Wijsheid 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Maar de zielen der rechtvaardigen zijn in Gods hand; Geen kwelling kan hen deren.
1[Justorum autem animæ in manu Dei sunt, et non tangent illos tormentum mortis.
2In het oog der dwazen was het, of zij stierven; Men beschouwde hun einde wel als een ramp,
2Visi sunt oculis insipientium mori, et æstimata est afflictio exitus illorum,
3En hun heengaan van ons als het einde van alles: Maar toch zijn zij in vrede.
3et quod a nobis est iter exterminium; illi autem sunt in pace:
4Want al scheen het voor de mensen, dat ze werden gestraft, Toch is het de onsterfelijkheid, die hen wacht,
4etsi coram hominibus tormenta passi sunt, spes illorum immortalitate plena est.
5En na die korte kastijding worden ze rijkelijk beloond. Want God was het, die hen beproefde En hen Zijner waardig bevond;
5In paucis vexati sunt, in multis bene disponentur, quoniam Deus tentavit eos, et invenit illos dignos se.
6Als goud in de smeltoven heeft Hij hen beproefd, Maar als een aangenaam brandoffer hen aanvaard.
6Tamquam aurum in fornace probavit illos, et quasi holocausti hostiam accepit illos, et in tempore erit respectus illorum.
7Als de tijd van hun vergelding komt zullen zij schitteren Als sprankelende vonken in een stoppelveld;
7Fulgebunt justi et tamquam scintillæ in arundineto discurrent.
8Zij zullen de volkeren richten en de naties beheersen, En de Heer zal hun koning zijn voor eeuwig.
8Judicabunt nationes, et dominabuntur populis, et regnabit Dominus illorum in perpetuum.
9Die op Hem hopen, zullen zijn trouw ondervinden, En die Hem trouw zijn, in zijn liefde verblijven; Want genade en erbarming vallen zijn uitverkorenen ten deel.
9Qui confidunt in illo intelligent veritatem, et fideles in dilectione acquiescent illi, quoniam donum et pax est electis ejus.
10Maar de zondaars worden naar hun gezindheid bestraft, Omdat ze den vrome verachten en den Heer verlaten.
10Impii autem secundum quæ cogitaverunt correptionem habebunt: qui neglexerunt justum, et a Domino recesserunt.
11Want ongelukkig, wie wijsheid en tucht versmaden! Ijdel is hun hoop en hun zwoegen vergeefs, Nutteloos zijn hun werken;
11Sapientiam enim et disciplinam qui abjicit infelix est: et vacua est spes illorum, et labores sine fructu, et inutilia opera eorum.
12Hun vrouwen zijn onbezonnen, Hun kinderen slecht;
12Mulieres eorum insensatæ sunt, et nequissimi filii eorum.
13Vervloekt is hun geslacht! Maar gelukkig de kinderloze, die haar reinheid bewaart, En haar sponde zondeloos weet: Bij de vergelding der zielen oogst zij haar vrucht!
13Maledicta creatura eorum, quoniam felix est sterilis; et incoinquinata, quæ nescivit thorum in delicto, habebit fructum in respectione animarum sanctarum;
14Zo ook de eunuch, die geen boosheid bedrijft, En geen kwaad begeert tegen den Heer; Want een heerlijk loon ontvangt hij voor zijn trouw, Een kostelijk aandeel in de tempel des Heren.
14et spado qui non operatus est per manus suas iniquitatem, nec cogitavit adversus Deum nequissima: dabitur enim illi fidei donum electum, et sors in templo Dei acceptissima.
15Overheerlijk toch is de vrucht der goede werken, En de wortel der wijsheid blijft onvergankelijk.
15Bonorum enim laborum gloriosus est fructus, et quæ non concidat radix sapientiæ.
16Maar de kinderen van echtbrekers gedijen niet; Kroost, dat in zonde verwekt is, gaat te gronde.
16Filii autem adulterorum in inconsummatione erunt, et ab iniquo thoro semen exterminabitur.
17Al leven ze ook lang, ze zijn niet in tel, En eerloos is ten slotte hun ouderdom;
17Et si quidem longæ vitæ erunt, in nihilum computabuntur, et sine honore erit novissima senectus illorum:
18En sterven ze jong, ze hebben geen hoop, Geen vertroosting op de dag van het oordeel.
18et si celerius defuncti fuerint, non habebunt spem, nec in die agnitionis allocutionem.
19Want rampzalig is het einde van een boos geslacht!
19Nationis enim iniquæ diræ sunt consummationes.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.