijnen weggerukt,
5et filiorum suorum necatores sine misericordia, et comestores viscerum hominum, et devoratores sanguinis a medio sacramento tuo,
6En de ouders, die eigenhandig hun arme kinderen doodden, Door de hand van onze vaderen willen verdelgen:
6et auctores parentes animarum inauxiliatarum, perdere voluisti per manus parentum nostrorum:
7Opdat het land, dat door U het hoogst wordt geschat, Een waardige bevolking zou opnemen van kinderen Gods.
7ut dignam perciperent peregrinationem puerorum Dei, quæ tibi omnium carior est terra.
8Toch hebt Gij ook hen, als mensen, genadig behandeld, En als voorlopers van uw leger horzels gezonden, Om hen slechts langzaam uit te roeien;
8Sed et his tamquam hominibus pepercisti, et misisti antecessores exercitus tui vespas, ut illos paulatim exterminarent.
9Al hadt Gij de zondaars in de krijg aan de gerechten kunnen overleveren, Of in eens verdelgen door grimmige dieren of een streng bevel.
9Non quia impotens eras in bello subjicere impios justis, aut bestiis sævis, aut verbo duro simul exterminare:
10Door niet in eens te straffen gaaft Gij hun tijd tot bekering, Ofschoon Gij wist, dat hun geslacht was bedorven, Dat de boosheid hun was aangeboren, En dat hun gezindheid in eeuwigheid niet zou veranderen,
10sed partibus judicans, dabas locum pœnitentiæ, non ignorans quoniam nequam est natio eorum, et naturalis malitia ipsorum, et quoniam non poterat mutari cogitatio illorum in perpetuum.
11Daar hun zaad was vervloekt van de aanvang af. Niet uit ontzag voor iemand gaaft Gij uitstel aan hun zondestraf;
11Semen enim erat maledictum ab initio; nec timens aliquem, veniam dabas peccatis illorum.
12Want wie zal durven zeggen: “Wat doet Gij?” Of wie zal zich verzetten tegen uw oordeel? Wie klaagt U aan, als Gij volken verdelgt, die Gij zelf hebt geschapen; Of wie treedt er tegen U op als verdediger van zondige mensen?
12Quis enim dicet tibi: Quid fecisti? aut quis stabit contra judicium tuum? aut quis in conspectu tuo veniet vindex iniquorum hominum? aut quis tibi imputabit, si perierint nationes quas tu fecisti?
13Er is geen God buiten U, die zorg draagt voor allen, En zo bewijst, dat Gij niet onrechtvaardig straft.
13Non enim est alius deus quam tu, cui cura est de omnibus, ut ostendas quoniam non injuste judicas judicium.
14Geen koning of vorst kan U rekenschap vragen over wien Gij kastijdt;
14Neque rex, neque tyrannus in conspectu tuo inquirent de his quos perdidisti.
15Maar omdat Gij rechtvaardig zijt, ordent Gij alles rechtvaardig. Wie geen straf verdient, straffen, Acht Gij in strijd met uw macht.
15Cum ergo sis justus, juste omnia disponis; ipsum quoque qui non debet puniri, condemnare, exterum æstimas a tua virtute.
16Want uw macht is de grond van uw rechtvaardigheid; En juist wijl Gij alles beheerst, wordt door U alles gespaard.
16Virtus enim tua justitiæ initium est, et ob hoc quod Dominus es, omnibus te parcere facis.
17Want Gij toont uw kracht slechts, als men uw almacht uitdaagt; Gij straft enkel wie ze kent, en toch overmoedig is.
17Virtutem enim ostendis tu, qui non crederis esse in virtute consummatus, et horum qui te nesciunt audaciam traducis.
18Maar hoe groot ook uw kracht is, Gij straft met zachtheid, En heerst over ons met grote toegevendheid; Want als Gij maar wilt, het kunnen ligt in uw macht.
18Tu autem dominator virtutis, cum tranquillitate judicas, et cum magna reverentia disponis nos: subest enim tibi, cum volueris posse.]
19Maar Gij hebt door zo te handelen uw volk willen leren, Dat menslievendheid een plicht is voor den rechtvaardige; En Gij hebt aan uw zonen de blijde hoop gegeven, Dat Gij na de zonden bekering schenkt.
19[Docuisti autem populum tuum per talia opera, quoniam oportet justum esse et humanum; et bonæ spei fecisti filios tuos, quoniam judicans das locum in peccatis pœnitentiæ.
20Want als Gij de vijanden uwer kinderen, die de dood verdienden, Zo behoedzaam en omzichtig gestraft hebt, Tijd en gelegenheid gegeven, om zich van het kwaad te bekeren:
20Si enim inimicos servorum tuorum, et debitos morti, cum tanta cruciasti attentione, dans tempus et locum per quæ possent mutari a malitia:
21Met welk een omzichtigheid zult Gij dan uw kinderen richten, Wier vaderen Gij onder eed en verbond de heerlijkste beloften hebt gegeven!
21cum quanta diligentia judicasti filios tuos, quorum parentibus juramenta et conventiones dedisti bonarum promissionum !
22Ons wijst Gij terecht, onze vijanden geselt Gij duizendmaal, Opdat wij, als wij straffen, aan uw goedheid zouden denken, En als wij gestraft worden, op barmhartigheid hopen.
22Cum ergo das nobis disciplinam, inimicos nostros multipliciter flagellas, ut bonitatem tuam cogitemus judicantes, et cum de nobis judicatur, speremus misericordiam tuam.
23Daarom ook hebt Gij de bozen, die in dwaasheid hun leven vergooiden, Door hun eigen gruwelen gefolterd.
23Unde et illis qui in vita sua insensate et injuste vixerunt, per hæc quæ coluerunt dedisti summa tormenta.
24Want ze waren op de ergste doolwegen afgedwaald, Door de meest verachte en afschuwelijke beesten als god te beschouwen, En zo zichzelf te misleiden als onnozele kinderen.
24Etenim in erroris via diutius erraverunt, deos æstimantes hæc quæ in animalibus sunt supervacua, infantium insensatorum more viventes.
25Daarom hebt Gij hun, als kinderen zonder verstand, Een straf gezonden, die hen bespottelijk maakte.
25Propter hoc tamquam pueris insensatis judicium in derisum dedisti.
26Maar wie na een kastijding met spot zich niet betert, Zal een straf ondergaan, die God waardig is.
26Qui autem ludibriis et increpationibus non sunt correcti, dignum Dei judicium experti sunt.
27Want in hun lijden, toen ze zich enkel maar ergerden Over hun waangoden, waarmee ze werden gekweld, Hadden ze den waren God moeten vinden, dien ze vroeger miskenden: Daarom kwam de allerzwaarste straf over hen.
27In quibus enim patientes indignabantur per hæc quos putabant deos, in ipsis cum exterminarentur videntes, illum quem olim negabant se nosse, verum Deum agnoverunt; propter quod et finis condemnationis eorum venit super illos.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.